[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

DE MOEDERMOORDENAAR.

De mooie Guido en mr. Röttger begaven zich, nadat zij den inspecteur van politie hadden verlaten, naar de woning van den vermeenden detective Marholm.

„De zaak is gewonnen,” riep de kleine redacteur tot Raffles, toen hij bij hem in de kamer trad. „Tot morgenmiddag denkt de politie-inspecteur er over na, wat hij ons denkt te betalen.”

„Dat is prachtig!” antwoordde de groote onbekende lachend. Hij had gedacht, dat Baxter het geval zou omdraaien en zoowel den eigenaar als den redacteur der Alarmkreet gevangen zou nemen.

En in plaats daarvan— —

Raffles dacht na.

De zaak was anders geloopen dan hij gedacht had.

Hij kon niet begrijpen om welke reden Baxter zich bereid had verklaard, den beiden bedriegers geld te betalen. Misschien wilde de inspecteur op deze wijze tijd winnen, om ze den volgenden dag des te zekerder in handen te hebben.

„Ik heb een mooi zaakje,” sprak Raffles na eenig stilzwijgen.

„Onlangs is een beschuldiging ingekomen, van een bediende jegens zijn heer, een zekeren Lord Melbourne. Dit stuk werd door den politieinspecteur ter zijde gelegd, omdat— —”

Raffles maakte de beweging van geld tellen.

„Is die Lord Melbourne rijk?” vroeg de kleine redacteur.

„Zeer rijk,” antwoordde Raffles. „Die betaalt u gemakkelijk zooveel, dat gij het niet weg kunt dragen.”

De oogen der beide journalisten glinsterden vol hebzucht.

„Wat heeft hij uitgehaald?” informeerde de kleine magere.

„Een gekke geschiedenis,” vertelde Raffles. „De bediende beweerde zeker te weten, dat de Lord zijn stiefmoeder had vergiftigd, die de erfgename was van het vaderlijke vermogen, na wier dood hij eerst in het bezit van het geld zou komen.

Als gij den bediende wenscht te spreken, ben ik gaarne bereid, den man bij u te zenden. Ik ken hem.

Het is mijn vaste overtuiging, dat alles, wat de bediende heeft beweerd, een feit is.”

„Maar gij zijt goud waard!” riep de mooie Guido, die op een stoel had plaats genomen en zijn nagels polijstte.

„Waar woont de Lord?” vroeg de kleine Röttger.

„Regentpark no. 16,” antwoordde Raffles, „ik sprak den bediende vanmorgen; hij deelde mij mede, dat de Lord van plan is, op reis te gaan. Gij moet dus, als gij iets wilt bereiken, snel handelen.”

„Kan ik den bediende spreken?” vroeg de redacteur.

„Dat kan ik u niet zeggen,” sprak de groote onbekende schouderophalend, „Maar Lord Melbourne is, zoover ik weet, altijd van drie tot vijf voor het diner te huis. Gij kunt hem bepaald in dien tijd treffen.

Ga hem eens opzoeken. Ik denk, dat wij reeds hedenavond een paar duizend pond sterling rijker zullen zijn.”

„Ik heb dringend geld noodig,” vertelde de mooie Guido lachend, „ik heb gisteren tamelijk groote verliezen geleden bij het spel in de club.

Laten wij eens zien, wat wij van den man los kunnen krijgen.”

„Maar eerst moeten wij iets eten,” stelde de redacteur voor, „mijn maag bromt bedenkelijk en als ik honger heb, kan ik dergelijk werk niet doen.

Sluit gij u bij ons aan, Mr. Marholm?”

„Het spijt mij,” antwoordde Raffles, „maar ik durf mij niet met u samen in het publiek vertoonen, dat is te gevaarlijk.”

Op dit oogenblik werd er aan de deur geklopt.

De groote onbekende, die niemand had verwacht, keek verbaasd op en riep:

„Come in!”

De deur ging open en met het gemoedelijke glimlachje, dat hem eigen was, trad de vloo het vertrek binnen. [17]

Nu bevond Marholm zich bij Marholm.

Een oogenblik schrikte Raffles.

Hij dacht aan een overval van de politie.

Onmiddellijk echter had hij zijn zelfbeheersching herwonnen en, zich tot Mr. Röttger wendend, die den detective had herkend, maar zijn naam niet wist, sprak hij:

„De heeren moeten mij verontschuldigen, ik ben nu verhinderd.”

„Wij zullen u bericht doen toekomen betreffende den Lord,” sprak Mr. Kroyzer en hij verliet met zijn compagnon Raffles.

Toen zij de trap afliepen, waren zij er nog zekerder van, met detective Marholm te doen te hebben, omdat een collega uit het hoofdbureau van politie hem bezocht.

Nauwelijks hadden de beide afpersers de deur gesloten, of de vloo legde zijn wijsvinger op den mond en fluisterde, met een blik op de deur: „Sst!”

Daarop luisterde hij, totdat hun schreden niet meer hoorbaar waren, en zich tot den grooten onbekende wendend, sprak hij:

„Goeden dag, Mr. Raffles.

Ik kom in opdracht van den inspecteur van politie, maar niet om u gevangen te nemen, doch om uw hulp in te roepen tegen de beide sujetten, die zooeven bij waren!”

„Ik houd mij reeds met hen bezig,” antwoordde Raffles, „neem plaats, Mr. Marholm. Als ik u een sigaar of een sigarette mag aanbieder dan als ’t u belieft.”

Marholm nam plaats naast de schrijftafel, waaraan de groote onbekende zat en sprak, terwijl hij een sigarette aanstak:

„Tot dusverre heb ik slechts van den rook uwer sigaretten kunnen genieten en dat was het eenige, wat gij achterliet, als wij u wilden hebben, gij zelf waart helaas altijd als rook vervlogen.”

Raffles glimlachte vroolijk.

Hij was nu gerustgesteld en begreep, dat Marholm inderdaad slechts voor particuliere zaken bij hem was gekomen.

„Het doet mij genoegen, dat mijn sigarette u smaakt, als het u aangenaam is, dan zal ik ze u voortaan doen toekomen.

Maar vertel mij nu vóór alles, hoe gij den weg naar hier hebt gevonden?”

„Heel eenvoudig,” lachte de vloo, „ik ben achter de twee heeren, die bij u waren, aangeloopen.”

„Hoe bedoelt gij dat?”

„Dat is waar,” lachte Marholm, „gij kunt niet weten, dat die beide gentlemen zich een uur geleden bij inspecteur Baxter bevonden en ik hen, toen ik uit het bureau kwam, nog op straat vond en hoorde, hoe Mr. Röttger juist zei:

„Nu gaan wij naar detective Marholm.”

Gij kunt u voorstellen, Mr. Raffles, dat ik er heel veel belang in stelde om te weten, waar de tweede detective Marholm in Londen woonde.

Daarom volgde ik het tweetal, klopte op de deur, en vond u, mijn dubbelganger, Mr. Marholm!”

„Wel,” lachte Raffles, „ik heb de eer, mij aan u voor te stellen. Ik heet tijdelijk Marholm.”

„Groote eer voor mij,” antwoordde zijn bezoeker, „dat gij u zoo voor mijn persoon interesseert. Ik had nooit kunnen denken, waartoe mijn naam al niet moest dienen.

Maar nu wil ik u eerst zeggen, waarvoor ik hier bij u ben. Ik heb een boodschap voor u, die geld waard is!”

Raffles blies den rook van zijn sigarette in mooie ringen omhoog en antwoordde:

„Ik ben zeer nieuwsgierig, het doel van uw komst te vernemen.”

„Uit naam van uw hooggewaardeerden vriend, mijn chef, den inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard, moet ik u verzoeken, u bezig te houden met die beide kerels, den redacteur en den eigenaar der Alarmkreet, en deze beide heeren ergens in de Theems te gooien met een kanon uit den Tower aan de voeten om hun te beletten, ooit weer boven te komen.

Zoo ongeveer luidt de opdracht, die inspecteur Baxter mij voor u gaf.”

„Uitstekend,” riep Raffles lachend uit, „dan is alles gegaan, zooals ik het wenschte. Ik was al bang, dat de beide boeven den inspecteur hadden bepraat en dat ik mijn spel tegenover hen had verloren.

Ik houd mij reeds met de kerels bezig.”

„Dat begreep ik dadelijk, toen ik hen beiden bij u ontmoette.

Dus was het bezoek bij den inspecteur slechts een gevolg van hetgeen gij met de schurken voor hebt?”

„Ja,”, lachte Raffles, „ik dacht, dat Mr. Baxter hen misschien gevangen zou nemen. Ik heb ze namelijk door middel van een brief op uw chef afgezonden.” [18]

„Klopt!” riep de vloo uit, „dat is de brief, dien ik onderschept moet hebben.”

„Juist,” antwoordde de groote onbekende, „ik moest het geloofwaardig voorstellen, daarom nam ik uw naam aan en stelde mij aan hen voor als secretaris van het hoofdbureau van politie.”

„Maar de spitsboeven hebben mij nu gezien,” sprak Marholm op bedenkelijken toon.

„Kennen zij uw naam?” vroeg Raffles in gespannen aandacht.

„No, Sir!”

„Wel! Dan hebben wij niets te vreezen. De beide heeren weten nog niet, dat gij de werkelijke Marholm zijt en ik de valsche ben.

Kent gij den inhoud van den brief, Mr?”

Marholm schudde het hoofd en sprak:

„Dien ken ik noch inspecteur Baxter. Na het gesprek in de kamer van mijn chef, dat ik afluisterde, zei de kleine Röttger alleen, dat zij een brief van Raffles aan den inspecteur van politie in handen hadden, die hem zoodanig compromitteerde, dat hij zijn betrekking kon verliezen.”

„Verder zei hij niets?”

„No, Sir, verder niets.”

„Fameus,” lachte Raffles, „dan is de inspecteur van politie waarschijnlijk bang, dat ik hen beiden mededeeling heb gedaan over zijn liefdesavonturen. Maar dat is niet waar.

Ik heb hun een brief gegeven, waarin ik hun het bewijs leverde, dat ik, Lord Lister, genaamd Raffles, de groote onbekende, met den inspecteur van politie samen werk en elken buit met hem deel.”

Marholm sloeg zich op de dijen, dat het klapte.

„Prachtig!” riep hij schaterlachend uit. „Als gij dat eens aan Baxter had meegedeeld. Hij zou u zoo zeker als tweemaal twee vier is, in een cel hebben opgesloten en u daarenboven een flink pak slaag laten geven.”

„Ik heb den beiden heeren nog meer verteld. Ik heb hun gezegd, dat Baxter van beruchte huizen, speelholen en eenige misdadigersbenden elke maand bepaalde bedragen ontvangt en daardoor millionnair is geworden.”

„Die arme Baxter,” lachte Marholm, „als hij eens wist, wat gij hem ten laste legt! Ik denk dat hij werkelijk krankzinnig zou worden.

Maar als die pennelikkers dat, wat gij hun hebt wijsgemaakt, aan den inspecteur hadden verteld, om hem geld af te persen, dan denk ik, dat de duivel in Baxter was gevaren en dat hij aan de beide kerels een ongeluk had begaan.”

„Ik heb nu een beter plan,” sprak Raffles. „Ga nu naar inspecteur Baxter en deel hem mede, wat ik van plan ben en vertel hem ook den inhoud van den brief.

Zeg hem, dat hij zich morgenmiddag den inhoud van den brief door mr. Röttger moet laten vertellen. Dan kan hij hem gemakkelijk wegens afpersing en lasterlijke aantijging gevangen nemen.”

„Een goed idee,” knikte Marholm, „en als gij mij nog een paar van uw cigaretten wilt meegeven, dan ga ik zeer voldaan heen om den inspecteur mee te deelen, dat gij de zaak in handen hebt genomen.”

Hij nam afscheid en verliet Raffles.

Eenige minuten later nam Lord Lister een rijtuig en reed weg.

Onderweg haalde hij in de Albanstraat, waar hij een klein huis van twee verdiepingen bewoonde, Charly Brand af en gaf dezen de volgende inlichtingen:

„Charly, we hebben een uitstekende grap! Jij moet nu mijn bediende voorstellen. Binnen een paar uur zullen de redacteur en de eigenaar van de Alarmkreet mij in mijn oude villa bezoeken en denken, dat zij zich bij een zekeren Lord Melbourne bevinden.

Dat ben ik.

Ik zal mij zoodanig vermommen, dat zij mij onmogelijk herkennen.

Ik denk, dat ik een grap met die kerels zal uithalen, zooals ik nog zelden heb beleefd.”

In de villa werd Charly Brand in de kleedkamer, waar zich ontelbare kostuums, pruiken en baarden bevonden, in een kamerdienaar veranderd, terwijl hij zelf zijn gelaat totaal onkenbaar maakte.

Daarop opende hij de ramen in zijn studeerkamer en wachtte op de dingen, die komen zouden.

Uit zijn sportartikelen zocht hij een goede rijzweep uit, zooals men die op de vossenjacht gebruikt.

Die legde hij blijkbaar achteloos op den schoorsteenrand, maar zoodanig onder zijn bereik, dat hij slechts zijn hand behoefde uit te strekken om haar op te nemen. [19]