De winter bracht niet alleen sneeuw, maar in zijn verder verloop ook ijs. De Blinde-Wei, die in het koude jaargetijde geregeld onder water stond, was met een dikke, spiegelgladde ijskorst bedekt. Binnen den kring der slooten, die het stuk land omgaven, had de IJsclub een prachtige, cirkelvormige baan aangelegd, waarop zich een menigte schaatsenrijders in vroolijk gewemel en sierlijk gebogen banen dooréén bewoog. De aangrenzende slooten en de Leye waren nog niet vertrouwbaar, ’t geen niet verhinderde, dat af en toe eenige waaghalzen meenden, ook dáár enkele staaltjes van hun al te driesten moed ten beste te moeten geven.
Ook Leo was op het ijs. In het eerst had hij wel heel veel moeite gehad, om op die smalle ijzertjes vooruit te komen, maar ook hier bleek al spoedig, dat er niets is wat een flinke jongen met een paar open oogen, een helder verstand en stevige spieren niet leeren kan. Weldra was hij zoover, dat hij behoorlijk „zijn schaatsje” kon „slaan”.
Natuurlijk ontmoette hij daar ook Rudolf, en het deed hem genoegen op te merken, dat deze thans allervriendelijkst voor hem was.
Het spreekt vanzelf, dat de jongens er geen plezier [43]in hadden, altijd baantje te blijven rijden. Ze gingen liever wat meer buitenaf, om daar vrij en blij op schaatsen krijgertje te kunnen spelen. Wáár er in de wereld ook standsonderscheid mag heerschen, het vlakke ijs maakt alle menschen gelijk; en zoo daar nog meerderheid en minderheid onder de menschen bestaat, daar worden deze niet bepaald door de grootheid van iemands kapitaal, maar door de vlugheid van zijn voet. De jongens van het Wed en de jongeheertjes van het Instituut krioelden hier dan ook vroolijk dooreen, en hadden alle mogelijke jongensveeten begraven.
Weldra was hij zoover, dat hij behoorlijk „zijn schaatsje” kon „slaan”.
Ook Bamboe kwam op een zonnigen Woensdagmiddag, gehuld in het dikste duffel, dat in Nederland te koop is, naar dit schouwspel kijken, half uit nieuwsgierigheid, half uit bezorgdheid voor Leo, want hij kon maar niet begrijpen, dat een mensch over het water kon loopen zonder gevaar van verdrinken.
Het kostte dan ook veel moeite om hem den voet op het ijs te doen zetten, en toen hij er eenmaal op was, liep hij zóó voorzichtig en voetje voor voetje, dat alle toeschouwers er schik in hadden. Spoedig echter gewende hij zich op dit vreemde element. Met ongeveinsde bewondering zag hij de vlugge schaatsenrijders na.
„Wie had ooit gedacht,” sprak hij tot Leo, „dat de mensch op het water kon loopen en met ijzeren vleugels vliegen?”
Op de gladde ijsvlakte kon ook, al was men op schaatsen, [44]een soort voetbalspel worden beoefend. Rudolf van Dintelburg had een bal meegebracht, die een eindweegs over het ijs werd gerold, waarna een drie- of viertal jongens er jacht op maakten. Wie hem opving, wierp hem dan weer anderen toe, en zoo hielden de knapen dit vroolijke en gezonde spel een geruimen tijd vol.
„Jongens,” waarschuwde echter een baanveger, „je moogt wel voorzichtig zijn; de Leye is niet vertrouwbaar, en vooral daar vlak voor de drie wilgen, waar de goot van de weverij van mijnheer Van Dintelburg uitwatert, is een groot wak. Weest dus voorzichtig!”
De jongens beloofden het, behalve Leo, die met nog een makker juist den bal achterna zat.
In Rudolfs hart kwam plots een boos voornemen op. Na eenigen tijd wist hij zelf weer eens den bal machtig te worden en het zoo te leiden, dat Leo juist tegenover hem kwam te staan naar den kant van de rivier.
Toen wierp hij den bal met kracht de zijde van het wak uit.
„Daar, vang hem, als je kunt!” riep hij, en Leo snelde zoo vlug als hij kon den rollenden bal na.
„Ziezoo, Sinjo, dat zal je eens een nat pak kosten!” mompelde hij bij zichzelven.
Intusschen was Leo het wak al meer en meer genaderd.
„Leo, ga terug, pas op! Daar is een wak!” riep Frits Wildering.
Leo hoorde het echter niet.
Nu begonnen ook de andere jongens te roepen, en Dolf, die spijt begon te gevoelen over zijn valsche daad, schreeuwde nu óók met alle macht mee: „Ga terug, een wak, een wak!”
Helaas! het was reeds te laat.
De jongens zagen, hoe Leo eerst een weinig zijn vaart inhield, maar op hetzelfde oogenblik hoorden zij reeds een dof gekraak een plons, een kreet.… en Leo was voor hun oogen in de diepte verdwenen. [45]
„Help, help!” klonk het nu van alle kanten.
Een ieder drong nu naar voren, zoo kort mogelijk bij de plaats, waar het onheil geschied was.
„Help, help!” klonk het alweer; maar elk wist, hoe gevaarlijk de Leye was, vooral in dit jaargetijde, nu er zeker een meter of drie water stond, en er onder het ijs een sterke stroom ging. Niemand durfde zich dus wagen.
„Leo! Leo!” riep opeens een angstige stem,—die van Bamboe,—”mana? mana?”1
„Dáár, dáár!” wezen de menschen.
„Probeer het maar niet, arme man,” zei een jeugdig heer, „de jongen is reeds door den stroom meegevoerd onder het ijs!”
„Neen, neen,” riepen verscheidene stemmen, „ik zie nog iets van zijn hoofd, kijk maar! En daar achter die schots zie je nog z’n handen. Hij houdt zich aan den rand van het ijs vast, maar het brokkelt telkens af, zie maar!”
Bamboe had echter zijn duffel reeds uitgetrokken, en zich plat-uit op het ijs geworpen. De jas naast zich voortsleepend, schoof hij plat op den buik als een slang over het ijs.
Kort bij Leo gekomen, wierp hij dezen de jas toe, en een kreet van vreugde ging er onder de toeschouwers op, toen zij zagen, dat deze van de andere zijde gegrepen en strak gespannen werd.
Deze vreugde was echter van korten duur. Want om Leo op te trekken, moest Bamboe zich op de knieën oprichten; maar nauwelijks had hij dit gedaan, of een nieuw gekraak deed zich hooren, en ook Bamboe verdween in de diepte.
Thans ging er onder de menigte een luide kreet van smart op.
„Dat is twee dooden voor één!” zei men. [46]
Ook Rudolf schreide, want al was er in zijn hart een onbestemd voornemen geweest, om den bruinen knaap kwaad te doen, dat dit kwaad zulke groote afmetingen zou aannemen, dat had hij toch niet verwacht of bedoeld.
„Ja, huil maar niet, leelijke witbol!” voer Dirk Drijver uit. „Ik heb wel gehoord, wat je gemompeld hebt over dat natte pak! ’t Is jou schuld!”
.…. ook Bamboe verdween in de diepte.
En metéén hief hij zijn vuist op en gaf hij den zoon van zijn vaders meester een fermen stomp in het gelaat.
Maar thans ontwaakte in Rudolfs hart, dat een oogenblik onder de gevolgen van zijn wandaad verteederd was, weer de boosaardige en laatdunkende trots, waardoor dit kind der weelde zoo menigmaal beheerscht en verdorven werd.
„Dat is te veel!” riep hij uit, met de hand de plaats waar de pijnlijke stomp was aangekomen, bedekkende; „laatst heb ik je bedreigd, maar nu zal ik doen, wat ik je toen beloofd heb, plebber!”
Dirk hoorde hem echter niet meer.
Hij had zijn schaatsen afgedaan en schoof nu op dezelfde wijze naar de rivier, als hij Bamboe had zien doen.
„Wat gaat die jongen beginnen! Moeten er nu drie verdrinken?” werd er gevraagd. [47]
Dirk stoorde zich evenwel nergens aan. In plaats van recht op het wak af te gaan, maakte hij een omweg, waar het ijs wat sterker was, en bereikte den overkant van den stroom. De dijk, die aan dien kant langs de rivier liep, was hier over een aanzienlijke lengte door middel eener loodrechte beschoeiing tot een kade opgebouwd, terwille van de schepen, die bij de fabriek moesten laden en lossen.
Bamboe, die een uitstekend zwemmer bleek te wezen, hield Leo in den arm geklemd en had zich door het ijs een weg gebaand naar de kade; maar eenmaal daar aangekomen, kon hij zich onmogelijk tegen het hard bevroren houtwerk omhoog werken.
Aan Dirk, die een bodem van ijs onder de voeten had, gelukte dit beter. In een oogwenk was hij bij een der palen opgeklauterd en spoedde zich nu zoo snel als zijn beenen hem dragen konden naar de fabriek, om zijn vader, die daar werkte, te waarschuwen.
Een oogenblik later kwam deze met een ladder te voorschijn en zette die langs de kade in de rivier.
Onder een luid „hoerah!” werd deze door Bamboe aangegrepen en beklommen.
Druipend en bibberend, maar met den geliefden knaap in de armen, zette hij voet aan wal.
Dolf was intusschen naar huis gegaan om zijn klachten, behoorlijk opgesierd, voor zijn papa uit te storten. Die jongen van Drijver, vertelde hij, zat hem altijd dwars. Eerst had hij hem beschuldigd van appelen te hebben gestolen; later had hij hem zóó met een harden sneeuwbal gegooid, dat hij er een gat van in zijn hoofd had gekregen. En nu vandaag was er een jongen te water geraakt en.… en.… daar had die Dirk hem weer de schuld van gegeven en [48]hem met de vuist in het gezicht geslagen, en „o, o, het deed zoo’n pijn, papa!”
Nu, wat dit laatste betrof, was het mogelijk, dat hij geen onwaarheid sprak, want Dirk had een paar stevige knuisten aan het lijf, en uit alles bleek, dat de slag raak was geweest.
„En jij, wat heb jij gedaan?” vroeg de heer Van Dintelburg.
„Ikke, papa?” vroeg Dolf verwonderd, „ikke?—Wel, niets, papa!”
„Nu, ’t is goed, je kunt gaan!” sprak deze.
De heer Van Dintelburg was een trotsch man, zijn kind had deze eigenschap dus niet van een vreemde geërfd. Zoon van den ouden Nederlandschen adel, had hij, om zijn familie-fortuin „er boven op” te helpen, het niet beneden zich geacht, zijn krachten te wijden aan handel en industrie, maar de aristocraat was nooit tenonder gegaan in den koopman en fabrikant. Hij was streng, streng voor zichzelven en onverbiddelijk streng jegens zijn ondergeschikten. Maar hij stelde er zijn roem in, tevens rechtvaardig te zijn. De heer Van Dintelburg was een man van de wereld, die voor de wereld leefde. Geen hooger levensdoel kennende dan deze aarde, had hij zijn leven besteed om aan de schittering van zijn beroemden naam ook den glans van een groot vermogen te paren. Daar de zucht tot geld verdienen bij hem dus op den voorgrond stond, zou hij zijn arbeiders geen cent meer laten verdienen dan bepaald noodig was, hoewel zijn trots hem ook verhinderde, hun minder te geven dan wat volgens zijn begrippen een ordentelijk loon mocht worden genoemd. Maar daarvoor eischte hij dan ook van zijn werklieden den meest nauwgezetten ijver en de inspanning van alle krachten. Het geringste verzuim werd aan zijn fabrieken gestraft met onherroepelijk ontslag. Eén verkeerde draad in een weefsel, één korstje verdikte olie aan de stangen van een machine, [49]waren voldoende om iemand met wegzending te bedreigen. Was toewijding dus het eerste, wat de heer Van Dintelburg van zijn werkvolk eischte, eerbied en gehoorzaamheid waren het tweede. Hij duldde in zijn werkplaatsen zelfs geen schijn van oproerigheid, weerspannigheid of van gebrek aan eerbied jegens zijn persoon of familie. Hij was verreweg de voornaamste fabrikant uit de geheele stad en de eenige, die een adellijken naam voerde. De menschen, die bij hem in dienst waren, werden door hèm, Van Dintelburg, onderhouden; ze moesten uit zijn hand leven; het was dus niet meer dan billijk, meende hij, dat ze dan ook hem als hun heer en meester huldigden en eerden. Een arbeider, die eens of tweemaal [hetzij ’t opzet ware of onoplettendheid] in gebreke bleef zijn pet af te nemen, als de familie Van Dintelburg voorbijreed, kon er zeker van zijn, den eerstvolgenden Zaterdag achter zijn naam op de loonlijst een o-tje te vinden, en zich dus gemerkt te zien als een oproerling.
De heer Van Dintelburg was derhalve verontwaardigd over den smaad, dien een zoon van een van zijn werklieden, zijn kind, een jongen Van Dintelburg, had durven aandoen. En al hield hij zich overtuigd, dat Rudolf ook wel het zijne zal hebben gedaan om tot den smaad aanleiding te geven, het was toch ongehoord, dat die arbeidersknaap zóó iets tegen den zoon van zijn vaders meester had durven bestaan. Al had Rudolf dien knaap ik-weet-niet-wat gedaan, de zoon van den heer Van Dintelburg moest iederen anderen jongen te heilig blijven om er de hand naar te durven uitsteken.
Natuurlijk verbood de rechtvaardigheidszin des heeren Van Dintelburg hem, om den vader van Dirk aansprakelijk te stellen voor wat de zoon had misdreven; maar aan den anderen kant was het ook zeker, dat de vader toch niet geheel vrij uitging. Een kind, zoo redeneerde hij, was wat zijn opvoeding hem maakte. Als een kind dus oneerbiedig [50]was jegens zijn meerderen, dan kwam dat, doordat hij niet anders was opgevoed. Een dergelijke oneerbiedige, brutale knaap moest stellig een oneerbiedigen en brutalen vader hebben.
Tegen den tijd, dat de werklieden huiswaarts keerden, had de heer Van Dintelburg de gewoonte, hier en daar eens rond te gaan om te hooren bij de opzichters, of er ook klachten over het werkvolk waren. Zoo deed hij ook nu.
De opzichter over de weefgetouwen uit de fabriek aan de Leye hàd klachten, zooals trouwens veelal het geval was, want hij was een echte oogendienaar: kruiperig voor zijn meerderen en hondsch voor zijn minderen. Een van de arbeiders had zonder zijn, des opzichters, vergunning het toezicht over zijn getouwen aan zijn makkers overgelaten.
„Hoe heet die man?” vroeg de heer Van Dintelburg.
„Drijver!” was het antwoord.—„Hij liep weg om.…” meende de opzichter er nog aan te moeten toevoegen, maar de heer Van Dintelburg liet hem niet uitspreken.
„Ja, waaròm hij wegliep,” zei hij, „kan me niet schelen; hij is in mijn dienst en hij heeft niet weg te loopen. Ga dien man aanzeggen, dat hij op morgenochtend ontslagen is. Betaal hem evenwel zijn loon uit voor de geheele week!”
Des avonds kwam Dirk Drijver eens naar Leo zien.
Toen hij aanbelde, werd hem evenwel niet, zooals gewoonlijk, opengedaan door Leo of Bamboe, maar door de bejaarde dagmeid, die Bamboe hield om de straat te schrobben en boodschappen te doen, want hij bezat zooveel bedrevenheid in allerlei huiswerk, dat hij voor kamer of keuken geen hulp van anderen noodig had. Wat het bereiden der spijzen aangaat, daar had hij in het eerst wel wat mee getobd. [51]Gewend als hij was aan een Indische keuken, had hij heel wat moeite gehad om den Europeeschen kost naar behooren te bereiden. Het was hem bijvoorbeeld al eens overkomen, dat hij mosterd in de karnemelk had gedaan, en kaneel met azijn in de spruitkool. Op zekeren middag had hij zelfs een hoeveelheid pieterselie gekocht, groot genoeg om in den soepketel van een heel regiment soldaten te worden gedaan, en had die, gekookt en gestoofd, bij wijze van middageten op tafel gezet. Langzamerhand echter had hij zich in de geheimen onzer kookkunst ingewijd.
In het begin had de oude dienstbode zich tegen dit alles verzet.
„M’nheer hoefde dat toch ommers niet te doen,” had zij gezegd; „zij was dienstbooi bij m’nheer en den jongenheer, en zij werd er toch voor betaald.” Maar Bamboe wilde het nu eenmaal zoo en niet anders.
Naatje was een oude sloof. Zij woonde bij haar broer in, die nog ouder dan zij, en bovendien gebrekkig was. Haar broer genoot een kleine toelage van de Diakonie, te weinig echter om van te leven en te veel om van te sterven. Naatje moest er dus wat bij verdienen, al was het ook, dat haar hulpbehoevende broer haar slecht kon missen, en al was zij zelf zoo krom, door zestig jaren arbeids, dat zij eigenlijk niets meer verdienen kòn.
Welnu, als dat dan bepaald moest, dan kon zij bij Bamboe terecht.
Bamboe had geïnformeerd wat een dienstbode bij deftige menschen voor loon kreeg, en voor zùlk een loon of nog wat meer had hij Naatje gehuurd voor „meid”. Maar als zij ’s morgens de bedden opgemaakt, wat potten en pannen geschuurd en een paar boodschappen gedaan had, dan kon Naatje alweer naar huis gaan. ’s Middags moest zij dan nog [52]even terugkomen, ’t geen niet zoo heel moeielijk voor haar was, want zij woonde niet heel ver af: in een steegje van de Weversstraat. Gewoonlijk had zij dan niet veel meer te doen dan een mand met eten in ontvangst te nemen, want toen zij eens op een desbetreffende vraag geantwoord had, dat zij liever thuis at, had Bamboe als vaste gewoonte aangenomen, haar eten in borden en schoteltjes in de mand te doen. Daar hij van de onderstelling uitging, dat een Europeesche dienstbode twee magen heeft, zorgde hij altijd voor eten voor vier personen. En daar hij, niettegenstaande hij „maar een Javaan” was, een zeer eerlijk karakter bezat, zoo verdeelde hij dit eten altijd in twee precies gelijke porties: één voor hem en voor Leo, en één voor Naatje, die twee magen had,—en als Bamboe niet eer had behoeven te sterven, dan wanneer men er hem op had kunnen betrappen, dat deze porties ongelijk waren, dan had hij duizend jaar oud kunnen worden, zóó precies gelijk waren ze altijd! Doorgaans gaf Bamboe haar dan metéén ook maar de boterhammen mee voor den avond en voor den volgenden ochtend, en wat dat beetje middagwerk betrof,—och, dat had Bamboe in Indië zoo vaak beredderd, waarom zou hij dat hier óók niet doen? Naatje was oud en zwak, haar broer was een stakkerd, die zich haast niet helpen kon,—en Bamboe was er niet te goed voor om wat te doen,—Naatje moest dus maar naar huis gaan; als men haar noodig had, zou Leo wel even waarschuwen,—tenminste als zij met het oog op den ouden man weg kon, voegde Bamboe er steeds bescheidenlijk aan toe.
Dezen avond was het echter de eerste maal, dat zij zulk een waarschuwing had ontvangen, want Bamboe en Leo lagen beiden te bed, en er moest toch iemand zijn om open te doen. En zoo kwam het, dat, toen Dirk Drijver aanbelde, hij, zooals reeds gezegd werd, niet werd binnengelaten door Bamboe of door Leo, maar door Naatje. [53]
Dirk moest maar in Bamboe’s slaapkamer komen, want daar was Leo ook.
Nadat beiden gelukkig uit het water waren gekomen, waren zij voorloopig binnengebracht in een naburig huis. Leo, die eerst buiten kennis was geweest, was daar door een ijlings ontboden dokter weer bijgebracht, en beiden waren kort daarop, in dekens gewikkeld, per rijtuig naar huis vervoerd.
Bamboe, die altijd gewoon was geweest op een baleh-baleh te slapen, had, met versmading van de bedstede, die zich in de kamer bevond, zich ook hier een zoodanige slaapplaats ingericht, en in dit buitengewone geval kon de bedstede dus worden ingenomen door Leo.
„Ah, Dirk, ben je daar? Wel, dat doet me plezier!” sprak deze, zoodra hij Dirk zag binnenkomen. „Alloh, Kees!” vervolgde hij tot den aap, die op den stoel voor de bedstede hem met een heel meewarig gezicht zat aan te kijken, „ga jij daar eens af en laat Dirk daar eens zitten.”
Kees sprong op den rand van de bedstede en Dirk nam zijn plaats in.
Nadat hij gevraagd had, hoe de beide drenkelingen het maakten, vroeg hij:
„En weetje nu wel, wiens schuld het is, dat je er door bent gezakt?”
„Natuurlijk mijn eigen schuld, wat anders?” zei Leo. „Ik had moeten zien, dat het ijs daar zwakker was, maar [54]dat wist ik niet, zie je! Ik dacht, dat het ijs overal even sterk zou zijn, omdat het toch overal even sterk gevroren heeft.”
„Ja, dat wist je niet,” zei Dirk, „maar Dolf van Dintelburg wist het, want een baanveger had ons nog even te voren gewaarschuwd, dat daar een wak was, en met opzet gooide hij den bal dien kant uit.”
„Hoe weetje, katjoeng2, dat het met opzet was?” vroeg Bamboe.
„Toen hij den bal Leo’s kant uitwierp, heb ik ’t hem zelf hooren zeggen, meneer Bamboe: „„Dat zal hem een nat pak kosten!””
Leo’s kleur werd eerst blauw-wit en toen vuurrood.
„Nu, als ’t ons niet meer kost dan een nat pak, dan is ’t niet erg,” zei Bamboe, „hoewel ik bij ondervinding kan getuigen, dat ik mij aan de puntigste bamboedoeri* nog nooit zoo geprikt heb, als aan dat water. Het was verbazend heet!”
„Neen, Bamboe,” glimlachte Leo, „het was koud!”
„Nu, koud dan, jonker!” sprak Bamboe, die met deze beide begrippen nogal eens in de war was.
Er bestond tusschen Bamboe en Leo een heel eigenaardige verhouding. Bamboe was eensdeels een soort van voogd over Leo. Hij had den knaap hartelijk lief en oefende door zijn meerdere „ondervinding” en door de waarachtige vroomheid van zijn hart al den invloed op hem uit van een vriend en raadsman, tegen wien Leo eerbiedig had op te zien. Anderdeels echter was en bleef Leo zijn jonge meester, om wien te dienen en te verzorgen hij zijn vaderland had verlaten, en die niet alleen door geboorte, maar ook door meerdere kennis (tenminste wat wereldsche zaken betrof) verre boven hem verheven was.
Sprak Bamboe nu tot Leo als vriend of als voogd, dan [55]werd deze steeds kortaf Leo genoemd, maar zoodra in eenig punt Leo’s meerderheid aan den dag kwam, was het steeds jonker. Als Bamboe raad gaf, dan gaf hij dien aan Leo; ontving hij raad, dan ontving hij dien van jonker Leo. Wist Bamboe iets, dat Leo niet wist, dan was het „Leo”; wist Leo iets, dat Bamboe onbekend was, dan was het „jonker”.
Maar beluisteren wij verder het aangevangen gesprek.
Ook Kees, de aap, scheen in de algemeene verontwaardiging te deelen.
„En weet je wat hij mij gebakken heeft?” vroeg Dirk, terwijl hem de tranen in de oogen kwamen. „Hij heeft gemaakt, dat vader op de fabriek ontslagen is.”
„Wat?” riep Leo uit.
„Ja, ontslagen!” vervolgde Dirk. „Zie je, toen je daar te water lag, werd ik zóó boos op dien jongen, dat ik hem met de vuist een klap in het gezicht gaf. En toen schijnt hij naar zijn papa gegaan te zijn; en vanavond ontving vader de boodschap, dat hij zijn ontslag had.—O, die ellendige witbol!” vervolgde hij, huilend van woede, „ik wou dat ik hem hier had; ik zou hem in den grond kunnen trappen, dat zou ik!”
Leo zei niets, maar doodsbleek sloeg hij in woede de vuist op den rand van zijn legerstede. Ook Kees, de aap, scheen in de algemeene verontwaardiging te deelen, hij sloeg [56]zijn hand—als men zijn voorpoot zoo noemen mag—juist als Leo, tegen de harde plank, maar bezeerde zich hierbij zoodanig, dat hij als een kind begon te schreien.
Alleen Bamboe bleef kalm.
„Ja jongens,” sprak hij, „dat geeft allemaal niets. Als je dien jongen nu nog kwaad ging doen bovendien, dan zou je twee domme daden gedaan hebben in plaats van een.”
„Maar wat zoudt u dan doen, meneer Bamboe, als u een jongen was?” vroeg Dirk.
„Ik zou hem liefhebben,” was het antwoord.
„Dat heb ik gedaan, maar nu—nu kan ik het niet meer!” bracht Leo met heesche stem uit.
„En waarom niet?” ondervroeg Bamboe. „Omdat hij slecht is en verkeerde dingen doet? Hoe zou het er met ons uitzien, als God alleen liefhad wie braaf waren en enkel goed deden? Heeft Hij ons niet lief, niettegenstaande wij djakat3 zijn en dagelijks verkeerde dingen doen? Hoor eens, jongens, wat het goede Boek zegt!” En zijn hand uitstrekkende naar het Bijbeltje, dat altijd naast hem op de baleh-baleh lag, las hij:
„Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand zult gij haten.
Maar Ik zeg u: hebt uwe vijanden lief; zegent ze die u vervloeken, doet wel dengenen, die u haten, en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen; opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, die in de hemelen is, want Hij doet zijne zon opgaan over boozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Want indien gij lief hebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?.…
.… Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is.”
[57]