[Inhoud]

UPWEEKIS, DE SCHADUW.

„Lang, o zóó lang geleden,” aldus vertelt Simmo de Indiaan, kwam Upweekis de los eens bij Clote Scarpe met een klacht. „Kijk eens,” zei hij, „ge zijt goed voor ieder, behalve voor mij. Pekquam, „de visscher”, is leep en geduldig; hij kan vangen wat hij wil. Lhoks, de panter, is sterk en onvermoeid; niets kan hem ontkomen, zelfs de groote eland niet. En Mooween, de beer, slaapt den heelen winter, als het wild schaarsch is, en ’s zomers eet hij alles—wortelen en muizen en bessen en doode visch en vleesch en honing en roode mieren. Dus hij is altijd verzadigd en gelukkig. Maar mijn oogen deugen niet. Ze zijn zoo helder als die van Cheplahgan, den adelaar, maar kunnen toch niets zien wat niet beweegt; want ge hebt elk dier, dat wegschuilt, net zoo gemaakt als de plaats waar het zich verbergt. Mijn neus is nog erger; die kan Seksagadagee, het hazelhoen, niet ruiken, al loop ik over hem heen, waar hij in de sneeuw slaapt. En mijn pooten maken zoo’n leven in de blaren, dat Moktaques, de haas, mij hoort en zich verstopt en me achter den rug uitlacht, als ik op hem jaag. En ik heb voortdurend honger. Maak me nu als de schaduwen, die spelen, zoodat niets me opmerken kan als ik op jacht ga.”

Clote Scarpe, het groote opperhoofd, die goed was voor alle dieren, gaf Upweekis dus een zachte, grijze vacht, die bijna onzichtbaar in ’t bosch is, zomer [75]of winter, en maakte zijn voetzolen breed, en polsterde ze met zacht haar; zoodat hij werkelijk als de spelende schaduwen is, want ge kunt hem zien noch hooren. Maar Clote Scarpe dacht ook aan Moktaques, den haas, en gaf dezen twee vachten, een bruine voor ’s zomers en een witte voor ’s winters. ’t Gevolg is dat hij moeilijker dan ooit te ontdekken is, wanneer hij stil zit, en Upweekis moet nog zijn verstand gebruiken, als hij hem vangen wil. Daar Upweekis niet over veel verstand heeft te beschikken, ziet Moktaques hem dikwijls vlakbij en lacht in zijn vuistje in zijn leger onder de bruine varens, of maakt een mannetje onder de met sneeuw beladen sparretippen en kijkt naar den grooten los, die op jacht is.


Soms, in een winternacht, als ge in de wildernis kampeert, en de sneeuw al maar neerzijgt in uw vuur en het bosch stil is in het rond, barst er plotseling een woest gekrijsch uit de duisternis vlak achter het windscherm van takken. Ge springt overeind en grijpt uw geweer; maar Simmo, die op zijn knieën voor het vuur varkensvleesch ligt te braden, draait zijn hoofd slechts even om om te luisteren, en zegt: „Upweekis nou haas gekregen.” Dan schuift hij wat nader bij ’t vuur, want de krijsch was niet prettig, en gaat met zijn kokerij verder.

Ge zijt nieuwsgieriger dan hij, of ge zoudt de huid van die groote kat graag mee naar huis nemen. Ge sluipt weg naar den kreet toe, langs de kleine commoosie [76]of schuilplaats, die ge met zonsondergang haastig gemaakt hebt, toen ’t spoor eindigde. Daar, met uw rug naar het vuur en de commoosie er tusschen, verblindt het licht uw oogen niet; ge kunt de schaduwen speuren, als ze heimelijk het kreupelhout in- en uitkruipen. Maar wanneer Upweekis daar is—en dat is hij waarschijnlijk—ziet ge hem niet. Hij is een schaduw onder de schaduwen. Dit verschil is er echter: schaduwen doen geen struiken bewegen. Terwijl ge toeziet, beweegt er een sparretip; een stukje sneeuw valt naar beneden. Ge tuurt aandachtig naar de plek. Dan lichten in de diepe schaduw plotseling twee levende kolen op. Ze worden hoe langer hoe grooter, gloeien, flitsen, branden gaten in uw oogen, tot ge er haastig met de hand over strijkt. Er gaat een rilling over u heen, want ’s nachts in de oogen van een lynx te kijken, als ’t licht er in valt, is een griezelige gewaarwording. Ge gooit het geweer aan; oogenblikkelijk zijn de gloeiende kolen gedoofd. Dan, als uw oogen de betoovering weggeknipt hebben, kruipen de schaduwen weer in en uit en is Upweekis er in verloren.

Maar soms ziet ge hem weer. Moktaques, de groote, witte haas, die alles vergeet zoodra ’t voorbij is, ziet u daar staan en is van nieuwgierigheid vervuld. Hij vergeet dat er nog net te voren op hem gejaagd werd, en komt aanhuppelen om te zien wat ge zijt. Ge gaat achteruit naar het vuur terug. Hij [77]maakt zich verschrikt, haastig uit de voeten, maar komt al gauw weer achter u aanhuppelen. Let scherp op het kreupelhout achter hem. Dadelijk beweegt het zich heimelijk, alsof een schaduw het verroerde; en daar is de los, die in de sneeuw met vlammende oogen voortsluipt. Weer voelt Moktaques dat hij achtervolgd wordt, en doet het eenige veilige wat er te doen is: hij duikt in de sneeuw neer, waar een sparretip over hem heenbuigt en is zoo roerloos als de aarde. Zijn kleur verbergt hem volkomen.

Upweekis is het spoor weer kwijt; hij gaat aarzelend heen en weer als een schaduw onder een wiegelende lamp, terwijl hij zijn grooten kop van links naar rechts wendt. Hij kan zijn wild zien noch hooren noch ruiken; maar hij zag even te voren een stukje sneeuw vliegen en weet dat het van Moktaques’ groote kussenpooten kwam. Beweeg nu niet, wees zoo stil als de groote spar in wiens schaduw ge staat; en ’t gebeurt—eens in een jagersleven misschien—dat ge een eigenaardig treurspel ziet.

De los nestelt zich in de sneeuw met alle vier zijn voetzolen vlak bij elkaar, gereed tot den sprong. Terwijl ge ’t verwonderd staat aan te kijken, klinkt er plotseling een krijschen door het bosch, zoo scherp en woest, dat geen hazezenuwen het van zoo dichtbij uit kunnen houden en stil blijven. Moktaques springt recht de lucht in. De los ziet het, zwenkt, werpt zich op de plek. Weer een krijsch, een ander geluid, en nu weet ge dat ’t gedaan is. [78]

En daarom is Upweekis’ kreet zoo woest en onverwacht in een winternacht. Uw vuur trekt hazen aan. Upweekis weet dat, of werd misschien zelf nader gelokt en komt ook en verbergt zich tusschen de schaduwen. Maar hij vangt nooit wat, of hij moet er blindelings op komen. Daarom dwaalt hij ’s winters zoo rond en gaat hij wel twintig hazen voorbij, eer hij er een vangt. Als hij dus weet dat Moktaques in de buurt is om naar ’t licht te kijken, maar zichzelf schuilhoudt, duikt Upweekis voor den sprong neer en krijscht dan vreeselijk. Moktaques hoort het en is verschrikt, zooals ieder ander zou zijn, als hij zoo’n kreet vlak bij zich hoorde. Hij springt ontzet op en betaalt den tol.

Is de los groot en heel hongerig, wat hij ’s winters gewoonlijk is, dan kunt ge op een andere manier nog onaangename indrukken van hem opdoen, als ge u te ver van het vuur waagt. Zijn oogen gloeien u tegen uit de duisternis, slechts twee gloeiende punten is al wat ge ziet, die bij de eerste de beste beweging van u verdwijnen. Als ge dan uw oogen inspant, en goed toekijkt en luistert, voelt ge de kolen weer op u van een andere plaats, en daar zijn ze onder een struik aan uw linkerhand, nader kruipend en donkerrood gloeiend. Ze verdwijnen plotseling als de los zijn kop omdraait, om op een ander punt weer voor den dag te komen en u te beheksen. Zoo speelt hij met u, alsof ge een groote muis waart, en sluipt steeds naderbij, terwijl hij hevig met zijn staartstompje [79]kwispelt om zichzelf op te zweepen tot die mate van moed, noodig voor den sprong. Maar zijn bewegingen zijn zoo geluidloos en schimachtig, dat ge geen kans hebt hem ooit te zien, tenzij hij u volgt, wanneer ge achterwaarts naar het vuur terugkeert, en zoo binnen den lichtkring komt.

Die kans loopt ge eigenlijk altijd, bij dag en bij nacht, als ge geen jager wordt en een val voor hem zet in de hazenpaden, waar hij ’s nachts langs komt en er een lokaas boven hangt om hem naar boven te laten kijken en niet voor zijn voeten. ’s Zomers gaat hij naar ’t verbrande land op konijnen uit, waar ’t er van leeft in de struiken, en om zijn jongen in afzondering groot te brengen. Ge vindt zijn sporen daar overal en de kenteekenen van zijn moorden; maar al loert ge en al sluipt ge den heelen dag rond en al komt ge in de schemering thuis, ge zult weinig ontdekken. Hij hoort u en deinst tusschen ’t licht en de schaduwen van de heuvelhelling weg, en verbergt zich zoo goed—in ’t volle gezicht soms, als een jonge patrijs—dat de bladzijde van uw opschrijfboekje, waar ge alles over hem op zoudt schrijven, wit papier blijft.

’s Winters ziet ge zijn groote, ronde prenten, die in de uitgestrekte bosschen verspreid overal heenzwerven, en ge denkt: nu zal ’k hem stellig vinden. Maar ofschoon ge hem mijlen ver volgt en van allerlei over hem ontdekt, doordat ge speurt waar hij dezen haas rakelings voorbijging, zonder het te vermoeden, [80]en dien bij ongeluk snapte, en de patrijs, die vlak voor zijn voeten uit de sneeuw brak, miste—toch blijft Upweekis zelf slechts een schaduw van het woud. Eens, na een heerlijken langen tocht in zijn spoor, vond ik de plek waar hij even geleden nog geslapen had.

Maar naast die ervaring moet ik vijftig andere sporen stellen, die ’k langs ben gegaan en waarvan ’k nooit begin of einde heb gezien. En wanneer ik ooit iets van Upweekis heb leeren kennen, is dat gewoonlijk onverwacht geschied, zooals ’t met de meeste goede zaken gebeurt.

Eens had ’k een gelegenheid, toen ik een muskusrat bespiedde, die aan haar avondmaal bezig was. Het was schemering in het woud. Ik had mijn kano vlak onder den oever laten drijven, om te zien wat Musquash boven op een rotsblok uitvoerde. Alle muskusratten hebben geliefkoosde plaatsen om te eten—een rotsblok, een aangespoelden stam, een boomknoest, die over het water leunt, en altijd een aardig plekje—waar ze hun eten van uit de verte heenbrengen, met het doel klaarblijkelijk om het te verorberen, daar waar ze zich het meest thuis voelen. Deze had een half dozijn groote zoetwater-mosselen op haar disch verzameld en was er midden in gaan zitten om eens lekker te smullen. Zij nam dan een mossel in haar voorpooten, sloeg ze een paar keer op de rots, tot de schelp stuksprong, om die daarna met haar tanden te openen en den inhoud op te eten. [81]Zij at op haar gemak, proefde elke mossel critisch, voordat zij die doorslikte, en ging dikwijls overeind zitten om haar knevels te poetsen of over ’t meer uit te kijken. Een kluizenaarlijster zong wonderlieflijk boven haar; de kleuren der schemering gloeiden dieper en dieper in ’t water onder haar, waar haar spiegelbeeld ook duidelijk mossels zat te eten te midden van de hemelsche heerlijkheid.

Het geheel vormde een aardig tafereeltje en ’t was een vredig oogenblik, waar ’k nog zoo graag aan denk. Ik vergat geheel dat Musquash een schavuit is.

Maar de tragische ontknooping was nabij, zooals het steeds gaat in de wildernis. Plotseling trok een beweging aan den oever stroomop mijn aandacht. Er kronkelde iets zenuwachtig onder de struiken en voordat ik uit kon maken wat het was, schoot er iets vreeselijks naar voren, glommen er wilde, gele oogen, piepte de muskusrat. Daar zat Upweekis, die er mager en donker en vreemd uitzag in zijn zomervacht, op de rots gedoken met Musquash in zijn groote klauwen kwaadaardig te grommen, terwijl hij de botjes kraakte. Hij beet zijn prooi aan alle kanten, om er zeker van te zijn dat ze wel goed dood was, greep haar toen bij het nekvel, glipte de struiken in met trillend staartstompje en werd weer een schaduw.

Een anderen keer zat ik in een omgevallen boom, een twintig voet van den grond, naar een partijtje visch te kijken, die ’k op een open plek als lokaas had [82]gelegd voor wie maar zin had om het te komen halen. Ik hoopte op een beer, en was dus boven den grond geklommen, dat hij me niet in den neus zou krijgen, als hij soms onder den wind naderde. Het was vroeg in ’t najaar en mijn bedoelingen waren zoo vreedzaam als iets. ’k Had geen enkel wapen bij me.

Laat op den middag begon er iets achter een rooden eekhoorn te jagen bij mij in de buurt. Ik hoorde ze door de boomen stuiven, maar kon niets zien. De jacht verdween uit het gehoor, en ik had haar al bijna vergeten, want er bewoog iets in ’t kreupelhout bij mijn aas, toen ze weer aan kwamen stormen. De eekhoorn, halfdood van angst, schoot van een sparretip op den grond neer, sprong op den boom, waar ik in zat, en joeg den hellenden stam op tot vlak bij mijn voeten, waar hij op een tak sprong en zenuwachtig ontdaan zat te snateren tusschen twee gevaren. Een edelmarter kwam snel achter hem aan, speurde zijn wild niet aan bast of aarde, maar klaarblijkelijk door de lucht. Hij was nauwelijks op mijn boom gesprongen, of er klonk een krijsch, er stormde wat door ’t kreupelhout vlak onder hem, en uit de struiken kwam een jonge los om deel te nemen aan de jacht. Hij miste den marter op den grond, maar sprong mijn boom op, snel als de bliksem. Ik herinner me nog dat het eenige geluid, waar ik op dat oogenblik bewust van was, het rijten was van zijn nagels in den dooden bast. Hij was zeker op zoek geweest naar mijn lokaas—want het was een goede streek [83]voor lynxen, en Upweekis is als een kat zoo dol op visch,—toen de jacht vlak langs zijn neus ging en hij er onmiddellijk aan deelnam.

Halverwege den schuinen stam rook de marter me, of was onthutst door het spektakel achter hem en schoot opzij. Een tak waar ik tegen leunde zwaaide of kraakte, en de los stond als verlamd stil, dook al lager en lager tegen den stam, en zijn groote, gele, uitdrukkingslooze oogen loerden recht in de mijne. Maar even hield hij den vasten blik uit; toen aarzelden zijn oogen; hij keerde zijn kop om, sprong het kreupelhout in, en was verdwenen.

Een oogenblik later was Meeko, de eekhoorn, zijn angst en schrik en al het andere vergeten, behalve zijn nieuwsgierigheid. Wie was dat?—daar moest hij meer van weten. Hij moest vlak langs me heen om naar een anderen boom te komen, maar alles was beter dan terugkeeren naar de plek, waar de marter misschien zat te wachten; hij zat dus al gauw boven mijn hoofd te gichelen en te tjokken om me te doen bewegen, en me vreeselijk uit te schelden, omdat ik de rust in het bosch verstoord had.

’s Zomers is Upweekis een eenzaam schepsel, dat zijn jongen grootbrengt ver weg, waar het verbrande land geheel ongerept is, waar een overvloed van wild zit en waar ’t bijna onmogelijk is hem anders dan bij toeval te ontdekken. ’s Winters ook zwerft hij meestal alleen rond; maar af en toe, als de hazen schaarsch zijn, wat in de noordelijke bosschen op gezette tijden [84]het geval is, verzamelt hij zich tot kleine troepen, met het doel om groot wild te bemachtigen, dat hij in z’n eentje nooit aan zou vallen. Gewoonlijk is Upweekis gluiperig en laf tegenover den mensch; maar als hij door den honger gedreven wordt (zooals ik eens heb gemerkt), of als hij in troepen jaagt, is ’t een kwaadaardig beest, dat zeer behoedzaam achtervolgd moet worden.

Ik had van kolonisten en jagers heel wat over de kwaadaardigheid van die jagende troepen gehoord, en eens was een vriend van me, een oud „voortrekker”, ternauwernood aan hen ontkomen. Hij had een hond: Grip, een grooten, gevlekten bastaard, over wiens dapperheid in ’t afmaken van „kwaad tuig” hij altijd opsneed, en dien hij dan den besten lynxhond uit heel Canada noemde. Grip en zijn baas woonden aan den bovenloop van den St. John.

Op een winterdag miste de baas een vaars, en ging haar opsporen met Grip en zijn bijl tot metgezellen. Weldra kwam hij op lynxprenten, toen bij sporen van een strijd en daarna pardoes op zes of zeven van die groote katten, die kwaadaardig grauwden boven ’t lichaam van de vaars. Grip, de lynx-hond, stormde er blindelings op los en was een oogenblik later aan flarden gescheurd. Toen kwamen de lynxen op den man aankruipen en snauwen. Deze deinsde schreeuwend en met zijn bijl zwaaiend af, en doodde er een door een gelukkigen slag, toen ’t beest hem naar de borst sprong. De andere dreven hem naar zijn eigen [85]deur; maar die zou hij zeker niet bereikt hebben, vertelde hij me, als er niet een lange strook open terrein geweest was, die hij in ’t bosch uitgehakt had. Hij weerstond de beesten, die banger voor zijn stem dan voor zijn bijl leken, door een uitval, draafde dan zoo hard hij kon verder, om te beletten dat ze hem insloten en tusschen hem en zijn wijkplaats kwamen. Nadat hij de open strook bereikt had, volgden ze een eindje langs den zoom van het kreupelhout, maar ze keerden, de een voor, de ander na terug, toen ze er zeker van waren, dat hij niet verder van plan was ze bij hun smulpartij of gevechten te storen.

’t Is eigenaardig, maar het eerste wat Upweekis en zijn jagersbende doen, zoodra ze groot wild op deze wijze bemachtigd hebben, is: er over vechten. Al is er meer dan genoeg vleesch, onder hun vreeselijken honger leeft het oude, beestachtige instinct om alles voor zichzelf te graaien, zoodat ze elkaar geregeld, voordat het wild dood is, in de haren vliegen. Bij zulke gevechten gaat het woest toe, om te hooren en om te zien. Ge vergeet dat Upweekis een schaduw is en ge vindt hem een duivel.

Toen ik eens op een winterdag achter rendieren aan was, trof ik een heel groote lynxprent, de grootste die ik ooit gezien heb. Ze was twee dagen oud, maar leidde mijn richting uit naar de eindelooze rendier-vlakten en ik volgde haar om eens te kijken wat ’k zou vinden.

Weldra voegde ze zich bij nog vier lynxprenten, [86]en een mijl ver gingen alle vijf sporen voort in groote vliegende sprongen, waarbij elke los telkens een gat in de sneeuw gelaten had, zoo groot als een emmer. Na een honderd meters op die wijze te hebben voortgetrokken, voegden de prenten zich bij een ander spoor—dat van een gewond rendier der vlakte. Zijn prent toonde dat hij met moeite op drie pooten voortgesukkeld was. Hier was een plek waar hij had staan luisteren; en daar was nog een plaats, waar zelfs ongeoefende oogen konden zien dat hij angstig opgeschrikt vooruit was gesprongen. Het was een zwijgend verhaal, maar dat bij elke bijzonderheid de belangstelling in gretige spanning hield.

De lynxprenten vertoonden nu verschillend overleg. Ze kruisten kriskras over het spoor, verschenen nu eens voor, dan achter, dan aan weerskanten van het gewonde rendiermannetje, en sloten hem klaarblijkelijk behoedzaam in. Hier en daar vertoonde zich een inzinking in de sneeuw, waar er een grommend neer was gedoken, toen ’t wild voorbijkwam. Toen was de strijd begonnen. Eerst was er de sneeuw op een plaats vertrappeld, waar het rendier stand had gehouden en de groote katten om hem heengekropen hadden, in afwachting van een kans om alle tegelijk toe te springen. Hij had er zich een weg uit gebaand, maar de galop op drie pooten putte hem weldra uit. Slechts in draf is het rendier onvermoeibaar. De lynxen waren gevolgd; het doodelijke katjesspel was opnieuw begonnen. Eerst was er een toegesprongen, [87]en dan nog een, maar om afgeschud te worden; daarna vielen er twee, toen alle vijf op den stakkerd aan, die nog voortworstelde … De geschiedenis was overal rood op de sneeuw geschreven.

... het gehavende karkas van het rendier met twee lynxen er nog bovenop ...

… het gehavende karkas van het rendier met twee lynxen er nog bovenop …

bl. 87 VIII

Toen ik er behoedzaam achteraan trok, klonk er vlak voor me een grauw. Ik schopte mijn sneeuwschoenen uit en maakte geluidloos een bocht naar links, om een kleine open plek te kunnen overzien. Daar lag het gehavende karkas van het rendier met twee lynxen er nog bovenop, die vreeselijk tegen elkaar grauwden, terwijl ze aan de botten rukten. Nog een los zat onder een struik in de sneeuw gehurkt het tooneel gade te slaan. Twee andere kringden snauwend om elkaar heen en wachtten hun kans af, maar waren te verzadigd om op dat oogenblik zin in een gevecht te hebben eigenlijk. Een paar vossen, een edelmarter en een zwarte kat bewogen zich onophoudelijk af en aan, hongerig snuffelend en in afwachting van een gelegenheid om elk stukje bot of huid te grijpen, dat maar een oogenblik onbewaakt bleef. Boven hen hielden een troepje elandsvogels om dezelfde reden trouw de wacht. Toen ik nadersloop, in de hoop achter een ouden omgevallen boomstam te komen, waar ik het tooneel kon liggen gadeslaan, verscheen er haastig ’t een of andere dier aan den eenen kant uit het kreupelhout. Ik had mijn aandacht bij die beweging, toen een luid kie-jaaah! me opschrikte, en ik me bliksemsnel omkeerde naar de open plek. Van achter den ouden stam rees een [88]woeste, ronde kop met kwastjesooren op, en de groote lynx, wiens prent ik het eerst had gevolgd, sprong grauwend en kwaadaardig blazend voor den dag.

De smulpartij werd op ’t eerste alarm gestaakt. De marter verdween onmiddellijk. De vossen en de zwarte kat en een los gleden weg. Een andere, dien ik niet gezien had, sloop naar het karkas, zette er zijn voorpooten op en keerde zijn woesten kop mijn kant uit. Er hadden zich klaarblijkelijk nog meer lynxen bij de moordpartij aangesloten dan de vijf die ik gevolgd was. Toen doken alle groote katten in de sneeuw neer en staarden me onafgebroken aan met hun wilde, gele oogen.

Het was maar even. De groote lynx aan mijn kant van den stam was in een strijdlustig humeur; hij grauwde voortdurend. Er sprong er nog een over den stam en dook naast hem neer met zijn gezicht naar me toe. Toen begon er een eigenaardig tooneel, waar ik het einde niet van kon afwachten. De twee lynxen kwamen telkens met een ruk al nader en nader tot de plaats waar ik onbeweeglijk stond te kijken. Ze kropen een paar passen vooruit, hurkten dan neer in de sneeuw, als een poes die haar pootjes warmt, en staarden me een poosje zonder knipoogen aan. Dan weer met een schok vooruit, zoodat ze dichterbij kwamen, en weer gestaar. Ik kon er geen fixeeren om hem aan ’t wankelen te brengen, want zoodra mijn blikken op hem rustten, schoven de andere dichterbij; [89]en er kwamen al weer twee lynxen den stam over. Ik moest me haastig beveiligen door een kogel tusschen de gele oogen van den grootsten los, en een tweeden midden in de borst van zijn loerenden metgezel, toen die zich juist in de sneeuw nestelde tot een sprong. De andere waren snauwend weggesprongen, zoodra de eerste zware knal door het bosch rolde.

Een anderen keer maakte een lynx in z’n eentje ’t me in dezelfde streek een halven middag benauwd. ’t Was op een Zondag, en ik was er op mijn sneeuwschoenen op uitgetogen; mijn geweer had ik achtergelaten. Op mijn terugweg naar het kamp hield ik stil voor een rendierkop en -huid, die ik den vorigen ochtend aan den zoom van een vlakte zoolang in den grond gestopt had. Het was ander weer geworden; een scherpe, koude wind blies me na, toen ik me naar het kamp terug begaf. Ik droeg den kop met zijn vertakt gewei op de schouders, de huid hing neer om mijn rug warm te houden, terwijl de uiteinden in de sneeuw sleepten.

Langzamerhand kreeg ik de overtuiging dat er iets achter me aankwam; maar ik draaide me verscheiden keer om zonder iets te ontdekken. „’t Is maar een zwarte kat”, dacht ik en bleef gestadig verder gaan, in plaats van terug te keeren om mijn spoor te onderzoeken; want ik hoopte iets te zien te krijgen van dat listige beest, wiens prent we zoo vaak evenwijdig aan de onze, vlak er naast aantreffen, en die ons, als we maar iets van wild bij ons hebben, uur in, uur [90]uit de wildernis door volgt, zonder zich ooit in ’t licht te vertoonen. Toen zwaaide ik me plotseling, aan een ingeving gehoorzamend, om, en daar kwam Upweekis, een groot beest, dat er kwaadaardig uitzag, juist in ’t volle gezicht aansluipen over mijn spoor. Hij volgde de breede indrukken van mijn sneeuwschoen en den geur van de versche rendierhuid zonder moeite, hoe slecht speurder hij dan ook is.

Hij stond stil en ging me, zooals een lynx gewoonlijk doet wanneer hij betrapt is, op zijn achterpooten aan zitten staren. Toen ik weer verder trok, wist ik dat hij me volgde, ofschoon hij van het spoor verdwenen was.

Daarna ging ’t vier mijlen met versnelden pas, met de bedoeling om het kamp voor ’t vallen van den nacht te bereiken, wanneer de lynx in ’t voordeel zou zijn. Het was al laat genoeg om me een beetje ongerust te maken. Hij wist dat ik me haastte; hij werd brutaler, vertoonde zich openlijk op het spoor achter me. Ik boog af, een ouden houtweg in die me wat open terrein voor en achter liet. Toen zag ik hem af en toe, nu links, dan rechts, of ineengedoken, half weggescholen tot ik voorbij was. Hij wachtte blijkbaar tot ’t avond werd; maar tot op dezen dag ben ik er niet zeker van of het de mensch of de rendierhuid was, waar hij zijn zinnen op gezet had. Hij had den geur van vleesch en bloed in den neus en hij was te hongerig om zich nog veel langer te bedwingen.

Ik sneed een flinken knuppel met mijn groote jachtmes, [91]en toen ik mijn kans schoon zag, gooide ’k den rendierkop af en sprong op hem toe, zooals hij daar in de sneeuw gedoken zat. Hij sprong op zij zonder dat ’k hem geraakt had, maar hurkte onmiddellijk weer neer, toonde al zijn tanden en gromde vervaarlijk. Drie keer mikte ik en sloeg naar hem. Elken keer sprong hij op zij, zijn kans afwachtend, maar ik liet den knuppel voor zijn oogen dansen en het was nog niet donker genoeg. Toen gaf ik een schreeuw in zijn gezicht, om hem bang te maken, en trok weer verder.

Dicht bij het kamp riep ik Simmo toe mij ’t geweer te brengen; maar hij begreep me niet dadelijk, en het antwoord dat hij riep maakte het wilde beest bij me op zijn hoede. Onmiddellijk werden zijn bewegingen behoedzamer, bedekter. Hij verliet het open pad, en eens, toen ik hem een goed eind achter me zag, had hij zijn kop in de lucht gestoken om te luisteren. Ik gooide de rendierhuid neer om hem bezig te houden en snelde naar het kamp toe. Een paar minuten later kwam ik met mijn geweer terugsluipen, maar Upweekis had den veranderden toestand gevoeld en was weer tusschen de schaduwen, waar hij hoort. Ik verloor zijn spoor in de steeds donker wordende bosschen.

Er was nog een los, die me eens een heel anderen kant van Upweekis’ aard toonde. Het was zomer; elk dier uit de wildernis lijkt dan in alle opzichten een ander wezen, dan dat we den winter te voren leerden kennen, met nieuwe gewoonten, nieuwe plichten, [92]nieuwe genoegens en zelfs een nieuwe vacht, om hem beter voor zijn vijanden te verbergen.

Tegenover mijn kamp, op een eiland, waar ik op een zomerschen zwerftocht een poosje toefde, was een verbrande helling; dat is te zeggen, ze was jaren geleden verbrand; nu was ’t één warrelruigte, met menig open, zonnig plekje echter, waar frambozen bij handenvol groeiden. Het leefde er van konijntjes, en hazelhoenders waren er volop. Daar het wel veertig mijlen van de nederzettingen af lag, leek het een uitgezochte plaats voor Upweekis om een hol te maken. En dat was ’t ook. Ik twijfel er niet aan of er waren wel een dozijn lynxenfamilies op die twee mijlen helling, maar de dekking was zoo dicht, dat men niets kon zien bewegen, als ’t kleiner was dan een hert.

Twee weken lang jaagde ik, als ik niet aan ’t visschen was, de helling af, kroop de boschjes in en uit, vertrouwde meer op mijn ooren dan op mijn oogen, maar zag niets van Upweekis, behalve hier en daar een platgetrapte varen, of een blad met bloed bespet, met een plukje konijnenhaar of een groote ronde katteprent om ’t verhaal te doen. Eens trof ik een berin met twee jongen tusschen de frambozen aan; en een anderen keer, toen de wind bergaf woei, liep ik bijna tegen een mannetjesrendier aan zonder het te zien. Het bespiedde nieuwsgierig mijn nadering, terwijl slechts zijn oogen, ooren en gewei boven de ruigte, waarin het stond, uitstaken. Beneden onder [93]de struiken heerschte altijd een doodsche stilte, zoo’n stilte, dat ik wel oppaste die niet te verstoren. Toen het groote monster dus plotseling snuivend en met een geweldig gekraak in de struiken vlak voor mijn neus rechtsomkeert maakte, rezen mij de haren even overeind, omdat ’k niet wist wat voor beest het was, en niet welken kant het uittoog. Maar ofschoon elke dag zijn ondervinding meebracht en zijn kennis en zijn nieuwe verbazing over de gewoonten van ’t boschvolkje, ontdekte ik geen spoor van het hol, noch van de katjes die ik had gehoopt te zullen bespieden. Alle dieren zijn stil in de buurt van hun jongen, dus noch ’s nachts, noch overdag was er ooit een kreet om me den weg te wijzen.

Toen ik eens laat op een middag naar den top van de helling geklommen was en me weer op den terugweg naar het kamp bevond, trof me plotseling een geur, de sterke, onaangename geur, die altijd om het hol van een vleeschetend dier hangt. Ik volgde hem door een boschje en kwam op een open, rotsachtige plaats, die plotseling in een dichte dekking verdween, vijf of zes voet loodrecht naar beneden. De stank kwam uit die dekking; ik sprong dus naar omlaag, toen—iauw, karrrr, pft-pft! Bijna van onder mijn voeten, sprong iets grijs’ snauwend weg, door een tweede iets gevolgd. Ik had maar een glimp van ze opgevangen, maar door de wijze waarop ze hun haren overeind zetten en bliezen en hun rug kromden, wist ik dat ik toevallig een paar lynxkatjes ontdekt [94]had, waar ik zoolang tevergeefs naar had gezocht.

Ze hadden waarschijnlijk buiten op de warme steenen gelegen, tot ze vreemde voetstappen hadden gehoord en weggeglipt waren in de dekking. Toen ik krakend naast ze neerplofte, waren ze zoo verschrikt, dat ze hun nijdigheid toonden—anders zou ’k ze nooit in het kreupelhout ontdekt hebben. Gelukkig voor mij was de kwade, oude moeder uit. Als ze er geweest was, zou ik waarschijnlijk ernstiger bezigheid gehad hebben dan haar katjes te bespieden.

Ze hadden niets anders van me gezien dan mijn schoenen en kousen; toen ik dus achter ze aansloop om eens te kijken hoe ze er uitzagen, wachtten zij me onder een struik af, om te zien hoe ik er uitzag. Ze sprongen weer blazend weg zonder me te ontdekken, opgeschrikt door het geritsel, dat ik in ’t kreupelhout niet vermijden kon. Ik volgde ze. Niets dan wat bladgetril hier, een grauw daar en dan een haastig wegstuiven, tot ze naar de rotsige plaats terugkeerden, waar ik, toen ’k het onderhout behoedzaam uit elkaar geschoven had, een donker gat tusschen de rotsen van een kleine open plek zag. De wortels van een ondersteboven gevallen boom welfden over het gat en vormden een breeden doorgang. In dezen doorgang stonden twee halfvolwassen lynxen, donzig en grijs. Ze zagen er kwaadaardig uit, met hun ruggen nog gekromd, hun wilde oogen angstig mijn kant uit gericht. Toen ze mij gewaar werden, trokken [95]ze zich verder in het hol terug en ik zag niets meer van ze, behalve af en toe hun ronde koppen of den gloed in hun gele oogen.

Het was te laat om dien dag nog meer waarnemingen te doen. De kwaadaardige oude moeder zou weldra terug zijn; ze zouden haar op de een of andere wijze van den indringer vertellen, en ze zouden alle goed in het hol blijven. Ik vond een plek, een meter of tien hooger, waar het mogelijk zou zijn ze te bespieden, merkte haar door een uitgebleekte boomstomp, waar ik een kompas van gebroken takjes aan maakte, en keerde toen naar ’t kamp terug.

Den volgenden morgen ging ik niet vroeg uit visschen, maar bevond me weer op de plaats, voordat de zon over de helling keek. Alles was rustig bij hun hol, dat in de diepe schaduw lag. Moeder lynx was nog weg, op haar morgenjacht. Ik was van plan haar dood te schieten als ze terugkwam. Mijn geweer lag klaar over mijn knieën. Dan zou ik de katjes een poosje gadeslaan en die ook dooden. Ik had zin in hun vacht, zoo mooi zacht met hun eerste haar. En ze waren te groot en te woest om er aan te denken ze levend te vangen. Mijn vacantie was om. Simmo was al aan ’t inpakken om dien morgen het kamp op te breken; er zou dus geen tijd overblijven mijn lang gekoesterde plan ten uitvoer te brengen, om de jonge lynxen bij hun spel te bespieden, zooals ik eerder jonge vossen en beren en uilen en vischarenden en,—ja, bijna alles in de wildernis had gadegeslagen, behalve Upweekis. [96]

Weldra kwam er een van de lynxen naar buiten, gaapte, rekte zich uit, ging tegen een wortel opstaan. In de morgenstilte kon ik het krabben en rijten van zijn klauwen op het hout hooren. Wij noemen die beweging nagel-scherpen, maar het is eenvoudig een oefening zoo nu en dan van de fijne strekspieren, waarvan een kat zich zoo zelden bedient, en die ze toch op z’n tijd geweldig moet gebruiken. De tweede lynx kwam een oogenblik later uit de schaduw en sprong op den gevallen boom, waar hij de helling beneden beter kon bespieden. Wel langer dan een half uur, terwijl ik in afwachting zat, zwierven beide dieren rusteloos om het hol, of klommen over de wortels en den tronk van den gevallen boom. Het was duidelijk dat ze boos waren; ze deden geen poging om te spelen, maar bleven elkaar goed uit den weg met een heilzamen eerbied voor tanden en klauwen en humeur. Het ontbijtuur had al lang geslagen klaarblijkelijk, en ze hadden honger.

Plotseling sprong er een, die toen juist op den boomstam uit zat te kijken, naar beneden; de tweede voegde zich bij hem en beide liepen opgewonden heen en weer. Ze hadden het gerucht van een nadering gehoord, dat te fijn was voor mijn ooren. Beweging in ’t kreupelhout, en moeder lynx, een groot, woest beest, stapte trots voor den dag. Ze droeg een dooden haas, midden in zijn rug beetgegrepen. De lange ooren aan den eenen, de lange pooten aan den anderen kant, hingen slap en verrieden dat hij pas [97]gedood was. Ze stapte naar den ingang van haar hol, liep er twee of drie keer heen en weer met den haas nog steeds vast, alsof de bloeddorstigheid in haar woedde en ze haar prooi zelfs niet voor haar eigen jongen kon loslaten, die haar hongerig, aan weerskanten een, volgden. Eens, toen ze zich mijn kant uitkeerde, greep een van de katjes een hazepoot en trok er wild aan. De moeder draaide zich met een ruk naar hem om, terwijl ze diep onder uit haar keel gromde; het jong deinsde af, verschrikt, maar grauwend. Eindelijk wierp ze het wild neer. De katjes vielen er als furiën op aan en snauwden tegen elkaar, zooals ik de andere lynxen vroeger eens over het rendier had hooren grauwen. In een oogwenk hadden ze ’t karkas uiteen gerukt en zaten ze elk over hun stuk gehurkt als een kat boven een rot te grauwen, terwijl ze zich gulzig volpropten, zonder ook maar een oogenblik aan de moeder te denken, die op eenigen afstand onder een struik lag te kijken.

In een half uur was de kannibalenmaaltijd gedaan. [98]De jongen gingen overeind zitten, likkebaardden en begonnen hun breede pooten schoon te maken met hun tong. De moeder had slaperig liggen lodderoogen; nu stond ze op en kwam naar haar jongen toe. Er was een verandering over het gezin gekomen. De katjes draafden hun moeder tegemoet, alsof ze haar nog niet eerder gezien hadden, streken haar zachtjes langs de pooten, of gingen opzitten om met hun snorren tegen de hare te wrijven—een late dank voor het ontbijt, waar zij voor gezorgd had. Het leek ook of de kwaadaardige, oude moeder heel anders was. Ze kromde haar rug tegen de wortels, waarbij ze luid snorde en de kleintjes spinnend langs haar flanken streelden. Toen boog ze haar woesten kop en likte ze vol liefde met haar tong, terwijl ze zich zoo dicht tegen haar aanwreven als ze maar konden, onder haar pooten doorgingen als onder een brug en haar wederkeerig in ’t gezicht probeerden te likken, tot al hun tongen tegelijk in werking waren en de familie gezamenlijk ging liggen.

Nu was ’t de tijd ze te schieten. Het geweer lag klaar. Maar er was ook een verandering over den toeschouwer gekomen. Tot nog toe had hij Upweekis steeds als een wild beest gezien en scheen ’t goed hem te dooden; maar dit was heel wat anders. Upweekis kon ook vriendelijk zijn, leek het wel, en zich aan haar jongen geven. En een teeder tooneeltje, zooals zich daar onopzettelijk voor mijn oogen afspeelde, krijgt vat op je en vernagelt je geweer beter [99]dan zedenpreeken. De toeschouwer sloop dus heen, terwijl hij zoo weinig mogelijk gerucht maakte, de richting uit, die het kompas van takjes wees naar de plaats waar de kano’s klaar lagen en Simmo wachtte.

Simmo en ik zullen daar, hoop ik, ’s winters nog eens kampeeren. En dan zal ik met een nieuwe belangstelling naar een kreet in den nacht luisteren, die me vertelt dat Moktaques, de haas, zich ergens in de buurt in de sneeuw verschuilt, waar een jonge lynx van mijn kennis hem niet kan vinden. [100]