Den volgenden morgen om half twaalf gingen de fabrieken op dezelfde ordelijke wijze uit als altijd; maar om twaalf uur stonden al de arbeiders in troepen op de straat bijeen te praten en, in plaats van, zooals anders, om één uur weer aan hun werk te gaan, werden al de machines stil gezet, de vuren uitgedoofd, en trokken honderden werklieden in wanordelijken optocht naar de villa Dintelburg, waar zij onder het aanheffen van woedende kreten voor het gesloten hek staan bleven.
De talrijke grieven van het werkvolk waren dezen morgen weer met een gewichtige vermeerderd. Reeds het plotselinge ontslag van den hoofdadministrateur, die algemeen bemind was, had groote ontstemming teweeggebracht onder het werkvolk, dat den heer Van Dintelburg er van beschuldigde, alle geschikte chefs stelselmatig te verwijderen, om hun plaatsen te doen innemen door dezulken, die het er op toelegden hun ondergeschikten te plagen. De arrestatie van den hoofdadministrateur had algemeene deelneming verwekt. Men zei: als hij schuldig is, dan moet hij gestraft worden; maar niemand kon aan de schuld van den beproefd-eerlijken man gelooven. Een onderzoek, vanwege de politie in zijn woning ingesteld, leidde dan ook nergens toe, dan om de droefheid van ’s mans vrouw en kinderen nog te vermeerderen. Om elf uur werd echter bij een verkooping één der verloren bankbiljetten in beslag genomen. Het was in betaling gegeven door Knijp, den woekeraar. Deze, die nog [136]nergens van wist, verklaarde, dat hij het op zijn beurt had ontvangen van niemand anders dan.… Rudolf van Dintelburg!
Wij willen onzen lezers maar terstond de toedracht der zaak mededeelen, opdat zij met juistheid over de mate van Rudolfs schuld kunnen oordeelen. Hij en niemand anders had het geld ontvreemd! Maar als de lezer denkt, zooals de inwoners van Weverstede dachten, dat Dolf door het wegmoffelen van die twee biljetten opzettelijk de schuld had willen werpen op den hoofdadministrateur, dan beoordeelt hij Dolf toch àl te streng.
Wij hebben reeds vroeger gezien, dat Rudolf in aanraking was gekomen met Knijp. Deze woekeraar maakte er zijn werk van, om jongelieden van aanzienlijken huize tegen een schandelijk hooge rente van geld te voorzien, en wist dan later op de ouders de schulden dier jongelui wel te verhalen. Ofschoon Rudolf zeer ruim van zakgeld werd voorzien, was dat op verre na niet voldoende om zijn uitgaven te dekken. In de sociëteit, in de speelclub en bij onderscheidene weddenschappen vloeide het geld als ’t ware door zijn vingers, en alleen de hulp van Knijp kon dezen stroom gaande houden. Welhaast was er van afbetalen geen sprake meer. Voorloopig was Knijp tevreden, als de rente van het geleende kapitaal maar werd uitbetaald. Daartoe spande Dolf alle krachten in. Wij zagen reeds hoe hij zelfs de toevlucht nam tot het verpanden van een van Leo’s kostbaarheden. Maar eindelijk werd het hem zelfs onmogelijk om de woekerrente zijner schulden te betalen. Toen achtte Knijp het oogenblik gekomen, om Rudolfs schuldbekentenissen aan diens vader te toonen. Op den bewusten morgen, toen het kantoor pas gesloten was, sprak hij Rudolf op straat aan. Zoo vriendelijk en kruiperig als hij vroeger geweest was, zoo brutaal was hij nu. Hij eischte vóór twee uur betaling van een som van duizend gulden, en dreigde, indien dit niet geschiedde, de zaak bij de politie [137]te zullen aangeven en Rudolf te zullen laten gijzelen.
Ten opzichte van vele dingen was Rudolf langzamerhand totaal gevoelloos geworden; slechts voor één ding had hij vatbaarheid behouden: het gevoel van eer. Het vooruitzicht van de schande, dat hij, een Van Dintelburg, op last van een lagen plebber in gijzeling zou worden gesteld, was hem ondragelijk en vervulde hem met angst.
—Hij snelde naar huis, om zijn papa te spreken.—
—Deze was niet thuis.—
—Dan zou hij misschien weer op het kantoor zijn!—
—Dáárheen!—
—Maar het kantoor was gesloten.—
—Hij opende het en trad binnen.—
—Hij wilde wachten tot zijn vader kwam, en hem, ’t kostte wat het wilde, de heele zaak openbaren.—
—Maar wat was dat?
Daar, op zijns vaders lessenaar, lag een som gelds, die voor het doel ruim voldoende was! Hij twijfelde niet, of zijn pa, hoe boos hij ook zijn mocht over de verkwisting van zijn zoon, zou toch eindigen met de schuld te betalen.
—Maar vóór twee uur moest het geld er zijn!—
—Pa bleef weg.—
—Zou hij naar huis gaan en hem daar alles bekennen?—
—In tegenwoordigheid van dien bruinen sinjo?—
—Dat nooit!—
—„Ik krijg het tòch!” dacht hij, „laat ik het dus maar vast nemen.”—
Hij nam het geld en zette zich aan den lessenaar van den hoofdadministrateur, waar hij het volgende briefje schreef:
„Beste Pa!
„Vóór vanmiddag twee uur moet ik noodzakelijk de som van duizend gulden hebben. Ik ben zoo vrij, ze hier af te nemen. Vanavond zal ik u persoonlijk opheldering geven.
Uw Rudolf.”
[138]
Haastig verliet hij daarop het kantoor.
Dit briefje met de beide overgeschoten biljetten legde hij op den lessenaar van meneer Korvers, zoodat het bij het binnenkomen terstond de aandacht moest trekken. Haastig verliet hij daarop het kantoor, om ijlings zijn schuld af te doen; maar door de drift, waarmee hij de deur achter zich toetrok, joeg hij een korte tochtvlaag door het kantoor, die, zonder dat hij het wist, de drie lichte papiertjes opnam en ze achter den lessenaar deed afglijden. Slechts twee ervan werden aanvankelijk teruggevonden: de beide bankbriefjes, welker vondst zulk een onrechtvaardige verdenking had geladen op den hoofdadministrateur.
Toen de heer Van Dintelburg de tijding van meneer Korvers’ arrestatie mededeelde, durfde Rudolf geen woord uitbrengen over wat hij gedaan had. Elk oogenblik wilde hij spreken, maar telkens bestierven de woorden hem op de lippen. Hij wachtte, wachtte.…. totdat het te laat was!
Toen de politie wist, van wien Knijp de gevonden biljetten had ontvangen, was haar de heele zaak duidelijk, en een half uur later was de hoofdadministrateur reeds uit het voorloopig arrest ontslagen.
Maar de woede van de arbeiders, toen zij vernamen wie de dader was, kende geen grenzen. Het was de laatste druppel, die den beker van hun geduld deed overvloeien. [139]Onmiddellijk werd er besloten, het werk neer te leggen en in optocht naar den Dintelburg te trekken, teneinde daar de voorwaarden bekend te maken, waaraan voldaan moest worden, eer men het werk wilde hervatten.
Mevrouw Van Dintelburg schrok, toen zij die joelende schare daar plotseling met dreigende gebaren voor het hek zag verschijnen. Ook de heer Van Dintelburg werd bleek.
„Jacob,” zei hij tot den stalknecht, „ga naar het hek en vraag wat die menschen willen!”
„Staken, staken!” werd er geroepen.
„De jonge patroon er uit, en meneer Korvers er weer in!” schreeuwden anderen.
„We willen een scheidsgerecht tusschen patroon en werkman!” kreten nog anderen; en allen schreeuwden door elkaar, zoodat Jacob er niet wijs uit kon worden.
„Laat er één van jullie zeggen, wat ik meneer moet meedeelen,” sprak hij, maar hij kreeg geen antwoord, want op hetzelfde oogenblik werd uit de kromming van de kastanjelaan Rudolf van Dintelburg zichtbaar, die thuiskwam van een fietstochtje.
„Daar heb je den dief! Daar is de dief!” schreeuwde men. „Gooit hem te water, den neger! Slaat hem dood, den uitbuiter!”
Rudolf’s eerste gedachte was terug te keeren, zoo snel als zijn fiets hem dragen wilde. Maar hij bedacht zich. Zou hij, een Van Dintelburg, op den loop gaan voor dat plebs? Dàt nooit! [140]
„Halt!” riep Leo met gebiedend gebaar.
[139]
„Gaat opzij, of ik rijd jelui omver!” schreeuwde hij, „gaat opzij, plebbers!” En toen ze niet weken, nam hij de hondenzweep, die hij meestal bij zich had, en sloeg daarmee in blinde woede op de menigte in. Het baatte hem echter niet veel. In een oogenblik was hij van zijn rijwiel getrokken, dat nu onder de voeten verbrijzeld werd, en tien, twintig vuisten kwamen van alle kanten op hem neer. Het was een vreeselijk leven. Met onverschrokken moed trachtte Rudolf de poort te bereiken; vlug als de wind wierp hij zich nu op [140]dezen en trachtte dan dien te ontgaan, maar het was hem onmogelijk om er door te komen. Zijn hoed was van zijn hoofd gevallen en zijn jas hing in flarden langs zijn lijf. Daar greep een forsche, woest uitziende kerel hem van achter beet en smakte hem op den grond, maar op datzelfde oogenblik ontving deze van een ander een zóó duchtigen [141]vuiststoot in de zijde, dat hij wankelde. Verwonderd keek hij om, wie hem dezen stevigen opstopper had toegebracht, en—zag plotseling Leo van Dintelburg voor zich staan.
„Halt!” riep Leo met gebiedend gebaar. „Is dat kerelswerk, met je allen één man te vermoorden? Raakt hem niet meer aan, of je krijgt met mij te doen.”
„En wat wou jij dan, met je bruingebraden snoet?” riep dezelfde man van daareven. „Je bent óók van de familie, hè? Nou, dan kun je óók wat krijgen!”
„Maar dan krijg jij eerst wat van mij, hoor!” zei een breedgeschouderd, goedig uitziend werkman, zich voor Leo te weer stellende.
„Ja, ja!” riep het volk, „van meneer Leo afblijven! weg met den witbol! leve meneer Leo!”
Leo wenkte met de hand, dat men zwijgen zou, en in een oogwenk had de wilde drukte plaats gemaakt voor de grootste stilte.
„Hoort eens, mannen,” sprak hij, „jullie wilt aan je patroon enkele veranderingen voorstellen voor de fabrieken?”
„Ja, ja, het moet veranderen!” riepen verscheidene stemmen.
„Goed,” ging Leo voort, „maar begint dan niet met schoppen en slaan, vooral niet tegen één man, die daarenboven nog weerloos is. Dat is het werk van lafaards en je schiet er niets mee op, behalve dat je jezelven er mee in de gevangenis helpt. Je wilt mijn oom spreken, nietwaar?”
„Ja, ja!” was het antwoord.
„Nu,” ging Leo voort, „jullie kunt, als je wilt, wel tegelijk zingen, maar niet tegelijk spreken. Kiest dus uit je midden vijf mannen, en laten die over een uur op het hoofdkantoor komen. Daar zal oom hen opwachten, en wat recht is, zal gebeuren, en wat onrecht is, zal hersteld worden.” [142]
„Bravo!” werd er geroepen.
„En gaat nu als ordelijke menschen naar huis,” vervolgde Leo;—„jullie, vrouwen, het eerst; en zorgt dat het eten klaar is vanmiddag.”
„Ja, de vrouwen naar huis,” riepen enkelen, „want geschaft moet er worden!”
„En jullie mannen insgelijks. Beraadslaagt onder mekaar, wat je den patroon wilt voorstellen, en zorgt, dat je mannen kiest, die hun woord kunnen doen en op de hoogte van de zaken zijn. Vanmiddag spreken we mekaar weer.”
Dit zeggende, ging hij met Rudolf op het hek af. De mannen maakten plaats voor hen, en weldra was de geheele schare verspreid en begaf men zich druk redeneerend naar huis.
Op het bepaalde uur verschenen de gekozen vertegenwoordigers op het hoofdkantoor.
Behalve eenige loonsverhooging voor sommige takken van arbeid, eischten deze mannen namens hun kameraads de instelling van een soort onderling scheidsgerecht tusschen den patroon en de werklieden, herstel van den hoofdadministrateur in zijn vroegere functie, en voorts drongen zij er zeer nadrukkelijk op aan, dat Rudolf minstens gedurende de eerste twee jaren geen daadwerkelijk toezicht meer zou uitoefenen op het personeel.
Een uur later kwamen zij bij hun makkers terug met de tijding, dat al hun eischen waren ingewilligd. Den volgenden dag was het geheele personeel van den heer Van Dintelburg weer aan ’t werk als altijd, maar de jonge patroon werd gemist. Hij ging op reis naar Duitschland, waar hij aan de fabriek van een vriend zijns vaders verder zou worden opgeleid. De heer Van Dintelburg en Leo brachten hem naar den trein. Leo was geroerd, toen hij zijn neef de hand ten afscheid reikte.
„Nu, jij hoeft niet te huilen,” zei Rudolf op zijn gewonen, kouden toon, waarin thans echter vrij wat bitterheid klonk, [143]„zóóveel vriendschap hebben we niet gehouden—tenminste ik niet! Je moogt, integendeel, blij zijn dat je van me af bent!”
En met deze woorden stapte hij in de coupé.
De heer Van Dintelburg, die gedurende den rit naar het station in een droevige stemming had verkeerd, voelde zich opgelucht, toen hij het weer den rug kon toewenden. ’t Was natuurlijk hard voor een vader, zijn zoon den vreemde te zien intrekken, maar ’t zou toch voor Rudolf goed zijn, dacht hij. Zijn gedrag zou, nu hij onder vreemden zou leven, wel veranderen,—vreemde oogen dwingen, zegt het spreekwoord.
Ach ja,—ze dwingen, maar.… slechts voor korten tijd! Niet een andere omgeving is in staat des menschen gedrag te veranderen; dat kan alleen geschieden, zoo hij een ander hart ontvangt. [144]