Het carillon* van den grooten toren had juist kwart over één gespeeld, toen op dien bewusten Zaterdagmiddag voor de Leyebrug twee knapen verschenen, waarvan de een een witte vlag in de hand hield, terwijl de ander, door op een koperen trompet te blazen, de aandacht tot zich zocht te trekken.
„Werda!” weerklonk een stem van achter den Leyedijk.
„Parlementair*!” gaf Pauw van Lockhoff, de jongen, die de vlag droeg, ten antwoord, en terstond op dit zeggen kwam het hoofd van Wim Wessels en daarna diens geheele gestalte boven den dijk te voorschijn.
Hij trad op de beide gezanten toe, bond hun een zakdoek voor de oogen, leidde hen langs het paadje van ’t Wed tot vlak voor de schans, en stelde hen daar, na eerst de oogen ontbloot te hebben, aan den opperbevelhebber voor.
„Generaal,” sprak Pauwtje met waardigheid, „in naam van mijn commandant kom ik Uw vesting opeischen. Indien gij U met Uw manschappen niet binnen een kwartier op genade of ongenade overgeeft, zal het bombardement een aanvang nemen.”
„Ziet onze vesting te nemen als je kunt,” gaf Leo ten antwoord. „We zullen jullie kogels afwachten.”
Op dezelfde wijze geblinddoekt, werd de afgezant weer over de brug gebracht. [29]
Een kwartier later bood de Weversstraat een allerschilderachtigst schouwspel aan. Het waren de troepen van het Instituut, die, op militaire wijze in rijen van vier geschaard, in goede orde naar de Leyebrug oprukten. Voorop liepen een zestal trommelslagers en even zoovele muzikanten, die hun schetterende tonen door de zonnige lucht bliezen.
Een eindje daar achter stapte aan het hoofd van zijn soldaten Rudolf van Dintelburg, de pet versierd met een groote pluim, en een fraaie blikken sabel op zijde.
Naast hem schreed Prosper van Deekelaer voort, zoo deftig als zijn dikke gestalte hem dat veroorloofde. Afkeerig als hij was van veel inspanning, had hij verzocht om dienst te mogen doen als vaandrig, en zwaaide nu met zijn dikke vuistjes het blauwe vaandel van „Achilles” fier boven zijn hoofd.
Wim Wessels, die met een twintigtal jongens, bij wijze van tirailleurs*, achter den dijk lag, om den vijand den overgang over de brug nog zooveel doenlijk te betwisten, zag hoe zij voor de Leye stand hielden. De muziek zwenkte naar achteren, en thans werden de eigenlijke gevechtstroepen zichtbaar. Terstond ontdekte Willem, dat de jongens van het Instituut veel voor hadden boven die van het Wed, wat hun bewapening betrof. Want niet alleen dat de knapen van de Weversstraat, evenals die uit het Wed, allerlei voorwerpen voor het lijf hadden geknoopt, om bij wijze van patroontasschen te worden gebruikt, maar een groot aantal hunner droeg ook nog een schild of iets dat als zoodanig gebruikt kon worden. De vindingrijkheid der jongens had hun hierbij uitnemende diensten bewezen. Enkele hadden den bodem uit een oude wijnmand gehaald en dien van een paar lussen voorzien, om den arm door te steken. Andere behielpen zich met een groot, oud potdeksel, en weer andere droegen een met linnen overtrokken vlieger, om zich achter te verschuilen. Slechts [30]de leden van „Achilles” hadden een schild, dat werkelijk door zijn vorm op dien naam aanspraak kon maken; het was gesneden uit bordpapier en, terwille van de stevigheid, aan den achterkant op een paar kruiselings geplaatste latjes vastgehecht. Op dat van Rudolf prijkte het wapen der Van Dintelburgen: op een veld van goud een rood kasteel, waarlangs een zilveren rivier stroomde, dit alles gedekt door twee gekruiste palmtakken.
Van achter de verschansing kon ook Leo door het paadje van ’t Wed dezen welgewapenden stoet zien naderen.
„Jammer, dat we dáár ook niet aan hebben gedacht!” sprak hij, doelende op de schilden. „Wim Wessels zal een harden strijd hebben aan de brug, en het is te hopen, dat hij maar spoedig terugkomt, als hij het niet houden kan.”
„Ja,” zei Dirk Drijver, „dat is zeker jammer, maar wat kun je er aan doen? Maar ik vind het ook erg flauw om achter zoo’n ding weg te kruipen.—Kijk, daar beginnen ze al!”
Aller oogen gluurden over de borstwering.
Zoodra de eerste man den voet op de brug had gezet, was Wim Wessels met een tiental van zijn manschappen van achter den dijk te voorschijn getreden en begon nu den overmachtigen vijand manmoedig te bestoken. Deze antwoordde met een hagelbui van sneeuwballen, en ging daarbij zóó wild met zijn munitie te werk, dat de voorraad van de voorste rijen weldra uitgeput was, die echter spoedig door de achterste gelederen werd aangevuld.
Daar Wim Wessels zag, dat de recht op den man af gemikte kogels bijna alle op de schilden afstuitten, gaf hij zijn manschappen bevel om langzaam zich in twee liniën te scharen; tien man noordwaarts en tien man zuidwaarts van de brug, om op die wijze een kruisvuur te kunnen openen. Beurt om beurt zou men in den looppas een eindweegs terugtrekken, en terwijl de eene partij terugtrok, zou de andere met verdubbelden ijver vuren. [31]
Men had de voorzorg gehad, hier en daar achter de boomen een stapeltje sneeuwballen gereed te leggen, die bij dezen terugtocht moesten worden gebruikt.
Weldra was de vijand de brug over, maar had daarmee aanvankelijk ook al zijn kogels verschoten. En nu bleek het, hoe wijs Leo had gehandeld, toen hij juist dáár de sneeuw had laten opruimen: de jongens van het Instituut moesten krabben en schrapen om een sneeuwbal ineen te krijgen.
Vele handen maken echter licht werk; Wim Wessels werd dientengevolge steeds meer achteruitgedrongen. In zijn zucht om den vijand van terzijde te bestoken, week hij echter te veel naar het noorden. De zuidelijke afdeeling zijner troepen trok te langzaam terug en zoo werd ook hij genoodzaakt, zich in de buurt van Bamboe’s huis [32]langer op te houden dan de voorzichtigheid gedoogde. De zuidelijke linie kwam gelukkig door de poort; de vijand liet haar gaan, wel begrijpende, dat hij het meest kans had, de noordelijke te omsingelen.
Helaas, dit gelukte.
Weldra was Wim met zijn klein troepje omsingeld. Vier van zijn manschappen wisten nog te ontkomen, maar hijzelf werd met zes anderen gevangen genomen en over de brug gevoerd.
Het begin van den strijd was den jongens van het Wed dus niet voordeelig geweest. Maar tevens was de vijand in dit eerste gevecht al zijn kogels kwijt geraakt, en hij kon er dus niet aan denken den aanval op het fort te wagen, aleer hij zich van nieuwe munitie* had voorzien.
In plaats dus van den strijd dóór te zetten, moest ieder man den vastgetrapten sneeuwbodem openrijten, om opnieuw ballen te gaan kneden. Weldra zag men hen dan ook zich als een vliegenzwerm over het Wed uitbreiden. De meesten trokken naar het zuiden, waar een groot veld sneeuw nog ongerept lag. Slechts enkelen bleven dicht bij het fort op den grond hurken, om hun werp-projectielen uit den witten bodem te delven.
„Jongens, laten we nu een uitval doen!” riep Joost de Korte, die om dezen toenaam doorgaans den historischen naam van Pepijn de Korte droeg,—„we kunnen er daar best een stuk of wat te pakken nemen!”
Onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat men de noodige voorzichtigheid zou in acht nemen, stond Leo dit toe, en een vijftiental rappe gasten, onder aanvoering van Pepijn, sloop behoedzaam de poort van het kasteel uit.
Eer deze er recht vermoeden van had, zaten zij den vijand reeds op het lijf en brachten er een vijftal van in triumf naar de speelplaats. Onder de gevangenen was ook een officier, Wim van Waanen. Zijn sierlijk bewerkt schild werd, om de tegenpartij te tergen, als trofee [33]aan een der onderste takken van een boom opgehangen.
Dolf van Dintelburg was woedend, maar zijn eigen zorgeloosheid had hem parten gespeeld. Tot zijn eer moet echter gezegd, dat de ondervinding hem wijs maakte, want terstond nam hij uitstekende maatregelen om een tweeden overval te voorkomen. Achter de boomen om het open vak werden een aantal welgewapende schildwachten geplaatst, en een sterke linie schilddragers werd ten zuidwesten van het fort opgesteld, om de vervaardiging van kogels, zooals men dat noemt, te „dekken”.
Terwijl de aanvallers elders hun voorbereidende maatregelen namen, zaten ook de verdedigers niet stil. De jongens van de laagste klassen hadden achter den wal reusachtige stapels sneeuwballen opgehoopt. De verdedigers hadden slechts de hand uit te strekken om ze te grijpen. En nog altijd voerden zij nieuwen voorraad aan, dien zij in sleden naar voren schoven of in manden tusschen hen tweeën aandroegen.
„Dat ding daar,” sprak Leo, op het schild van Willem van Waanen wijzende, „hangt daar heel mooi, maar het zou nog beter zijn, zoo we in de boomen een stuk of wat soldaten konden plaatsen, met het noodige materiaal bij zich.”
„Dat zou het; maar als ze hun tasschen en zakdoeken, die ze voor ’t lijf dragen, leeggegooid hebben, waar zullen ze dan nieuwen voorraad vandaan halen?” opperde zijn adjudant.
„In manden met een touw omhoog trekken;—kijk, die dikke tak hangt net achter de verschansing uit, en die óók, en die óók!—Wie wil er post vatten in den middelsten boom?”
Onmiddellijk waren daartoe een tiental vrijwilligers te vinden, ’t geen meer dan genoeg was. In den boom zouden negen man gaan zitten; één zou er voortdurend bezig zijn het mandje met sneeuwballen omhoog te trekken en weer te laten zakken, en twee kleine knapen zouden aan den voet, achter de schans, het telkens vullen. [34]
Dirk Drijver, die altijd vol streken zat, zelfs in de meest ernstige oogenblikken, had ergens een bordpapieren mombakkes gevonden: het gelaat van een vreeselijk uitziend man, met een enormen neus en dito knevel. Toen hij het vóórgebonden had, schoot zelfs de vreesachtigste soldaat in den lach.
„Elk naar zijn post; de vijand nadert!” waarschuwde Leo den jongens, die Dirk nieuwsgierig omringden. Ieder vloog naar den wal.
Bij den Leyedijk had Rudolf van Dintelburg zijn soldaten in drie kolonnes opgesteld, die elk een even groote frontbreedte* hadden als de te bestormen schans. De schilddragers stonden in het voorste gelid, en klaarblijkelijk waren de achtersten met niets anders belast dan met den aanvoer van kogels.
Onder tromgeroffel en trompetgeschal stelde zich nu deze wèl-geordende schaar in beweging.
„Leve het Instituut! Hoerah!” werd er geroepen, zoodra men binnen schotlengte was.
„Hoerah voor het Wed!” werd er geantwoord en een vijftigtal sneeuwballen trokken hun bochtige lijnen door de lucht. In de voorste rij trof echter bijna geen enkele behoorlijk doel: zij werden door den vijand lachend en spottend op de schilden opgevangen.
Onweerstaanbaar drong de aanvaller naar voren, maar toen hij tot vlak bij de schans was gekomen en die trachtte te beklimmen, werd hij zóó duchtig ontvangen, dat zelfs de stoutmoedigsten een oogenblik als verbijsterd bleven staan. Van achter den wal werd er een kruisvuur geopend, waarvoor geen schild voldoende dekking aanbood, en vanuit de boomen daalde een regen van kogels neer, waarvan elk doel trof.
„Volgehouden, jongens, voorwaarts!” commandeerde Dolf. Het vuur brandde los met verdubbelde woede.
Te midden van dezen storm trachtte de tweede linie van [35]den aanvaller de vesting te beklimmen, maar het was onmogelijk om op den wal te komen, daar hand en voet nergens een houvast of steunpunt vonden.
„Proppie, sta me te bok!” riep Dolf,—„dien sneeuwman kunnen we er tenminste aflichten.”
Prosper deed wat hem bevolen was, en een oogenblik later tuimelde een der sneeuwmannen met een doffen slag ter aarde. De andere onderging spoedig hetzelfde lot.
„Nou jij,” sprak Dolf en stelde zich in Proppie’s plaats,—„er op en er over!”
Werkelijk kwam Prosper plat op den buik op de verschansing te liggen, maar toen hij zoover was gekomen, kon hij zich onmogelijk meer voor- of achteruit bewegen; met zijn buik lag hij op de schans en met zijn armen en beenen spartelde hij vergeefs door de lucht, om de sneeuwballen af te weren, die als een witte poeder om zijn ooren vlogen.
„Hou daar, wacht, Floris de Vette*,” spotte Dirk,—„ik zal je helpen, maat! Komaan, eerst inzeepen en dan scheren.” Meteen duwde hij den armen Prop een handvol sneeuw in het gezicht en trok hem aan beide armen over de schans.
Proppie was gevangen man!
De tweede, die de schans beklom, was Dolf. Verstandiger en ook leniger dan Proppie, had hij zich bij een der palen omhoog gewerkt en stond nu boven op den wal. Alléén durfde hij den sprong naar beneden niet wagen, uit vrees dat hij dan het lot zou deelen van Wim en Prosper; maar hij bleef toch kloekmoedig stand houden, niettegenstaande de sneeuwballen hem van alle kanten als een lawine* op het lijf vielen. Met zijn linkerarm, waarmee hij het vaandel droeg, hield hij zich stevig aan den boom vast; hij had zijn schild weggeworpen en deed met zijn rechterhand een hagel van kleine sneeuwballen op zijn vijanden dalen.
„Volgt mij!” schreeuwde hij den zijnen toe en stak [36]de rechterhand uit om den tweeden man op te helpen.
Dolf.… stond nu boven op den wal.
Meteen stampte hij met zijn voeten de bevroren sneeuwlaag, die den houten wal dekte, aan stukken. Met de handen werd deze er nu verder afgebroken, en met zorg zagen de jongens van het Wed, hoe de bressen in hun houten muur gaandeweg grooter werden.
„Hou daar, jonker Witbol, wat moet je daar in dien boom? Er groeien in dezen tijd van ’t jaar geen appels aan!” spotte Dirk Drijver en trachtte Dolf aan de beenen van de verschansing te duwen.
„Daar heb je een appel, en een zuren!” riep Dolf en wierp hem een van zijn kleine sneeuwballen in ’t gezicht, die hem zijn papieren neus afsloeg.
„En jou zal ik eens wit wasschen, Zwart-van-de-Lamp!” vervolgde hij, terwijl hij ook op Leo mikte, „Blank tegen Bruin!” [37]
„Je wascht de schutting!” zei deze, die juist op tijd bukte, zoodat de sneeuwbal met kracht tegen de geteerde schutting aankwam.
„En dáár jij nog een, plebber!” ging Dolf voort en mikte weer op Dirk, wien hij aan diens spottend gezegde herkend had.
„Dank je wel!” riep deze, terwijl hij Dolfs bal met de hand opving en hem met kracht op zijn aanvaller terugwierp, „eet je appels zèlf maar!”
Doch op hetzelfde oogenblik schrok hij van de uitwerking van zijn daad.
Dolf wankelde, liet los en viel als levenloos, met het vaandel nog in de vuist geklemd, voorover in de verschansing.
Oogenblikkelijk werd het gevecht gestaakt. De jongens van het Instituut, die niet recht wisten wat er gebeurd was, juichten reeds, nu zij die van het Wed zoo onverwacht den strijd zagen opgeven. Maar toen zij onverlet den wal beklommen hadden, en daar zagen wat er geschied was, was alle lust om hun aanvankelijke overwinning te voltooien, ineens bij hen verdwenen.
Daar lag Rudolf van Dintelburg, bewusteloos en met de lijkkleur op het gelaat. Uit een wonde boven zijn linkeroog vloeide bloed, dat in droppels op den besneeuwden grond viel.
„Foei, Dirk, dat je ook zóó valsch kon doen!” sprak Leo, die Dolfs hoofd ondersteunde.
„Kon ik het helpen?” bracht Dirk in, „ik heb hem met zijn eigen sneeuwbal teruggegooid.”
Leo antwoordde niet, maar begon Rudolfs slapen en polsen met sneeuw te verkoelen en voelde naar zijn hartslag. Hij leefde nog. Gelukkig!
„Dirk, loop gauw naar Bamboe, en zeg, dat die hem bij ons aan huis brengt,” drong Leo aan.
Dirk ging, en ook de andere jongens, half bevreesd, dat zij [38]van medeplichtigheid aan het ongeval zouden beschuldigd worden, gingen met treurige gezichten heen.
De oorlog, hoe ernstig en ijverig ook gevoerd, was in werkelijkheid toch maar spel geweest,—en welk een vroolijk spel! Maar nu was hij op eens ontzaglijke ernst geworden.
Leo bleef alleen in de schans achter.
„Rudolf, Rudolf,” riep hij schreiend, „word wakker!—Rudolf, wat scheelt je toch?”
Maar nog altijd gaf Rudolf geen antwoord.
Angstig bleef Leo hem in het gelaat staren, het bleeke, met bloed beloopen hoofd in zijn armen houdende.
Deze blanke jongen had hem, den bruinen Indischen knaap, leed gedaan van het eerste oogenblik, dat hij hem gezien had. Leo, met zijn driftig zuidelijk bloed, had hem bittere antwoorden gegeven. Maar nu hij het hoofd van dezen jongen zoo dicht bij zijn lichaam voelde, en nu hij hem den dood nabij waande, nu werd dat alles naar den achtergrond gedrongen en vergeten; nu gevoelde hij, dat deze jongen een mensch was, evenals hijzelf. Hij dacht aan de geschiedenis van den barmhartigen Samaritaan, die den verslagen Jood óók eenmaal zóó in zijn armen had gehouden, en in zijn hart ontwaakte voor den blanken en trotschen knaap een groote en innige liefde.
„Rudolf,” zei hij, terwijl hij diens bruine krullen streelde, die verward langs zijn voorhoofd hingen, „Rudolf, word toch wakker! Kijk, ik ben bij je, ik wil je vriend zijn. Ik kon het niet helpen, en Dirk ook niet.”
Op dat oogenblik kwam Bamboe.
Hij maakte Rudolfs jas een weinig los en ontdeed hem van zijn boord, dat nogal vrij nauw om den hals sloot.
Vervolgens nam hij hem op en droeg hem in zijn sterke armen naar huis.
Onderweg sloeg Dolf de oogen op. „Goddank!” juichte Leo, „hij komt weer bij!” [39]
Niettemin oordeelde Bamboe het raadzaam, hem toch in huis te brengen.
„Hier, jonker,” sprak hij, nadat hij hem in een gemakkelijken stoel had neergezet, en een kop sterke koffie had ingeschonken, „drink eens! In dit land geven ze iemand, als hem wat overkomt, altijd minoeman jang bekin mabok1, naar ik hoor. Maar ik heb bij ondervinding, dat in zulk een geval niets zoo goed werkt als een kop sterke kopi2.”
„Ziezoo,” vervolgde hij, „nu zullen we je hoofd eens afwasschen, want je ziet er uit alsof je op een Indische expeditie waart geweest.”
Dolf liet zich geduldig reinigen, en vervolgens deed Bamboe een pleister op de wonde, die gelukkig niet groot was.
Intusschen begonnen de sneeuwballen, die Dolf nog altijd in zijn servet droeg, de werking van de kachelwarmte te gevoelen.
„We zullen dat ding maar afdoen en leegmaken, jonker,” sprak Bamboe, „want Leo zegt, dat Jehovah sneeuw van ajar3 maakt, en ik weet bij ondervinding, dat het op zijn beurt ook weer in ajar kan veranderen.”
Hij knoopte het servet los en wierp den inhoud er van buiten naast de stoep.
Rudolf zat niet op zijn gemak en keek verlegen de netjes, doch zeer vreemdsoortig gemeubelde kamer rond.
„Zou men niet zeggen, dat die brandende bollen aan de boomen groeiden?” sprak Bamboe zeer opgewonden de kamer weer binnentredende. „Zie eens hier, als ze stuk vallen, komt er een steen uit!”
Rudolf—tot zijn eer moet het gezegd—bloosde en zweeg. Ook Leo gaf Bamboe van dit vreemde verschijnsel maar geen verklaring. [40]
„Komaan!” zei Rudolf, nog meer verlegen dan daareven,—„ik gevoel me nu al beter en zal dus maar opstappen. Papa en Mama zullen niet weten waar ik blijf.”
„Zooals je wilt,” antwoordde Leo, „maar als je gaat, zal ik je toch thuisbrengen,—zou ik niet, Bamboe?”
„Zeker, zou je dat!” bevestigde Bamboe, en hoe weinig Rudolf ook met dit plan ingenomen was, hij durfde er zich na Bamboe’s woorden niet tegen verzetten.
Zwijgend stapten de beide knapen een tijdlang naast elkaar voort.
„Heb je nog pijn, Rudolf?” begon Leo eindelijk.
„Een beetje, maar ’t maakt niet uit,” was het gedwongen antwoord.
Weer trad een lange pauze in. Zoo kwamen ze eindelijk bij het breede, sierlijk gesmede hek van den Dintelburg, de prachtige villa, waar Rudolf woonde.
„Dolf,” sprak Leo op zachten toon, „moeten Blank en Bruin nu bepaald vijanden zijn? Zouden we van af dit oogenblik geen vrienden kunnen zijn?”
Een oogenblik stond Rudolf getroffen met gebogen hoofd voor zich te kijken. Maar het volgende oogenblik had hij het hoofd alweer opgericht.
„Nee!” zei hij, terwijl hij Leo minachtend en uit de hoogte aankeek.
„Waarom niet?” vroeg deze met tranen in de oogen.
„Omdat je, al draag je denzelfden naam als ik, thuishoort bij het plebs,—omdat je een bruine kleur hebt en—en—” (hier begonnen zijn lippen te beven) „omdat je beter bent dan ik!” bracht hij eindelijk met moeite uit,—„en—omdat ik je haat!”
Leo verwijderde zich, zonder een woord te spreken.
„Weet je wie dat was, Bamboe?” vroeg hij, toen hij weer thuis kwam, „dat was dezelfde jongen, die het ons onderweg zoo lastig maakte, toen we hier in de stad kwamen. Hij heeft me altijd op allerlei wijzen gekweld en gesard. Nu [41]heb ik hem vriendschap aangeboden, maar hij wou niet, omdat ik van geringe afkomst ben en een bruine kleur heb.”
„Van geringe afkomst?” riep Bamboe uit, „Je vader was een van de beste dienaren van Koning Jezus, die ooit geleefd hebben, en je moeder was een Indische poetĕri4 van keizerlijk bloed. En je kleur? Je ziet wat bruin, mijn jongen, maar ben je in dit land daar minder om? Ik wou, dat je nog bruiner waart dan je bent, want, ofschoon je vader ook blank was, vind ik, ronduit gezegd, de kleur der blanken djĕlek!5
„Hoe denk je wel, dat de engelen er uitzien, blank of bruin?”
„Ik denk van blank,” antwoordde Leo.
„Neen, bruin!” sprak Bamboe met groote beslistheid.
„Maar Leo,” ging hij voort, „het is toch een zeer gevaarlijk spel, om mekaar met zulke dingen te werpen.”
„Ja, tenminste als men ze hard maakt en er een steen in doet,” was het antwoord, „maar dat is tegen de regels van het spel.”
„O,” bracht Bamboe er met groote verwondering uit, „wel jongen, ik dacht zoowaar, dat er een steen in gegroeid was.—Dan was het een gemeene jongen, die Rudolf!”
„Dirk Drijver heeft hem met een van z’n eigen ballen teruggegooid,” hernam Leo.
„Is dàt waar, katjoeng?”6 sprak Bamboe, die, zooals de lezer reeds bemerkt heeft, veel met „ondervinding” ophad,—„dan leert de ondervinding mij hier weer, dat van al de goede woorden, die Jehovah gesproken heeft, er niet één ter aarde valt. Want daar staat geschreven: „Die een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeeren!” [42]