Wederom zijn twee jaren verloopen, en thans bevinden wij ons weer te Weverstede.
Weverstede viert feest, dat kunt ge reeds bij den eersten oogopslag wel zien aan de vlaggen en wimpels, die allerwegen wapperen uit venster en luik;—dat kunt ge zien aan de groene eerepoort en aan de in feestgewaad gedoste menigte.
Wat is er aan de hand? Is de gansche stad in feestvreugde ter eere van den jongen Mr. Wildering, een van de voormalige „Bijbelstudenten”, die hier onlangs tot lid van de Tweede Kamer is gekozen en, hoe jong ook, reeds bekend is als een der beste Christelijke Staatslieden?
Neen, dat feest is reeds achter den rug. Dat, ’t welk nu gevierd wordt, overtreft alles wat op dit gebied ooit in Weverstede heeft plaats gehad; ’t is eigenlijk een feest der feesten, daarvandaan ook dat heel de stad er aan deelneemt.
Maar wat is het dan toch?
Ziet gij dien heer daar staan, vlak voor dat nieuwe gebouw met die fraaie eerepoort? Voor die poort staan een paar honderd fabriekskinderen, allemaal netjes gekleed, met groen versierde vlaggetjes in de hand, en rozen en linten om pet of hoed. Met goedmoedige gebaren tracht die heer orde onder den troep te houden, maar hoe netjes hij ze ook opgesteld heeft, ze zijn vandaag te woelig om ook maar één oogenblik stil te kunnen staan, en zij neuriën [171]nu reeds bij voorbaat het feestlied, dat ze straks zullen zingen.
Laten we hem eens aanspreken.
Voor die poort staan een paar honderd fabriekskinderen.…
Kent ge hem niet?
„Dirk Drijver,” zegt ge. [172]
Nietwaar, al is hij nu een heer geworden, hij draagt zijn hoed nog even los en jolig achter op zijn hoofd, als hij vroeger zijn pet droeg; en het verwondert u niemendal, dat zulk een stevige knaap, als hij vroeger was, is opgegroeid tot zulk een robusten jongen man, als hij nu is. En wat zijn karakter aangaat, is hij nog even oprecht en trouwhartig als vroeger.
„Stil jongens,” zegt Dirk Drijver, „niet zoo woelig! Denkt er om, meneer Rudolf is militair geweest en die wil dus hebben, dat je allemaal netjes in ’t gelid staat!”
„Feest, meneer? waarvoor het feest is? Als ’k je dat zeggen moet, dan mag ik eerst wel eens op m’n vingers tellen.
„Ten eerste is het de verjaardag van meneer Van Dintelburg, namelijk van den jongen meneer, zooals wij altijd zeggen. Ja, ja, dat had hier vroeger ook wel niemand gedacht, dat we allemaal eens zijn verjaardag zouden vieren. Maar nu neemt heel de stad er deel aan, dat kan ik je verassureeren. Nu, sinds hij uit Indië is gekomen, is hij ook een best mensch gebleken, dat zegt ieder. ’n Beste man voor zijn volk, dat kan ik getuigen, want ik ben teekenaar aan zijn fabrieken, en dat getuigt al het werkvolk. En niemendal trotsch! Als jongen heb ik hem eens een fermen labberjudas voor z’n gezicht gegeven. Alhoewel, hij was in zijn soort ook niet bang,—nee, dat was hij nooit, dat moet ik zeggen. Daar in Indië moet hij die Balineezen dan ook duchtig op d’r tabbert hebben gezeten;—dat bewijst wel de Militaire Willemsorde, derde klas, die hij op z’n borst draagt.
„Laatst sprak hij mij nog eens aan over dat geval van dien klap.
„„Drijver,”” zei hij, „„vriend, ik moet je nog ergens vergiffenis voor vragen.””
„„Wat, meneer,”” zei ik, „„vergiffenis?”” en ’k dacht: Wa’s dat nou?—want dat gebeurt niet alle dagen, dat [173]zulke groote lui aan d’r ondergeschikten vergiffenis vragen, ergens voor.
„„Weet je nog wel,”” zei hij, „„dat je me op het ijs eens een klap hebt gegeven?””
„„Of ik dat weet, meneer,”” zei ik, „„maar daarvoor mag ik ú wel vergiffenis vragen.””
„Drijver,” zei hij, „vriend, ik moet je nog …”
„„Nee, Drijver,”” zei hij, „„dien klap had ik dubbel en dwars verdiend, maar dat bedoel ik niet. Je weet, dat na dat geval je oude vader ontslagen is door papa, en nu is je vader al dood, evenals de mijne, maar ik heb toen ook jou en je moeder verdriet gedaan, en daarvoor vraag ik je vergiffenis. Ja,”” zei hij, zoo nadenkend als hij soms wezen kon, „„ik was toen een kwade bengel, en later.…””
„„Je hadt een kwaad been, meneer,”” was ik zoo vrij te zeggen, „„en sinds je daar in Indië dat been bent kwijt geraakt, sinds ben je genezen.””
„„Wat dat been betreft,”” zei hij, „„ja, Drijver, ik dank God, dat Hij het mij heeft afgenomen, maar toch.… in het been zat het hem niet; ik had geen kwaad been,—ik had een kwaad hart!””
„Kijk meneer,” vervolgt Dirk Drijver, „als je zoo iets van jezelven getuigt, als je zóó ootmoedig de zonden van je jonkheid betreurt, dan zeg ik, dat je een nieuw mensch, dat je een Christen bent,—wat u nou?
„Nu, de andere patroon, meneer Leo, zooals wij altijd [174]nog zeggen, daar hoef ik geen woord over te spreken. Wie dat is, dat weet iedereen wel in ons heele land, mag ik wel zeggen, en hier de jongens van de Zondagsschool weten er óók van te spreken, niewaar jongens?
„Ja, meneer, hij wilde eigenlijk als zendeling in Indië arbeiden, en dat is hij geweest óók, maar z’n constitutie, zal ik maar zeggen, kon daar niet tegen, en hij is nu naar ons land gemoeten.—Dat was óók weer Gods besturing, want de jonge meneer moest hier toen patroon worden en niemand had het op hem verzien. Zoo kwam het dan maar goed, dat meneer Leo als compagnon wilde optreden, want die was algemeen bemind. U weet, hoe erg ook de jonge meneer meeviel. De ouwe meneer en de ouwe grootvader Van Dintelburg hadden ’t allebei voor ’t vizier gehad, dat nog eens twee jonkers Van Dintelburg in de zaken zouden komen, en dat is nu dus ten langen leste tòch gebeurd.—En dat weeft samen zoo maar geleidelijk op, de eene de schering en de andere den inslag, zeg ik altijd, of om ’t u duidelijker te maken,—want meneer is geen wever, zie ik wel,—de eene zorgt voor de arbeiders d’r lichaam, en de andere voor d’r ziel.
„Meneer Leo is ook hier nog altijd zendeling. Niet alleen, dat hij leeraar is aan een zendelingen-school te Rotterdam, en heel vaak voor de zending uit spreken gaat, maar hier in de stad is hij ook zendeling op duizenderlei wijze. En zulk een zendeling hadden we hier broodnoodig, want zooals m’n vader altijd zei,—’t waren hier heidens,—heidens waren het!”
„En waar is ’t nog meer feest voor, Drijver?”
„Het tweede feest betreft de inwijding van het Henriëtte-park, het derde de opening van de nieuwe fabriek, het vierde de inwijding van het Bamboe-huis, dit gebouw, waar we nu voor staan, en het vijfde.…?”
„Het Bamboe-huis, Drijver?”
„Ja meneer, zoo heeft meneer Leo het genoemd. ’n Prachtig [175]gebouw, vindt u niet? Kijk, daar staat de naam in vergulde letters in ’t front: Bamboe-huis. En hier op dien steen:
TER GEDACHTENIS
AAN
PETRUS BAMBOE
EEN EENVOUDIGEN JAVAAN
EN DISCIPEL VAN JEZUS CHRISTUS
DIE OP HET VOETSPOOR VAN ZIJN MEESTER
DE ZIJNEN HEEFT LIEFGEHAD TOT
HET EINDE TOE.
„En kijk, meneer, ziet u die twee stijlen hier aan de poort? Dat zijn werkelijk een paar zware bamboestammen. ’t Staat wel aardig, vindt u niet?
„Waarvoor het gebouw dient? Voor alles en nog wat. Allereerst is het een herberg, maar een herberg zonder sterken drank, want van sterken drank was meneer Bamboe een pertinente vijand. Een flinke, ruime en nette gezelschapszaal en de mooie tuin zullen ons fabrieksvolk een genoeglijke en onschuldige uitspanning verschaffen. Ik zelf, al ben ’k textiel-teekenaar van m’n vak, ik maak ook nog wel eens een aardigheidje buiten mijn gebied, en zoo heb ik voor die zaal een levensgroot crayon-portret van meneer Bamboe geteekend, zoo maar uit het geheugen, maar iedereen zegt, dat het bijzonder goed lijkt. U kunt het straks wel eens [176]zien.—Daarnaast en daarboven heb je allerlei zalen en lokalen voor de Zondagsschool, waarvan u hier de leerlingen ziet, voor de jongelingsvereeniging en voor de Bijbelclub. Die laatste moet evenwel huur betalen, want die bestaat meest uit de grootheid, jongelui van de H. B. S., en zoo.
„De opening van het Henriëtte-park, ja, dat zal ook wat wezen. Dat gaat, evenals het Bamboe-huis, uit van Van Dintelburg & Co., maar het Bamboe-huis is voor iedereen, en het Henriëtte-park is alleen voor de arbeiders van onze fabrieken. Het is een gewoon park, maar de groei moet er natuurlijk het mooie nog aanbrengen. Overal staan er nette arbeiderswoningen, niet als krotten op mekaar, maar ruim en luchtig. ’t Zal op den duur een lust zijn er te wonen. Een Christelijke school voor de fabriekskinderen staat er op het einde. ’t Heeft een centje gekost, meneer, daar kunt u van op aan, maar ’t is ook een wonder, hoe de firma de laatste twee jaren vooruitgegaan is. Nu,—wij,—het personeel,—zijn daar niet rouwig om. De firma houdt open boek voor het werkvolk, en ieder arbeider heeft zijn deel in de winst. U weet niet, hoe goed of die laatste bepaling gewerkt heeft, want nu is het niet alleen de zaak van de heeren Van Dintelburg, maar ’t is de zaak van ons allemaal. Ieder doet zijn best om de weverijen vooruit te brengen. Vroeger was de arbeid maar sleurwerk, thans mag ik zeggen, dat elk er liefhebberij in heeft. De menschen hebben zelfs onderling vak-vereenigingen opgericht, waar de een den ander, om zoo te zeggen, onderwijs geeft, om het werk telkens en telkens maar beter te maken. ’t Is dan ook bekend, dat wij het knapste werkvolk hebben en de beste leveranciers zijn uit heel Europa. Geen wonder dat er al weer een nieuwe fabriek op de „Blinde Wei” moest worden bijgebouwd.
„De jonge meneer heeft aan die fabriek den naam gegeven van „Blank en Bruin”. Dat is een aardigheid op de firma, ziet u, want meneer Leo is eigenlijk van bruine [177]komaf. „Blank en Bruin” waren vroeger de grootste vijanden; thans zijn zij zulke beste vrienden, dat zij als tweelingpaar, hun namen zullen geven aan hetzelfde gebouw.
„Ja, er komt zelfs een tweede firma van „Blank” en „Bruin”, want ons vijfde feest betreft een huwelijk tusschen „Blank” en „Bruin”; freule Henriëtte trouwt vandaag met meneer Leo.
„Eerst zijn zij naar de fabriek gereden en vervolgens naar ’t Henriëtte-park. Straks komen ze hier, en daarna gaat het naar het stadhuis.
„Kijk, kijk, daar heb je ze al!”
„Jongens, op je plaats!”
Onze gezellige babbelaar moet ons nu in den steek laten, om zich met zijn klas te bemoeien. Want ginds op het einde der straat nadert een dichte menigte, te midden waarvan een open landauer rijdt, met vier paarden bespannen, waarin ge een dame en twee heeren ziet zitten. De dame, die vriendelijk glimlachend het volk toeknikt, is juffrouw Henriëtte, maar daar de Indische zon Rudolfs gezicht nu even bruin heeft gezengd als dat van Leo, zoudt ge „Blank” niet van „Bruin” kunnen onderscheiden, indien gij den eerste niet reeds uit de verte herkend hadt aan zijn steek, en aan de Militaire Willemsorde op zijn borst.
De stoet komt al nader, en hoe meer hij nadert, hoe luider het gedruisch wordt, dat hem vergezelt.
Eindelijk, daar houdt het rijtuig stil, en nu kunt ge ook aan andere dingen dan daareven Leo en Rudolf van elkaar onderkennen. De eerste springt met vroolijken lach uit het rijtuig, en terwijl hij er ook Henriëtte uit helpt, straalt zijn gelaat van zonneschijn en levenslust.
Rudolf daarentegen kijkt ernstig. Zijn gelaat heeft iets zachts gekregen, en ook iets vredigs. Maar iets vroolijks neemt men er zelden op waar. Ook nu brengt hij het niet verder dan tot een glimlach, weliswaar van tevredenheid [178]en geluk, maar toch een weemoedigen glimlach. En als hij uit het rijtuig gaat, moet ook hij door Leo ondersteund worden. Rudolf van Dintelburg draagt een ridderkruis, maar hij zal toch zijn levenlang blijven hinken op een kunstbeen! O, hoe moeilijk gaat hem dat af, uit een rijtuig te stappen! Een gemompel van medelijden gaat er op onder de toeschouwers over zijn gebrekkigen toestand.
„Jammer hè, meneer Drijver, van dat been, vindt u niet?” fluisteren we Dirk Drijver in.
„Wat zal ik je zeggen, meneer!” is het eveneens fluisterend gegeven antwoord. „Wat zal ik zeggen? Da’s nou het leelijke van de zonde. De zonde, zeg ik wel is tegen m’n jongens, de zonde is net als ’n inktklad op ’n teekening. Je kunt (of liever God kan) die klad er uitkrabben, maar het rechte wordt het nooit meer. Je kunt later altijd nog zeggen: Daar het-ie gezeten! De wonde mag beteren, het litteeken blijft! M’nheer Dolf komt in den hemel, dat geloof ik vast. Maar hier op aarde is er de fut bij hem uit. ’n Treurig aangezicht en ’n houten been, dat zijn de gevolgen van de zonden der jonkheid, meneer! ’t Is jammer van den man!”
En Dirk Drijver veegt, terwijl hij dit zegt, een traan uit het oog.
De kinderen echter begrijpen deze uiting van droefheid nog niet. En ook onder de groote menschen zijn er maar weinigen, die zóó over Rudolfs leed nadenken, als Dirk op ’t oogenblik doet.
En wie zou hun dat ten kwade duiden? ’t Is immers feest vandaag? De kinderen letten nog niet eens op meneer Rudolfs moeilijken gang. Zij kijken slechts naar „die mooie juffrouw”, die hen straks op koekjes en chocola zal tracteeren. Met volle handen strooien zij bloemen op het pad, waarlangs het jonge bruidspaar voortschrijdt, en allerwegen klinkt er onder het zwaaien van hoeden en het [179]wuiven van vaandels één geestdriftige uitbarsting van gejuich, waarmee ook wij van harte instemmen:
„Leve meneer Leo!
„Leve meneer Rudolf!
„Lang leven „Blank” en „Bruin!””
Blank & Bruin
[181]