[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN HEILZAME LES.

Het was kort na het diner, toen Charly Brand, die er als een deftige, oude kamerdienaar uitzag, bij Raffles, alias Lord Melbourne, twee heeren aanmeldde, die hem wenschten te spreken.

„Mijn naam is Röttger,” zoo stelde de redacteur zich voor, „ik ben de leider van de Alarmkreet.

Ik strijd voor recht, vrijheid en waarheid. Ik offer mij op voor mijn principes, voor de onbeschermde deugd en vernietig alles wat slecht en gemeen is!”

„Foei duivel!” De groote onbekende spuwde met een grooten boog in de naast zijn schrijftafel staande spuwbak.

„Neem mij niet kwalijk,” sprak hij tot de heeren, „ik lijd aan te grooten toevoer van speeksel.”

Beide bezoekers maten Lord Melbourne met vijandige blikken.

Zij konden niet bewijzen, dat het spuwen op hen betrekking had.

„Dus gij zijt de redacteur van de Alarmkreet?” vroeg Raffles na eenig zwijgen. „Is dat een nieuwe courant?”

Mr. Kroyzer zette een verontwaardigd gelaat, hij wilde reeds een scherp antwoord geven, maar de mooie Guido was hem voor:

„Hebt gij werkelijk nog nooit over ons blad hooren spreken, Lord Melbourne?”

Raffles haalde de schouders op.

„Het spijt mij zeer, ik lees behalve de „Times” en de Parijsche „Figaro”, en nog het „Berliner Tageblatt” en de „New-York Herald, geen andere couranten.

Men kan natuurlijk niet alles lezen wat ter perse komt.

Ik geloof dat de uren van den dag nauwelijks toereikend zouden zijn om de alleen al in Londen verschijnende couranten en tijdschriften te lezen. Men heeft toch ook nog andere bezigheden. Dat zult ge mij moeten toegeven”.

De kleine redacteur knikte bevestigend en zei:

„U heeft gelijk, Lord Melbourne, maar onze courant, de Alarmkreet, is iets wat ieder moet leeren kennen.

Het is een orgaan, dat strijdt voor de hoogste moraal; het is de bezem, die de modderpoelen van het moderne leven moet reinigen van hun stinkend vuil.”

Weer spuwde Raffles.

Daarop lachte hij.

„Eene aangename taak is dat. Vertel mij eens, hoe houdt gij dat op den duur toch uit? Het is geen aanbevelenswaardige arbeid. Daar heb je gauw genoeg van!”

Mr. Röttger sloeg zich trotsch op de borst.

„Slechts mannen als ik, die een onzelfzuchtig, sterk en groot karakter hebben, zijn in staat, om evenals Herkules Augiasstallen te reinigen.”

„Prachtig”, sprak Raffles, „ik wil u daar niet van terughouden, en daar uw tijd voor het groote werk zeer kostbaar is, moet gij dien niet bij mij verzuimen. Keer naar uw eigen omgeving terug!”

De kleine journalist wierp Raffles een woedenden blik toe.

Hij hield er niet van om op een dergelijke manier met woorden de deur uit te worden gegooid.

„Pardon”, antwoordde hij, „de tijd, dien ik bij u doorbreng, is voor mij geen verlorene.”

„Zoo, zoo”, lachte Raffles, „wilt gij daarmee zeggen, dat wij ons hier bij mij in een Augiasstal bevinden?”

„Ja”, bevestigde de redacteur, „ik zou u anders niet hebben opgezocht, Lord Melbourne. Hier is een der smerigste plaatsen in den grooten modderpoel van het moderne leven, die ik ooit heb ontdekt.” [20]

Lord Melbourne lachte hartelijk.

Daarop keek hij met vroolijken blik de kostbaar ingerichte kamer rond en sprak:

„Wel, als het nergens smeriger is dan bij mij, moeten zelfs varkens zeer netjes wonen.”

„Gij begrijpt wel”, siste Mr. Röttger, „ik bedoel daarmede, dat niet uw kamers, maar gijzelf smerig en vuil zijt!”

„Ho, ho!” viel Raffles hem lachend in de rede, „ik heb vanmorgen gebaad, evenals elken dag.”

Nu werd de kleine redacteur venijnig:

„Het lichaam kan misschien zuiver zijn, maar de ziel is onrein als het vuilste riool.”

All right”, knikte de Lord, „dan zal ik u als puttenschepper aanstellen. Hoeveel verlangt gij per maand?”

„Laat ons niet schertsen, Lord Melbourne, ik moet u over ernstige dingen spreken. Het is voor u een levenskwestie!”

John Raffles stak een sigaret aan en blies zijn bezoeker den rook in het gelaat.

„Ik geloof, dat gij u vergist. Over mijn bestaan had alleen mijn vader eenmaal te beschikken.”

„Of de wet.”

„Hoe bedoelt gij dat?”

Raffles nam den redacteur van het hoofd tot de voeten op en Mr. Röttger voelde zich door den blik der zwarte oogen verontrust.

Een onbehaaglijk gevoel, alsof hij hem reeds hier of daar had ontmoet, maakte hem zenuwachtig.

Maar tevergeefs dacht hij na; hij herkende in de spotachtig lachende oogen van Lord Melbourne niet die, welke detective Marholm, d. w. z. de onechte Marholm, in zijn hoofd had.

„Hoor mij een paar seconden aan”, sprak hij tot Raffles. „Gij zult thans voldoende op de hoogte zijn van mijn persoon en mijn courant.”

„Ongetwijfeld”, antwoordde de groote Onbekende, „ik ken u zoo nauwkeurig, alsof gij jarenlang mijn kamerdienaar waart geweest.”

Opnieuw trof hem een vijandige blik.

Met een verachtelijk gebaar deed de kleine redacteur stilzwijgend afstand van het baantje van kamerdienaar en zei:

„Gij overschat uzelf, Lord Melbourne, zelfs Zijne Majesteit zou er zich niet op kunnen beroemen, mij in Zijnen dienst te hebben gehad.”

„Nu, nu,” lachte Lord Lister, „spreekt gij Spaansch?”

„Neen, hoezoo?”

„Russisch?”

„Neen?”

„Italiaansch, Fransch?”

„Neen?”

„Kunt gij friseeren, masseeren, enz.?”

„Verduiveld, neen!”

„Een costuum beugelen? Of een das binden?”

Een toornig luid „Neen”, deed zich opnieuw hooren.

„Ziet ge,” sprak Raffles, „dan zijt gij in ’t geheel niet bekwaam om kamerdienaar te worden”.

„Maar schrijven kan ik”, herhaalde de kleine redacteur op scherpen toon.

„Neem mij niet kwalijk”, lachte zijn overbuur, „schrijven kan mijn kamerdienaar ook. Dat is toch een schoolvak, dat iederen straatjongen wordt aangeleerd”.

„Ik bedoel letterkundig!”

Een lang gerekt „Zoo-oo …!” was het eenige antwoord, weer blies Lord Lister met spottend gekrulde lippen den rook van zijn sigaret in het gelaat van den journalist en sprak:

„Misschien kan mijn kamerdienaar dat ook.

Hij zou b.v. een werk kunnen uitgeven: „Onthullingen uit het slaapvertrek van mijn meester”, of „De liefdesavonturen van mijn meester”, of „De schuldeischers”— —of „Verhalen van een kamerdienaar”. Ik denk, dat dit alles in den tegenwoordigen tijd veel bijval zou verwerven. Men leest in de zoogenaamd letterkundig-ontwikkelde kringen dergelijke zaken graag”.

„Maar,” verdedigde zich de kleine redacteur, „dat wat ik schrijf, zal uw kamerdienaar niet kunnen schrijven. Daartoe ontbreken hem de gegevens.

Ik heb bijvoorbeeld een artikel in de pen met het opschrift:

„Sensationeele onthullingen omtrent den geheimzinnigen dood der oude Lady Melbourne”.

„Klopt niet”, glimlachte de Lord.

„In hoeverre niet?”

„Wel, omdat de Lady nog niet zoo oud was, ik kan het weten. Mijn stiefmoeder was dertig jaar toen zij stierf. Zij was jonger dan ik”.

De redacteur zette verbaasde oogen op.

Maar hij beheerschte zich en antwoordde:

„De leeftijd heeft er ook niets mee te maken. De hoofdzaak zijn de onthullingen omtrent den geheimzinnigen dood”.

„Dat is mogelijk”, stemde Raffles toe, „maar omdat deze onthullingen op even onvoldoende informaties [21]berusten als die omtrent den leeftijd der Lady, ziet het er slecht mee uit”.

„Maak u niet ongerust,” mengde zich Mr. Kroyzer in het gesprek, „mijn redacteur heeft niet naar den leeftijd geïnformeerd. Maar omtrent den dood van uw stiefmoeder weet hij alles.”

„Dat vind ik interessant”, riep de Lord uit, „wanneer is de Lady dan gestorven?”

„Dat weet gij evengoed als ik”, antwoordde Mr. Röttger, terwijl hij het inderdaad niet wist.

„Oho”, lachte Raffles, „gij vergist u. Mij is de datum van het overlijden van mijn stiefmoeder tot op heden nog niet bekend”.

Nu richtte de kleine redacteur zich in zijn volle lengte op, wierp den Lord een verachtelijken blik toe en sprak:

„Ik ben niet hier gekomen, om met u verstoppertje te spelen, gij weet evengoed, als ik, wat ik bedoel.”

Raffles haalde de schouders op.

„Ik weet inderdaad niet, wat gij wenscht”.

„Sir”, antwoordde Röttger nu op bruusken toon, „er is slechts één artikel in de Alarmkreet noodig, om u in een smadelijk proces te wikkelen”.

„Daaraan twijfel ik geen oogenblik”, sprak de Lord op kalmen toon, „het is alleen de vraag, voor wien het proces smadelijk zou zijn, voor u of voor mij”.

„Alleen voor u!”

Nauwelijks was dit woord gesproken, of de Lord sprong plotseling van zijn stoel op en mat den redacteur met een doordringenden blik.

„Als gij er de persoon naar waart, zoudt gij mij op een andere plaats rekenschap van uw woorden moeten geven!”

„Ik zal u rekenschap geven”, siste Röttger, „maar met mijn wapenen: met pen en inkt. En nu wil ik u nog iets zeggen, Lord Melbourne:

Er zijn sterke bewijzen voorhanden, dat gij de schuld draagt van den dood uwer stiefmoeder. Ja, dat gij zelfs haar dood opzettelijk hebt veroorzaakt.”

Raffles kruiste de armen.

„En al ware dat het geval, wat gaat het u dan nog aan? Zijt gij rechter of inspecteur van politie?”

„Dat niet, maar ik ben de redacteur, der Alarmkreet en als zoodanig maak ik dergelijke dingen, als zij mij ter oore komen, bekend en deel ze aan de autoriteiten mee”.

„Dat wil zeggen”, sprak Raffles, „dat gij u eerst riemen snijdt uit de huid van uw slachtoffers, om daarna de ongelukkigen achter slot en grendel te helpen”.

„Gij kunt beide dingen vermijden”, viel nu Mr. Kroyzer in, „er zal een artikel gepubliceerd worden, noch een aanklacht jegens u worden gedaan, als gij het met ons eens wordt”.

„Ja, als gij het met ons eens wordt”, voegde Mr. Röttger er aan toe.

Raffles deed, alsof hij niet dadelijk de beteekenis dier woorden begreep.

„Hoe meent gij dat, heeren?” vroeg hij.

De journalist naderde hem vertrouwelijk, legde de hand op zijn schouder en sprak:

„Laat ons verstandig zijn, Lord, het zal u niet moeilijk vallen, een overeenkomst met ons te sluiten. Voor iemand van uw vermogen zullen een paar duizend pond geen groote rol spelen.”

Nauwelijks had de groote onbekende deze woorden gehoord, of hij floot zoo luid en doordringend, dat de redacteur verschrikt achteruit sprong.

„Denkt gij, dat ik uw zwijgen zal koopen?”

„Gij gebruikt daar een leelijke uitdrukking,” sprak Mr. Kroyzer, „gij hebt niet noodig, ons stilzwijgen te koopen, maar wij willen goede zaken met elkaar doen.”

„Goede zaken?” vroeg Raffles. „Voor u ongetwijfeld. Want als ik u goed versta, dan betaal ik u eenige duizenden pond sterling, stop u de zakken vol geld en krijg daarvoor niets terug.”

„Natuurlijk, Lord Melbourne, want wij bewaren een onherroepelijk stilzwijgen omtrent alles wat wij hebben vernomen.”

„Maar wat hebt gij dan toch eigenlijk vernomen, mijne heeren? Gij zijt nu reeds een uur lang bij mij en spreekt nog geheel in raadselen.”

„Zullen wij ons duidelijker verklaren?” vroeg Mr. Kroyzer.

„Ja”, antwoordde Raffles, „dan zal ik ook duidelijker spreken.”

Met een snellen blik keek hij plotseling naar de rijzweep, die op den schoorsteenmantel lag.

Noch Mr. Röttger, noch Mr. Kroyzer begrepen dien blik.

„Goed”, sprak de kleine, redacteur, „wij hebben van een volkomen betrouwbaar persoon de bewijzen gekregen, dat gij den dood van uw stiefmoeder op uw geweten hebt.”

„Is dat alles?” vroeg Raffles op volkomen onverschilligen toon, zoodat zoowel de kleine redacteur als de eigenaar der Alarmkreet stom van verbazing waren. [22]

„Ik denk, dat dat meer dan voldoende is”, antwoordde Mr. Röttger na eenige oogenblikken, „begrijp wel, het betreft hier een aanklacht wegens moord.”

„Gij beweert dus”, sprak Raffles, „dat ik mijn stiefmoeder heb vermoord.”

„Ik beweer het niet alleen, maar ik wil het ook bewijzen!”

Een oogenblik keek de groote onbekende zijn tegenstander met ijskouden blik aan, daarop deed hij, alsof hij overlegde, wat hij wel te antwoorden had.

„Laat ons eens aannemen, mijne heeren,” sprak hij, „dat datgene, wat gij beweert, een feit was en ik mijn stiefmoeder had vermoord, om in het bezit te komen van het vermogen van mijn vader.

Op welke wijze zoudt gij er mij voor instaan, dat gij u in de zaak, die gij met mij denkt te behandelen, als eerlijke menschen zult gedragen?”

„Mijn betrekking als redacteur der Alarmkreet verplicht mij tot eerlijk handelen.”

„Pardon”, antwoordde Raffles, „ik begrijp uw woorden niet.”

„Ik bedoel”, antwoordde Mr. Röttger, „dat ik als redacteur der Alarmkreet wel verplicht ben, mij als een eerlijk mensch te gedragen.”

„Mooi!” sprak Lord Lister, „hoeveel verlangt gij daarvoor?”

„Zeggen wij voorloopig tienduizend pond sterling.”

„Een net zaakje”, lachte de groote onbekende. „Gij zeidet immers zooeven, dat gij als redacteur der Alarmkreet tot eerlijk handelen verplicht waart. Ik herhaal: tot eerlijk handelen.

Weet gij, heer redacteur, ik heb strengere opvattingen omtrent eerlijkheid dan gij.

Gij schijnt uw eerlijkheid ergens in de modder te hebben laten liggen.

Eerlijk zoudt gij zijn, als gij dat, wat gij beweert omtrent mijn persoon vernomen te hebben, aan de justitie meedeeldet, in plaats van uw zwijgen aan mij te willen verkoopen voor tienduizend pond sterling.”

„Genoeg!” schreeuwde nu de kleine redacteur, de vuisten ballend, „ik ga van hier naar den inspecteur van politie Baxter. Gij zult ondervinden, welke gevolgen deze zaak voor u heeft.”

„Stellig!” lachte Raffles, „en opdat gij den weg niet tevergeefs af zult leggen, zal ik u iets meegeven, dat gij den inspecteur als bewijs kunt toonen. Let eens op!”

Voordat Mr. Röttger of Mr. Kroyzer iets vermoeden of een poging konden doen om te vluchten, had Raffles de rijzweep van den schoorsteen genomen en als hagelsteenen vielen in het volgende oogenblik de slagen op den redacteur en den eigenaar der Alarmkreet neer.

(Zie het titelblad.)

De klappen volgden elkaar zoo snel op en werden op zoo elegante manier uitgedeeld, dat de beide schurken zich niet konden verdedigen.

Schreeuwend en vloekend holden zij de kamer uit, stieten Charly Brand, die op den drempel was verschenen, omver en snelden de straat langs als twee achtervolgde beesten.

Zij liepen door totdat zij voor de deur van het hoofdbureau van politie stonden, want zij meenden nog steeds, dat Lord Melbourne hen met de rijzweep op de hielen zat.

Toen zij ademloos door het snelle loopen de kamer van inspecteur Baxter waren binnengekomen, troffen zij dezen niet, doch in zijn plaats detective Marholm, die hen met onvriendelijke blikken ontving.

„Wat wenscht gij?” snauwde hij, „de inspecteur is niet hier.”

„Er is ons iets vreeselijks overkomen”, hijgde de redacteur.

„Iets ontzettends!” voegde de eigenaar van het schimpblad er aan toe.

„Wat dan?” vroeg Marholm, en op hetzelfde oogenblik ontdekte hij op beider gelaat de dik opgeloopen striemen van de rijzweep.

„Ah zoo!” sprak hij, „hebt gij slaag gehad?”

„Ja!” riepen beiden tegelijk uit.

„Nu,” lachte de vloo, „zoo iets moet gij gewend zijn. Gij zijt, als ik mij goed herinner, immers de redacteur der Alarmkreet?”

„Ja,” zuchtte de kleine Röttger, terwijl hij den zakdoek voor het gelaat hield, „dat ben ik. Maar ik begrijp niet hoe gij ertoe komt om te zeggen, dat ik aan een pak slaag gewend moet zijn.”

„Kom”, sprak Marholm lachend, „gij kent immers het woord uit den Bijbel:

„Wie het zwaard opneemt, zal door het zwaard omkomen!”

Daarvoor kan men evengoed zeggen:

„Wie klappen uitdeelt, zal klappen terugkrijgen!”

„Wij zijn hier niet om bijbelteksten met u te behandelen”, antwoordde Mr. Röttger met woedenden blik.

„Wat wilt gij dan?” vroeg de vloo op kalmen toon.

„Een aanklacht wegens moord indienen tegen Lord Melbourne.”

„Jegens wien?” vroeg Marholm. „Tegen Lord Melbourne? Dat is jammer. Waar woont de Lord?”

„Regentpark 16.” [23]

„Regentpark 16? Voor zoover ik mij herinner, is Lord Melbourne reeds acht jaar dood. Hoe kan hij dus in het Regentpark No. 16 wonen?”

„En toch is het zoo”, sprak de kleine redacteur. „Gij verwisselt zeker den zoon met den vader. Onze aanklacht is gericht tegen den zoon. Roep dadelijk eenige detectives bijeen en spoed u naar den Lord, voordat hij de vlucht heeft kunnen nemen.”

„Zoo snel gaat dat niet”, sprak Marholm, „eerst moet ik een protocol opmaken van uw beschuldiging, en dat is niet zoo gemakkelijk.

Het gaat bij ons alles volgens voorschrift. Daar buiten om gebeurt er niets.

Daarop zullen wij Lord Melbourne uitnoodigen om hier te komen en hem een verhoor afnemen.

Daarmee gaat minstens een week heen. Zoolang moet gij geduld hebben.”

„Dat is ongeloofelijk”, sprak de redacteur, „op die manier heeft elke moordenaar de tijd om te ontvluchten.”

„Zeker”, antwoordde Marholm op doodkalmen toon, „wij houden ons bij voorkeur bezig met voortvluchtige moordenaars.

Het aangenaamst zijn ons zelfs de onbekende moordenaars.

Dergelijke gevallen behandelen wij zeer eenvoudig. Wij loven een belooning uit en laten het publiek naar hem zoeken. Wordt hij dan niet gevonden, dan dragen wij de schuld niet alleen, maar het publiek met ons.”

„Wilt gij ons voor den gek houden?” vroeg Mr. Kroyzer.

Nu stond Marholm op en riep uit:

„Houd uw domme aanmerkingen voor u, want als iemand voor den gek wordt gehouden, dan zijn wij het, maar niet het publiek.

Ik hoop, dat gij mij begrepen hebt.

En als gij nu een aanklacht wilt indienen, ga dan naar huis, neem een vel van het daartoe gebruikelijke formaat papier, vouw het in het midden langs de lengte in tweeën en schrijf op de rechterhelft met openlating van een blanco rand ter breedte van twee vingers.

Indien gij u niet aan dit voorschrift houdt, kunnen wij de aanklacht niet accepteeren. Zij gaat dan onherroepelijk in de papiermand.

En gaat nu heen, want ik heb te werken.”

Hij draaide het tweetal den rug toe en ging met zijn schrijfwerk door.

Toen zij nog niet heengingen, draaide hij zich nog eens om en vroeg:

„Wat verlangt gij nog meer?”

„Wij zouden gaarne weten”, antwoordde Mr. Röttger, „wanneer inspecteur Baxter te spreken is.”

„Over een uur”, antwoordde Marholm en hij voegde er aan toe:

„Als ik u een goeden raad mag geven, leg dan thuis ijscompressen op uw gezicht, want iedereen ziet al op een afstand aan u, dat gij een flink pak rammel hebt opgeloopen.”

„Wij zullen tijdig terug zijn”, sprak de redacteur, en met zijn medeplichtige verliet hij het bureau.

Marholm echter sloeg zich van pret op de knieën en riep:

„Drommels, dat is de mooiste streek, dien ik ooit van Raffles heb gehoord. Elke klap schijnt een van de beste soort te zijn geweest.”

Hij had misschien een half uur geschreven, toen Baxter als een brieschende leeuw het bureau binnen stormde.

Hij wierp zijn dienstpet op de schrijftafel, zoodat een inktkoker omviel en de inhoud als een zwarte stroom over de tafel en den witgeschuurden vloer liep.

Daarop ging hij voor Marholm staan, en schreeuwde met gebalde vuisten:

„Ik sla je dood, Marholm, ik sla je dood!”

Hij zag er werkelijk uit, alsof hij van plan was zijn vuisten op het hoofd van den secretaris te doen neerdalen.

Maar Marholm kende zijn chef.

Onbevreesd keek hij den inspecteur aan en sprak:

„Waarom wilt gij mij doodslaan?”

Baxter’s oogen rolden in hun kassen.

„Gij hebt mij geblameerd—gij hebt mij voor altijd onmogelijk gemaakt!”

Marholm glimlachte.

„Is dat mogelijk, inspecteur?”

„Ja, dat is mogelijk!” raasde Baxter.

„Gij weet, dat ik hedenmorgen een brief kreeg van den president van de rechtbank met de opdracht, hem om drie uur in den middag te bezoeken.

„Kunt gij denken, wat er nu gebeurd is?”

„Een grap geweest?”

„Een grap?—Een uitbrander heb ik gehad als nog nooit in mijn leven! Een eindeloozen uitbrander! Hij noemde mij niet alleen een ezel, maar verklaarde mij voor den grootsten idioot, die er ooit op de wereld heeft rondgeloopen”.

„Laat u dat zwart op wit geven, dan kunt gij een flinke som verdienen in onze variété’s en in het Panopticum. [24]Den grootsten idioot zal iedereen willen zien”.

De inspecteur greep Marholm bij de keel, alsof hij hem wilde wurgen.

„Zwijg, Marholm, of ik ransel u af! Jij bent de grootste idioot!”

„Het is mogelijk”, antwoordde Marholm, „anders was ik misschien uw secretaris niet!”

„Ja, gij!” riep Baxter uit, „want om uwentwege kreeg ik den uitbrander—door uw schuld ben ik voor den grootsten idioot uitgemaakt”.

„Ik ben zeer nieuwsgierig!”

„De duivel moge je halen met je nieuwsgierigheid. De zaak is eenvoudig genoeg. Belachelijk eenvoudig, gij stommerik!

Ik zei je gisteren, dat het voorschrift was, een rand open te laten ter breedte van twee vingers”.

„Klopt!” antwoordde Marholm, „was de rand niet zoo breed?”

„Ja, de rand was zoo breed, maar geen enkel woord, dat dichtbij den rand staat, is te lezen. Gij hebt eenvoudig, inplaats van verder te schrijven op den volgenden regel, de letters weggelaten en daardoor onbegrijpelijke rapporten geschreven. Geen mensch kan er uit wijs worden, noch de rechters, noch de president!”

„Daaraan twijfel ik geen oogenblik”, sprak Marholm, terwijl hij zijn tabakspijp ging stoppen.

„Als gij de rapporten hadt gelezen, zoudt gij het weglaten der letters hebben opgemerkt.

Het was onmogelijk, de woorden af te breken, daar ik steeds een paar letters over had in de laatste lettergreep, die ik niet op den rand mocht schrijven, welke tot elken prijs twee vingers breed moest zijn.

Om mij aan het voorschrift te houden en allen eerbied te toonen jegens de wetten, liet ik de letters eenvoudig weg”.

Hij nam een lucifer en stak zijn pijp aan.

„Het had niet veel gescheeld”, vervolgde Baxter, „of gij hadt mij den nek gebroken. Ik had bijna mijn ontslag gekregen”.

„Dat zou meer jammer zijn geweest voor John Raffles dan voor u!”

Het woord Raffles oefende dezen keer een kalmeerende werking uit op Baxter.

Zijn opgewonden gelaat werd kalmer, zijn toornige stem nam een vriendelijker klank aan en hij vroeg:

„Hebt gij met Raffles gesproken?”

„Ja,” antwoordde Marholm lachend, „en gij zult het resultaat van mijn bezoek binnen een uur in duidelijk leesbaar schrift voor u zien! Ik wed, dat er geen letter is weggelaten”.

„Zal Raffles mij schrijven?” vroeg Baxter, die deze woorden niet begreep.

„Hij heeft u reeds geschreven”, sprak Marholm, „heb maar geduld”. [25]