[Inhoud]

HOOFDSTUK X.

Leo en Rudolf zijn voor een oogenblik goede vrienden, ’t geen echter voor den eerste slechte gevolgen heeft.

Rudolf en Leo waren juist een dag na elkaar jarig, en de eisch der beleefdheid bracht mee, dat Leo dan natuurlijk een felicitatie-bezoek aflei. Zooals reeds gezegd is, waren de visites, die hij op villa Dintelburg moest maken, voor hem nu juist niet van de pleizierigste, vooral niet als hij wist, Dolf te zullen thuis treffen. Toch hadden aan de andere zijde deze bezoeken ook wel iets aantrekkelijks voor hem. Hij miste er iets, en hij vond er iets. Hij miste er dat eigenaardige, dat uitging van Bamboe’s leven in de gemeenschap met God; hij vond er een zekere deftige gezelligheid, die, hoe ouder hij werd, te grooter bekoorlijkheid op hem uitoefende. De ware gezelligheid in een huis wordt er in gebracht door de moeder. Als Leo in het salon van zijn tante zat en haar zoo genoegelijk hoorde babbelen met zijn nicht Henriëtte, dan dacht hij dikwijls aan zijn eigen moeder terug en kreeg het huis aan het Wed voor hem iets ledigs. Tante en Henriëtte waren altijd hartelijk jegens hem gestemd, evenals oom, die de gewoonte had, bij Leo’s bezoeken een goed glas wijn te schenken, ’t geen onze vriend thuis nooit kreeg en waar hij nochtans heel veel van hield.

Ditmaal wist Leo echter niet, of hij wel zou gaan, want Bamboe was ziek,—niet zóó ziek, dat hij te bed lag, maar hij was toch erg moe en op; de hoest, die hem de [105]laatste jaren altijd had gekweld, was schrikbarend toegenomen en hijzelf opvallend vermagerd. Bamboe echter [106]wilde niet, dat Leo om zijnentwil thuis bleef, en Leo ging. [105]

Hij vond er een zekere deftige gezelligheid,.....

Hij vond er een zekere deftige gezelligheid,.….

[106]

De ontvangst op de villa was nu natuurlijk nog feestelijker dan anders. Rudolf had een van zijn joviale buien en wenschte Leo met een stevigen handdruk meteen maar geluk tegen morgen. Hij stond zelf op om Leo wat in te schenken.

„Drink je eens een glaasje cognac mee?” vroeg hij.

Leo had het nog nooit geproefd en wilde het dus wel eens probeeren.

De drank steeg hem terstond naar het hoofd en joeg zijn Indisch bloed door de aderen met dubbele snelheid.

Lang wilde hij zijn visite ditmaal niet maken, met het oog op den toestand, waarin Bamboe verkeerde, en derhalve maakte hij reeds vrij spoedig aanstalten om te vertrekken.

„Wil je eerst nòg een?” vroeg Dolf, de karaf opnemende.

„Als je blieft,” zei Leo.

„Nee, Leo,” kwam Henriëtte tusschenbeide, „dat zou ik niet doen. Ik geloof niet, dat je er tegen kunt.”

„Kom, kom, wat zijn twee glaasjes voor zulk een vent,” zei oom Louis.

„Nee, nee, Henriëtte heeft gelijk,” zei Mevrouw, „één is voor Leo meer dan genoeg!” En welstaanshalve moest Leo dus nu wel bedanken, hoewel hij het met leedwezen deed, want dat prikkelende goedje smaakte hem terdege. We weten reeds, dat hij voor genietingen van stoffelijken aard uiterst vatbaar was.

„Nu, als je dan bepaald niet meer durft nemen,” zei Dolf met een minachtenden nadruk op dat woord durft, „dan ga ik mee om je een eindje weg te brengen.”

’t Was buitengewoon vriendelijk, en Leo nam het zeldzame aanbod dankbaar aan.

Dolf was er voor, een omwegje te maken, en sloeg met Leo de Molsteeg in. [107]

„Goeden avond, heeren,” zei Knijp, de uitdrager, die in deze steeg zijn magazijn had. Op zeer opvallende wijze, alsof het oude bekenden gold, trok hij bij dezen groet zijn pet in zijn oogen en gaf hij Rudolf grinnikend een knikje op den koop toe.

„Vanavond, hoor,.… je weet wel, morgen geef ik een fuif.…” fluisterde Rudolf hem in ’t voorbijgaan toe.

„Wat wil je gebruiken?”

„Wat wil je gebruiken?”

„Tot je dienst, meneer,” zei de schacheraar, terwijl hij in zijn knokige vingers wreef.

Op het Molenplein zagen ze voor het café „Loop-in” Pauw van Lockhoff en nog een stuk of wat „Donder-studenten” zitten.

„Hallo, Dintelburg! kom eens aan! Wèl gefeliciteerd, hoor!” zei Pauw, terwijl hij Dolf de hand toestak.—„En jij óók hoor, Bruintje-neef!”—vervolgde hij tot Leo. [108]

„Ja, jongens,” zei Dolf, „’n gelukwensch moet beklonken worden, hè? anders geldt hij niet. Wat wil je gebruiken?”

Al de jongeheertjes getuigden van hun voorliefde voor cognac.

„En jij, neef?” vroeg Dolf.—„O ja, ’t is waar óók: je moogt niet meer drinken, want je kunt er niet tegen, hè?”

Mogen?—voor wie niet?” vroeg Pauw.

„Wel, voor zus Henriëtte niet; ze heeft het hem plechtig verboden,” zei Dolf, met spottende gestrengheid den vinger tegen Leo opheffend.

„Allemaal gekheid, hoor!” zei Leo, een kleur krijgende, „ik doe mee!”

De laatste woorden waren er uit vóór hij er aan dacht. Hij had daarmee bewijs van zijn moed willen geven; maar zoodra hij ze had uitgesproken, had hij er heimelijk spijt van.

Het was nu evenwel te laat, want ze te herroepen zou àl te flauw hebben gestaan.

Leo dronk een glaasje cognac mee, en nog één …

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Bamboe gevoelde zich onrustig. Het was al donker en Leo was nog niet thuis. Bamboe stond op, om in de duistere kamer naar de klok te gluren. Toen hij zich weer neerzette, voelde hij een vreemd geruisch in zijn borst, alsof daar een steen zat, die iets opzoog. Hij luisterde naar dat geruisch, en naar het gerucht van voetstappen daarbuiten. Eindelijk stak hij de lampen aan en hoestte en luisterde opnieuw, maar de voetstappen gingen voorbij. Toen ging hij weer zitten met gevouwen handen, en bad, en luisterde.

Eindelijk, daar ging het hekje open en hoorde hij een geweldigen ruk aan de bel, heel anders dan Leo altijd deed. Hij opende de deur, en in plaats van één persoon, zag hij bij het licht van de ganglamp er twee voor de deur staan, die een derden tusschen zich in droegen. [109]

Die derde hield het hoofd voorover, slap als een lijk, maar toch had Bamboe hem onmiddellijk herkend.

„O, Leo, mijn jongen!” schreide hij, „o Leo, wat is er gebeurd?”

„O, het is niets, Bamboe!” stelde Pauw van Lockhoff hem gerust. „Hij is alleen maar wat boven zijn bier.”

Bamboe poogde hem in zijn armen naar binnen te dragen, maar was daar thans niet meer toe bij machte.

Rudolf en Pauw namen die taak van hem over en legden Leo op de sofa in de voorkamer.

Daar lag hij en keek Bamboe met doffe oogen wezenloos aan.

Deze knielde bij hem neer en nam zijn bleek gelaat tusschen de handen.

„O Leo, mijn jongen,”—sprak hij met door tranen verstikte stem, „wat zal ik beginnen.…? O, mijn lieve, lieve jongen.…”

Hij opende de deur....

Hij opende de deur.…

Verder kon hij niet. Hij hoestte en gaf een groote golf bloed op, die vlak voor Leo als een roode plas op het donkere vloerkleed neervloeide.

Leo sprong op.

De schrik had hem plotseling ontnuchterd.

„Help, help,” riep hij, „gauw om den dokter!—hij sterft!”

Pauw waggelde naar buiten, om een geneesheer te halen, en met behulp van Rudolf lei Leo den armen Javaan op de plaats, waar hij zooeven zelf gelegen had. [110]

„Heb je mij nog noodig?” vroeg Rudolf na eenigen tijd op zachten, berouwvollen toon, want de groote droefheid, waaraan hij Bamboe ten prooi had gezien, en de verschrikkelijke gevolgen daarvan, hadden toch zijn hart geraakt.

„Neen,” zei Leo schreiend, „als de dokter maar gauw komt.”

„Nu, bonsoir dan en beterschap, hoor!” zei Rudolf, terwijl hij hem de hand toestak. „Je ziet het, Leo,” vervolgde hij, op een toon alsof hij ditmaal eens zijn gewone minachting op zijn eigen hoofd wilde uitstorten, „je ziet het: ’t is niet goed, dat „Blank” en „Bruin” mekaar ontmoeten. Ik ben zelf een beroerling, en dat zou ik op den duur ook van jou maken.”

Met deze woorden stapte hij de deur uit en spoedde zich naar de Molsteeg, naar de uitdragerij van Knijp. [111]