[Inhoud]

HOOFDSTUK XII.

Leo installeert zich ten huize van zijn oom.

Wel terecht had Naatje gezegd, dat er aan Bamboe verloren zou worden.

De armen, die hij had geholpen, de kinderen, die hij had onderwezen, de fabrieksbevolking, aan wie hij op zijn eenvoudige manier het Evangelie had verkondigd, die allen beseften pas, hoeveel zij aan dezen eenvoudigen bruinen man misten, toen zij met elkander eerbiedig zijn stof naar de laatste rustplaats brachten.

Maar bovenal gevoelde Leo zijn gemis. O, welk een droevige tocht was het voor hem, toen hij verhuizen ging uit de eenvoudige woning aan het Wed naar den prachtigen Dintelburg.

Alles nam hij mee. Voor het museum werd een kamer op de bovenverdieping afzonderlijk ingericht. Leo kreeg zelf twee kamers vlak naast die van Dolf. De aap, de papegaaien, alles ging mee, behalve die ééne, wien Leo het minste bij dit alles had willen missen: Bamboe!

In het prachtige huis waren al die menschen veel beschaafder en veel ontwikkelder dan hij was geweest, maar zij misten toch iets, dat hij had bezeten: zijn vroom hart en zijn hemelsche levenswijsheid, waarmee hij Leo tot op dat oogenblik had geleid.

Behalve van Dolf, ondervond Leo van al zijn nieuwe huisgenooten veel bewijzen van toegenegenheid. Maar van weerskanten bestond er toch een besef, dat er een verschil bestond tusschen hen, en dat verschil werd van dag tot [121]dag duidelijker. Het was het oude onderscheid, dat er bestaan had tusschen Leo’s vader en oom Louis; men leefde in één huis, maar men leefde niet met hetzelfde doel. In den huize Dintelburg stonden het verdienen van geld, het najagen van wereldsch genot en het tentoonspreiden van weelde bij alle gedachten en gesprekken op den voorgrond; en al was Leo nog jong,—dank zij zijn opvoeding en zijn omgang met Bamboe zag hij toch zeer goed in, dat zulk een leven, welbeschouwd, toch niet de moeite waard was om geleefd te worden.

Met lust en kracht zette hij na Bamboe’s dood diens werk aan de Zondagsschool voort, en hij kwam er ook toe om, naast de Bijbelclub, een knapenvereeniging onder de fabrieksjeugd op te richten, waarbij Frits Wildering en Dirk Drijver hem de behulpzame hand boden. Bij zijn bezoeken aan de ouders van zijn jongens raakte hij langzamerhand ook op de hoogte van vele zaken, die het innerlijke leven van de fabrieken betroffen, en meer en meer ontdekte hij, hoe de zucht van oom Louis, om veel geld te verdienen en diens onverbiddelijke gestrengheid den minderen man vaak deden gebukt gaan onder een zwaar kruis. De arbeiders vertrouwden Leo, en daar zij meenden, dat hij wellicht op zijn oom eenigen invloed zou kunnen uitoefenen, maakten zij hem dikwijls tot vertrouweling van hun klachten. Met bescheidenheid trachtte hij dan zijn oom te bewegen, dezen of dien misstand weg te nemen, of de een of andere onrechtvaardigheid te herstellen. Trouwen steun vond hij voor deze pogingen altijd bij Henriëtte.

Zoo had het bijvoorbeeld Leo bij zijn bezoeken aan de woningen der arbeiders getroffen, te vernemen dat de werklieden in tijden van ziekte geheel en al aan hun lot werden overgelaten. Als er een halven dag gewerkt werd, kregen ze ook maar het halve dagloon uitbetaald en moesten zij voor het overige gebrek lijden tot ze weer hersteld waren. Leo sprak daar eens over met Henriëtte, en, schoon oom [122]Louis duchtig tegenspartelde, Henriëtte wist te bewerken, dat aan het vaste werkvolk voortaan een deel van het loon óók in dagen van ziekte werd uitbetaald, en dat er een ziekenfonds werd opgericht.

Zij was ook de eenige, die waardeering had voor Leo’s arbeid aan de Zondagsschool en de knapenvereeniging, en toen de vergadering van de Bijbelclub eens om de warmte in een der priëelen van den tuin werd gehouden, werd zij door nieuwsgierigheid gedreven om daar kort bij, met een handwerkje bij zich, plaats te nemen op een der banken, zoodanig, dat zij zelf niet gezien kon worden, maar alles wat er gesproken werd, toch duidelijk kon hooren.

.... om daar kort bij, met een handwerkje bij zich, plaats te nemen op een der banken,.....

.… om daar kort bij, met een handwerkje bij zich, plaats te nemen op een der banken,.….

„Wat is dat toch voor een boek, die Bijbel, Leo?” vroeg zij een paar dagen later.

„Wil je er wat uit lezen?” vroeg hij, en op haar toestemmend [123]antwoord gaf hij haar een zak-evangelie van Lukas. Eenige weken later werd er met verbazing verteld, dat freule Van Dintelburg in het lokaal tot Evangelisatie onder de fabrieksarbeiders een Bijbellezing had bijgewoond, en voortaan kwam zij daar trouw elke week.

ze hieven integendeel, zoodra Rudolf binnenkwam, een allervervaarlijkst gekrijsch tegen hem aan.

ze hieven integendeel, zoodra Rudolf binnenkwam, een allervervaarlijkst gekrijsch tegen hem aan.

Herhaaldelijk wendde Leo pogingen aan om ook met Rudolf op wat beteren voet te komen, maar deze scheen den jarenlangen weerzin maar niet te kunnen overwinnen. Hun omgang bleef zich beperken tot de dagelijksche ontmoetingen aan tafel. Het scheen alsof de vijandige verhouding tusschen Dolf en Leo zich zelfs tot de dieren uitstrekte; Kees, de aap, tenminste verloor, wanneer hij Dolf zag naderen, al zijn dartelheid en trok zich, tot een bal samengekromd, in den versten hoek van het vertrek terug, en Jok en Plok, die in korten tijd „Dag, Oom,” „Goedenmorgen, Tante,” en „Dag, Henriëtte” hadden leeren zeggen, waren maar niet te bewegen, de eenvoudige woorden „Dag, Dolf” uit te spreken, hoeveel moeite Leo ook aanwendde om het hun te leeren; ze hieven integendeel, zoodra Rudolf binnenkwam, een allervervaarlijkst gekrijsch tegen hem aan, en Rudolf mocht dientengevolge de dieren luchten noch zien. Indien de papegaaien met verstand begaafd waren geweest, dan had men evenwel hun gedrag jegens Rudolf alleszins moeten billijken, want Rudolf gaf gaandeweg meer reden tot ontevredenheid. Ofschoon hij begaafd was met een helder hoofd, was hij slechts met zeer [124]veel moeite en op het nippertje af in de hoogste klasse der Hoogere Burgerschool gekomen; en daar hij na het laatste examen volstrekt niet meer gestudeerd had, was zijn vader wel genoodzaakt hem van school te nemen, daar het te voorzien was dat hij het eind-diploma toch nooit zou halen.

Hij werd nu opgeleid in de zaak. Spoedig had hij zich onder de leiding van zijn vader in dezen nieuwen werkkring ingeleefd, maar de fabrieksbevolking was met het optreden van dezen jongen patroon allesbehalve ingenomen. Dolf was voor zijn ondergeschikten nog strenger dan zijn vader, en de willekeur, waarmee hij hen behandelde, kende haast geen grenzen. Telkens en telkens weer werden de arbeiders en arbeidsters door hem verplaatst, en stonden dan aan getouwen, waar zij volstrekt niet mee overweg konden; en daar er telkens weer nieuw personeel optrad, had men voortdurend te klagen over onbruikbare helpers en helpsters. De ontevredenheid was algemeen, en alleen de omstandigheid dat de werklieden van andere fabrieken niet mee zouden willen doen, verhinderde dat in Weverstede een algemeene werkstaking werd afgekondigd.

’s Avonds was Dolf altijd uit. Waar hij was en wat hij dan deed, was voor niemand verborgen, behalve voor zijn eigen ouders.

Maar reeds van wat hij bij dag uitvoerde, wisten zij genoeg, om zijn toekomst met bezorgdheid gade te slaan. Sport en jacht en paardrijden waren zijn liefhebberijen, waarvoor hij altijd weer opnieuw geld te kort kwam; en er was van geen woest vermaak of buitensporige weddenschap sprake, of zijn naam werd er bij genoemd. [125]