De redactiejongen had juist, om vijf uur, het bureau verlaten. Hij stak juist een zijner cents-sigaretten aan, toen hij op de trap Raffles ontmoette, die, nadat hij met de beide afpersers een samenkomst, vermomd als Lord Melbourne, had gehad, nu een bezoek kwam brengen op de redactie der Alarmkreet, om in het bezit te komen van bewijzen tegen den redacteur en den bezitter van de courant.
Nauwelijks was de jongen Raffles gepasseerd, of de groote onbekende snelde geruischloos als een kat de trappen op en bevond zich in een paar seconden voor den ingang van de redactie.
De deur gaf hem weinig moeite, het was een ouderwetsche, in Engelsche woningen gebruikelijke houten deur, die bijna met elken sleutel te openen was.
Deze geringe veiligheidsmaatregel verbaasde Raffles eerst. Hij meende na eenig nadenken, dat de eigenaren van dit kantoorlokaal misschien niets te verbergen hadden. Maar toch wilde hij zich overtuigen, of niet het een of ander geheim, vooral wat betrof het geval Spancer, in de schrijftafel van den redacteur te vinden zou zijn.
Daar de luiken gesloten waren, was het er volkomen donker.
Hij stak daarom een lamp aan, die op tafel stond en zag in den hoek een cylinderbureau, dat hij met geringe moeite opende.
Hij opende alle kastjes en laden, maar vond niet het minste, dat hem van dienst had kunnen zijn.
„Het is precies zooals ik dacht”, sprak hij tot zichzelf, „de schurken weten heel goed, dat het voor hen het veiligste is om geen enkelen brief of geschreven stuk te bewaren”.
Hij sloot het meubel weer en wilde zich naar huis terug begeven, toen hij op de tafel middenin het vertrek een pakket zag liggen, dat met een touw was dichtgebonden.
Met groote letters stond, in blauw potlood op den omslag van het pakket geschreven:
„Laatste correctie”.
Een oogenblik keek Raffles nadenkend naar het pakket, dat ter verzending gereed lag en dat de jongen waarschijnlijk vergeten had, daar het nog dien avond ter perse moest, omdat de courant den volgenden morgen zou verschijnen.
Plotseling vloog het bekende lachje over Raffles’ gelaat.
„Ja”, fluisterde hij, „als ik hierin vind, wat mij nu toevallig bezighoudt, zou het een kolossale grap geven!
„Juist, morgenochtend verschijnt het wekelijksche nummer der Alarmkreet en dit is de laatste correctie voor de drukkers.
„Prachtig!”
Hij maakte voorzichtig het pakket open en haalde de gedrukte correctievellen der gereedgemaakte courant te voorschijn.
Artikel na artikel las hij met de grootste belangstelling en hij amuseerde zich al lezende, hoe langer hoe meer.
Daarna nam hij aan de schrijftafel plaats, opende den inktkoker en nam de pen, waarmee een paar uur geleden de redacteur der Alarmkreet de correctie had aangebracht.
Raffles doopte de pen in den inkt, stak een sigaret aan en lachte zachtjes.
„Nu zal ik de Alarmkreet eens redigeeren. Londen zal verbaasd zijn, wat voor een geestig blad de Alarmkreet is. Mr. Röttger kan niets hebben in te brengen tegen de veranderingen, die ik aanbreng, omdat hij het niet meer zal kunnen. [26]
„Ik ontvang hem over een paar uur bij mij en zal ervoor zorgen, dat hij zich niet meer in verbinding kan stellen met zijn drukkerij”.
Raffles rookte zijn sigaret op, stak een nieuwe aan, en las het eerste artikel:
Nieuws omtrent John Raffles, den Grooten Onbekende.
„Wij hadden verwacht, dat de door ons als gewetenloos avonturier en misdadiger beschreven Londensche bedrieger zich zou verdedigen tegen onze beschuldigingen en ons een bericht toezenden, zooals hij dat gewend is te doen.
„Maar die man is niet alleen een avonturier en misdadiger van de gemeenste soort, maar hij is ook lafhartig.
„Het wordt meer dan tijd, dat de Londensche pers zich niet meer met dien kerel bezighoudt, maar hem eenvoudig doodzwijgt, opdat de lauwerkrans, dien men hem ten onrechte omhangt, eindelijk door iets anders kan worden vervangen.”
„Heel aardig,” lachte Raffles, „dat artikel zal ik corrigeeren.”
Hij nam de pen op en schreef:
„John Raffles, dien wij in het laatste nummer van ons blad uitschilderden als een gewetenloos avonturier en misdadiger, heeft ons bewezen, dat hij werkelijk den lauwerkrans, dien de Londensche pers hem omhangt, vol bewondering als zij is voor zijn daden, ten volle verdient.
„John Raffles heeft ons niet alleen door woorden overtuigd, maar zelfs door een onomstootelijk bewijs.
„Wij bevelen John Raffles aan bij alle bewoners van Londen, die door gewetenlooze schurken worden uitgezogen, gedreigd of misleid. Tot deze laatste soort behoort ook de Alarmkreet.
„Wij moeten dit ter kennis brengen van alle lezers onzer courant en hen dringend aanraden zich bij voorkomende gelegenheden tot John Raffles te wenden.”
„Ziezoo,” sprak Raffles, „dat is de eerste correctie, nu volgt de tweede in de zaak-Spancer.”
Hij las:
De poging tot zelfmoord door de jonge bontwerkster, die, zooals wij onzen lezers hebben medegedeeld, het slachtoffer is geworden van den zoon van den bekenden pelshandelaar Spancer, is tot heden niet opgehelderd.
„Wij veronderstellen nog steeds, dat het jonge meisje door den jongen Spancer tot zelfmoord is gebracht.
„Het is meer dan tijd, dat de politie zich met deze zaak bezighoudt.”
„Aha,” sprak Raffles, „daar zullen wij iets aan toevoegen.”
En hij schreef verder:
„Wij zouden gaarne bereid zijn geweest, over deze zaak het stilzwijgen te bewaren, indien de vader van den jongen Spancer de door ons verlangde 5000 pond sterling had betaald, maar die man is, helaas, zoo ongenaakbaar, dat hij er niet aan wil denken, de dupe te worden van onze afpersing. Het jonge meisje wordt door hem, naar wij vernomen hebben, op milde wijze ondersteund en heeft van hem een kleine zaak in pelswaren gekregen in de Victoriastraat.”
„Zie zoo,” mompelde Raffles, „nu is ook dit artikel gecorrigeerd.”
Nu nam de groote onbekende een blanco stuk papier en begon daarop een geheel nieuw artikel te schrijven.
Het luidde:
Oplichterij op groote schaal!
„Naar wij zooeven uit goede bron hebben vernomen, heeft zich onder den naam „De Alarmkreet” een courant in Londen gevestigd, die, evenals de Apachen in Parijs, de schrik is geworden van de fatsoenlijke Engelsche burgerij.
„De courant houdt zich ermee bezig, om uit kleine gebeurtenissen of ongelukkige omstandigheden, waardoor solide menschen worden getroffen, sensatie-artikelen in elkaar te flansen, doordat zij namelijk van een mug een olifant maakt.
„Wij weten zeer stellig, dat deze courant niets anders is dan een gemeene bedriegerij; zij is, evenals de Amerikaansche „Arizona Kicker”, ten allen tijde bereid om tegen betaling van een zeker bedrag afstand te doen van het laten drukken dier sensatieberichten.
„Het is niets anders dan een zoogenaamde „revolverpers”, die zich niet ontziet de eer en het vermogen der staatsburgers aan te randen.
„Het zou hoog noodig zijn, dat de inspecteur van politie Baxter zich ernstig bezig hield met den redacteur en den eigenaar van dit weekblad, om Engelsche burgers tegen dergelijke gevaarlijke schurken te beschermen.
„Naar alle waarschijnlijkheid zal het echter [27]bovengenoemden inspecteur niet gelukken, deze menschen onschadelijk te maken.
„Wij vernemen gelukkig, dat om die reden John Raffles zich deze zaak heeft aangetrokken en nu van plan is, den eigenaar en den redacteur van „De Alarmkreet” een welverdiende straf te doen toekomen.
„Het verdere verloop dezer zaak zullen de lezers van dit blad morgen in de Londensche couranten kunnen vinden.
„P. S. Wij verzoeken den verslaggevers van alle Engelsche couranten, zich hedenavond om 9 uur, voor het vernemen der laatste gebeurtenissen, te vervoegen bij den heer inspecteur van politie.”
„Klaar!” sprak Raffles, „nu zal de courant eindelijk eens een fatsoenlijk bericht bevatten. De Alarmkreet zal morgenochtend voor den laatsten keer verschijnen; ik heb deze giftplant der Engelsche pers met wortel en al uitgeroeid.”
Hij stond op en sloot het pakket weer in hetzelfde papier, zoodat er niet aan te zien was, dat het geopend was geweest.
Daarop ontdeed hij met zijn zakdoek de schrijftafel van de sigarettenasch, die hij erop had laten vallen, sloot het meubel, draaide het licht uit en verliet het redactielokaal.
In de aangrenzende restauratie wachtte Charly Brand op hem.
„Zoo”, sprak deze, „ben je klaar? Het heeft vrij lang geduurd.”
„Ja”, antwoordde Raffles, „ik had ook tamelijk veel te doen, ik heb voor hoofdredacteur der Alarmkreet gefungeerd en de courant geredigeerd. Ik verzeker je, dat Londen zich morgenochtend amuseeren zal!”
„Hoe?” lachte Charly Brand, „ben je in de journalistiek gegaan, hoe heb je dat klaargespeeld?”
„Heel eenvoudig”, vertelde Raffles, „het is mij reeds herhaaldelijk zoo gegaan in mijn leven, de hemel heeft mij altijd noodig om schurken hun welverdiende straf te doen toekomen.
„Het toeval, of laten wij het het noodlot noemen, maakte, dat de correctie van de courant gereed op tafel lag en de jongen had vergeten het pakket mee te nemen.
„De courant komt morgenochtend uit en niets is meer in staat, het onheil van de heeren Röttger en Kroyzer af te wenden.
„En laat ons nu gaan.”
Toen zij het restaurant verlieten, kwam juist de redactiejongen ademloos aangerend.
„Zie je”, sprak Raffles, „ik heb mij niet vergist, de bengel heeft tot ons geluk de correctie op tafel laten liggen en haast zich nu, zijn verzuim weer goed te maken. Wij zullen hier wachten en even zien of mijn veronderstelling juist is.”
Zij gingen voor een sigarenwinkel staan en keken schijnbaar vol aandacht naar de uitstalling.
Een paar minuten later reeds kwam de jongen terug en Raffles zag, dat hij het pakket in de hand hield, snel de straat overstak, op een tram sprong en wegreed.
Intusschen zaten Mr. Röttger en Mr. Kroyzer in een klein restaurant in de buurt, waar zij, nu zij eenigszins bekomen waren van de zweepslagen, iets gebruikten.
Beide heeren waren reeds weer in opgewekte stemming.
Zij hadden bijzondere zorg aan hun toilet besteed en bespraken nogmaals, wat zij tegen den inspecteur van politie zouden zeggen.
„Ik ben van meening”, sprak de kleine redacteur, „dat de Lord zijn stiefmoeder werkelijk heeft vergiftigd. Dergelijke dingen komen immers dagelijks voor.”
„Zeker”, knikte de mooie Guido, „en ik denk, dat gij, als gij een stiefmoeder hadt, die zoo rijk was als die van Lord Melbourne, dat gij dan hetzelfde zoudt doen.”
„Natuurlijk”, antwoordde de redacteur, „ik ken allerlei onschuldige middelen, om dergelijke zaakjes op te knappen, zonder dat een dokter iets kan constateeren.”
„Gij zijt eigenlijk een gevaarlijk mensch”, meende de sluwe Guido, „en als gij mijn redacteur niet waart, zou ik niets met u te maken willen hebben.”
„Zeg geen nonsens”, riep de ander uit, zijn chef als een giftige pad aankijkend.
„Wanneer gij mij wilt beleedigen, dan hebt gij met een verkeerden te doen.
„Wel neen,” weerde Kroyzer af, „met mijn redacteur en besten vriend wil ik geen ruzie hebben!”
„Ik zou het u ook niet raden, bovendien —” de kleine redacteur blies zijn chef den rook zijner slechte sigaar in de oogen, „ik weet precies wie gij zijt, Mr. Kroyzer. Gij herinnert u wel, hoe gij een jaar geleden het huis uwer ouders zijt ontvlucht en uit de schrijftafel [28]van uw vader het noodige geld meenaamt om naar Monte Carlo te kunnen gaan.
„Verder weet gij nog wel, dat de briljanten uwer moeder u flink wat geld hebben opgebracht.
„En weet gij soms niet meer, dat gij bij iedereen hebt geleend, en wel op schandelijk brutale manier? Daar hebben wij bijvoorbeeld een kellner in een wijnkroeg, die nog heden om het verlies van een groote som treurt, evenals een paar hotelhouders en andere personen, maar de lust ontbreekt mij nu, om u nog aan meer te herinneren.
„Eigenlijk zijt gij dus de geschikte persoon wel om uw Londensche medeburgers preeken te houden over moraliteit. Maar, het is waar, het brengt u geld op — —”
Mr. Kroyzer riep met een hatelijken grijns op zijn gelaat den kellner en betaalde de vertering.
Daarop sprak hij: „Ik geloof, dat het beter is om nu heen te gaan, gij schijnt te veel gedronken te hebben!”
Bleek van ergernis keek hij zijn redacteur aan en zou hem, als hij de gelegenheid had gehad, misschien hebben gewurgd.
Maar in machtelooze woede moest hij met zijn medeplichtige denzelfden weg gaan. [29]