[Inhoud]

HOOFDSTUK XV.

Leo maakt een plan voor de toekomst, en dat van zijn oom wordt in duigen geworpen.

Leo vierde wéér zijn verjaardag en was nu negentien jaar. De huisgenooten hadden zich allen ingespannen om dezen dag voor hem tot een waren vreugdedag te maken—want zij hadden hem allen hartelijk lief,—maar in weerwil van al hun goedgemeende pogingen, hing er over de huiselijke feestviering een sombere nevel. In den fraaien eetsalon, waar de familie bijeenzat, droeg de disch de fijnste gerechten en schitterde met keur van antiek zilver en kunstig bewerkt kristal. Prachtige bloemstukken verkwikten het oog door de fijnste kleuren, en het zonnetje wierp door het vertrek stralen van schoonheid en levenslust. Maar de harten daarbinnen bleven somber gestemd, vooral die van den heer en mevrouw Van Dintelburg. In enkele weken was hun beider aangezicht doorgroefd met rimpels, als van tien lange jaren. Mevrouw was mager geworden, en de voorheen zoo kloeke gestalte van haar echtgenoot was gebogen. Dat had de zorg gedaan: de zorg voor hun kind, voor Rudolf. De vreemde oogen in Duitschland hadden hem werkelijk slechts voor korten tijd gedwongen, en spoedig had hij ook dáár zijn oude leven op denzelfden voet voortgezet. Ook dáár had zijn verkwisting hem gevoerd tot oneerlijkheid, maar thans was er geen vader geweest, die gereed stond deze oneerlijkheid te bedekken. Rudolf was gevlucht en had op twijfelachtige papieren te Harderwijk dienst genomen als soldaat bij het Nederlandsch-Indische [145]leger. En het was de tijding van deze feiten geweest, waardoor mevrouw Van Dintelburg zoo vermagerd en de trotsche gestalte van haar echtgenoot in enkele weken zoo gebogen was, en waardoor nu nog een sombere nevel hing over Leo’s verjaringsfeest.

„Leo,” sprak de heer Van Dintelburg, toen de maaltijd geëindigd was, „overeenkomstig den wensch van je Pa heb ik je heden te vragen, wat je in de toekomst wilt worden. Ik wil je naar je Pa’s verlangen in de keus van een beroep geheel en al vrij laten, óók al heb ik zelf in dit opzicht mijn wenschen.”

„Laat ik dan eerst die wenschen mogen hooren, oom!” gaf Leo ten antwoord.

„Neen, jongen,” hernam zijn oom, „zeg eerst wat je eigen keus is,—mijn wenschen zal ik maar niet op den voorgrond stellen,—ze worden tòch zoo zelden verwezenlijkt!” liet hij er met een zucht op volgen.

„Als u ze uitspreekt, zouden ze misschien ditmaal in vervulling kunnen komen, oom,” zei Leo op een toon van innig medegevoel.

„Neen, jongen,” hield zijn oom op moedeloozen toon vol, „jou begeerte heeft hier het eerste en het éénige recht van spreken.”

„Nu, Oom,” gaf Leo ten antwoord, „als ik het dan tòch moet zeggen: ik zou graag, evenals Pa, zendeling worden.”

„’t Is goed,” was het antwoord, „indien het mogelijk is, zal ’t geschieden.” Maar op het gelaat van zijn oom kon Leo wel zien, hoe zijn keuze voor dezen een teleurstelling was.

„En nu úw wensch, oom,” zei Leo.

„Ik heb geen wensch meer, dan wat de jouwe is, mijn jongen,” gaf de heer Van Dintelburg ten antwoord.—„Maar jullie zoudt een rijtoer maken, nietwaar? Nu ga dan Jacob maar waarschuwen, dat hij inspant.”

Een half uur later waren Leo en zijn nicht uitgereden, [146]en zaten de heer en mevrouw Van Dintelburg samen in de verandah.

„’t Valt je tegen van Leo, is ’t niet, Louis?” sprak mevrouw.

„Ik had het wel gevreesd,” was het antwoord. En op mismoedigen toon vervolgde hij: „Och, alles mislukt mij, àlles! Onze familie schijnt altijd in twee wegen uiteen te moeten gaan. Pa heeft er tot zijn dood toe verdriet over gehad, dat mijn broer Willem een anderen kant uitging, en hetzelfde staat mij te wachten ten opzichte van Leo.”

„Wat zou het toch mooi geweest zijn,” sprak mevrouw, „als onze Dolf en Leo na verloop van tijd eens samen de zaak van je hadden kunnen overnemen!”

Met de hand onder het hoofd bleef hij over dit onderwerp geruimen tijd zitten nadenken.

Met de hand onder het hoofd bleef hij over dit onderwerp geruimen tijd zitten nadenken.

„Ja,” zei de heer Van Dintelburg, „dan was Pa’s wensch om nog eens twee Van Dintelburgen aan het hoofd van de fabrieken te zien staan, wel niet vervuld geworden in zijn zonen, maar dan toch in zijn kleinzoons. Maar, helaas! Wat Willem en mij altijd heeft gescheiden, scheidt ook onze jongens. Het is altijd tweeërlei levensdoel en tweeërlei levensweg.”

Met de hand onder het hoofd bleef hij over dit onderwerp geruimen tijd zitten nadenken.

Waarvoor hadden zijn vader en hij, zoo peinsde hij, nu twee menschengeslachten lang geleefd? Zij hadden hun geslacht tot eer en rijkdom willen brengen, en wat zou er van hun werk terecht komen? Niets! Zijn zoon kon zijn werk niet voortzetten; hij had zichzelven door zijn euvel gedrag buiten de maatschappij geplaatst. En zijn neef wilde [147]het niet. Als hij kwam te sterven, zou alles overgaan in vreemde handen. Rudolf zou, als hij dan nog leefde, zijn deel verkwisten. Leo zou het kapitaal zijns vaders, dat nog in de zaak stak, onttrekken voor andere doeleinden, en zoodoende zou de familie Van Dintelburg terugzinken in de onopgemerkte eenzaamheid, waarin zij vroeger had geleefd, en het nakroost van den trotschen edelman zou zoek raken in den breeden stroom van het gewone burgerlijke leven.

Nog eens: zijn leven was een mislukking geweest!

Waardoor?

Had hij het dan niet goed opgezet? Had hij geen goed levensdoel gekozen?

Altijd had hij gemeend van wel; slechts tweemaal had hij getwijfeld: ééns, toen hij voor de eerste maal met Leo in aanraking was gekomen en hij het portret van zijn broeder had weergezien;—de tweede maal bij het sterfbed van Bamboe; en nu twijfelde hij voor de derde maal.

Waarvoor had hij geleefd?

Voor de wereld, dat wil zeggen: voor wat in deze wereld begeerlijk schijnt.

Hij herinnerde zich opeens wat Bamboe hem op zijn sterfbed gezegd had: „O, mijnheer, het goede Boek zegt: de wereld gaat voorbij met al hare begeerlijkheid.”

Thans ondervond hij de waarheid van dit woord. Leo’s begeerte om zendeling te worden, wierp de laatste luchtkasteelen, die hij zich gebouwd had, omver.

En nog eenmaal zuchtte hij: „O, dat we in onze familie altijd, àltijd twee verschillende wegen moeten gaan!”

„Louis,” sprak zijn vrouw, die deze laatste woorden gehoord had, op ernstigen toon, „zou je niet wenschen, dat onze Rudolf óók maar dien anderen weg was opgegaan?”

„Ja!” sprak hij, en dat „ja” klonk in zijn mond als een kreet van smart, en als een vonnis, dat hij velde, niet alleen over het leven van zijn zoon, maar ook over zijn eigen leven. [148]