[Inhoud]

HOOFDSTUK VI,

waarin Leo dertig centen en dertig sterren telt, en Dirk Drijver zeven „heidens” gevangen neemt.

Bamboe was de gevolgen van het koude bad spoedig te boven, behoudens een soort van droge kuch, die hij eruit had overgehouden en die maar niet wijken wilde.

Leo, die nogal veel water had ingekregen, moest op raad van den dokter een dag of wat thuis blijven.

Dirk Drijver kwam hem in zijn gedwongen huisarrest nogal eens opzoeken. Daar Dirk’s vader thans zonder verdienste was, had de bles het niet langer kunnen trekken, hem op zulk een dure school te houden, als die aan het Wed. Dirk ging nu school in de Bochtstraat, maar hij was met de verandering verre van ingenomen.

„Zie je!” zei hij, „’t is daar zoo heelemaal anders dan bij ons” (de school aan ’t Wed was voor hem nog altijd zijn school). „Ze bidden daar niet, ze vertellen daar niet uit den Bijbel, en zingen doen ze daar maar twee keer in de week, en dan allemaal versjes, die ik niet ken. Kortom, alles is er anders, àlles! En het meeste mis ik nog meneer Selhof!” zuchtte hij. „Hij was streng, maar ’t was toch ’n beste man. Ik moest nog als strafwerk een les uit het Geschiedenisboekje overschrijven.—”„Daar ben je nou óók vrij van, jongen!””—zei vader.—”„Nee, vader,”” zei ik, „„daar ben ik niet vrij van. Ik heb dat strafwerk verdiend en ik zal het maken óók.””—”„Nou jongen,”” zei vader, „„máák het dan maar!”” En [58]toen heb ik het gemaakt, en ’s avonds heb ik het nog aan z’n huis gebracht. Hij huilde toen ik het hem bracht. „„Dirk””, zeid’ie, „„je bent ’n eerlijke jongen!”” En ik, ik huilde óók, want, jongen, Leo, het spijt me zóó!”

„Daar hèb je dan een Roomschen pastoor!”

„Daar hèb je dan een Roomschen pastoor!”

„Nou, vader spijt het óók!” vervolgde hij, terwijl hij met den mouw van zijn jas de oogen afveegde. „„Wat moet er van de godsdienstigheid terecht komen bij zu’kke jongens,”” zeit vader. En dat is wáár. Want dáár geven ze niet veel om! Dat kan ik wel merken. Kwaad benne ze niet, maar ’t benne toch héél andere menschen als meneer Selhof en hier, meneer Bamboe! Hoe ze benne, dat weet ik niet, maar ze benne anders, dat weet ik wel, en ’t is maar jammer van ’t vertellen!”

„Nou, ik zal ’t wel onthouden, wat ik geleerd heb,” ging hij na eenig stilzwijgen weer voort; „maar daar heb je nou Hein Klomp! Die z’n vader is óók wever, en die jongen weet niks!”

„„Jeses!”” zei die gister.

„„Weet je wel eens, wie Jezus was, jonge?”” zei ik.

„„Ja,”” zeid’ie, „„dat weet ik wel, Wed-knol!”” Dat was [59]op mij getroefd, zie je, want ze weten natuurlijk wel, dat ik van ’t Wed kom.

„„Jezus was ’n Roomsche pastoor,”” zeid’ie, „„want ze hebben een beeld van Hem in de Roomsche kerk.””

„„Nou,”” zei ik, „„daar heb je dan een Roomschen pastoor! leelijke vloekerd, dat je bent!”” en meteen gaf ik hem een labberjudas om z’n ooren, dat-ie dacht, dat-ie met molentjes te koop liep, want ik wierd kwaad op den aap. Maar, zooals vader zeit, wat moet er bij zulke jongens nou terecht komen van de godsdienstigheid?”

„Niet veel—tenminste niet, als jij ze op zoo’n hardhandige manier onderwijst, wie Jezus is,” lachte Leo.

„Zeg dàt wel, jonker Leo,” sprak Bamboe, vol bewondering voor het puntige en geestige antwoord. „Ik kan ’t me wel begrijpen,” vervolgde hij vergoelijkend tot Dirk, „dat je boos werd, omdat die jongen den naam van den Heiland misbruikte, maar ’t was toch niet goed. Toen de Heer eens met Zijn discipelen in zekeren kampong kwam, wilden de menschen Hem niet eens nachtverblijf geven, zegt het Boek. Johannes en nog één zeiden: „„Meester, wilt Gij, dat wij vuur van den hemel laten neerdalen, om dezen kampong met alle menschen die er in zijn te verteren?”” Maar de Heiland sprak: „„Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt!”” De Geest van Jezus, jongens, is een Geest van zachtmoedigheid en geen geest van onnoodig klappen uitdeelen.”

„Misschien heeft de Heer wel dáárom toegelaten, dat je daar naar school moest, opdat je die kinderen op een betere manier zoudt leeren, wie Jezus is.”

„Och, meneer Bamboe,” antwoordde Dirk mistroostig, „hoe kan ik dat nou doen?! Ze zouden mij uitlachen. Als ik nou eens gróót was, ja, dan, dan.…!”

„Welnu,” zei Bamboe, die niet zoo kortzichtig was, dat hij voor dit bezwaar niets zou gevoelen, „als je ze dan ’s Zondagsmiddags eens hier bracht? Dan hebben Leo [60]en ik toch ons vertel-uurtje, en wij kunnen daar best een stuk of wat jongens bij velen.”

Dirk beloofde, dat hij Zondagmiddag met zeven jongens van de school uit de Bochtstraat zou verschijnen.


„’t Is toch jammer, dat Dirk niet meer bij ons school gaat, hè, Bamboe?” zei Leo, toen de bezoeker weg was.

„Dat is ’t wèl!” zei Bamboe.

Nadenkend keek Leo eenigen tijd het Wed over.

„Hoeveel schoolgeld betalen wij eigenlijk, Bamboe?” vroeg hij eindelijk.

„Dertig cent, jonker!”

„’t Is toch niet veel, Bamboe!”

„Voor ons gelukkig niet, Leo, maar voor zulke menschen is het veel,” zei Bamboe.

„’t Is net mijn zakgeld, Bamboe.”

„Net,” zei Bamboe.

Weer keek Leo eenigen tijd over het Wed en tuurde tusschen de takken der kale boomen door naar den hemel, waar het avondrood reeds zijn purperen vegen trok tusschen de eerste zilveren sterren, die fonkelden op het donker blauw der lucht.

Leo begon de sterretjes te tellen: „Een—twee—.… acht en twintig, negen en twintig,.… dertig! Ja, net dertig. Dertig mooie gouden centen, het schoolgeld voor Dirk Drijver.”

En de maan stak haar breed en goedig gelaat boven de huizen uit en glimlachte en knikte, en scheen met haar breeden mond te zeggen: „Ja, ja, doe het maar, Leo, doe het maar, ’t is net dertig!”

En Bamboe zei niets, maar hij keek in de schemering Leo aan, of Leo het doen zou.

„Maar mijn kerk-centen dan, Bamboe,” zei Leo, die [61]meende, dat Bamboe óók wel wist, wat de maan hem geraden had; „ik moet toch centen hebben voor de kerk?”

„Ja, dat moet je,” zei Bamboe.

„Als ik die nu uit mijn spaarpot nemen mocht,.….” zei Leo aarzelend.

„Dat mag je,” antwoordde Bamboe. „Ik geloof, dat je pa het goed zou vinden, dat je in dit geval je spaarpot eens aansprak.”

... alsof daar een stem tot hem fluisterde: „Tel ze!”

… alsof daar een stem tot hem fluisterde: „Tel ze!”

„Dan wil ik het doen,” zei Leo beslist, en stond op om de blinden te sluiten.

„Leo, Leo!” riepen de beide papegaaien, die in het naaste vertrek zaten, en nu door het gerucht uit hun eersten slaap werden opgeschrikt, „Leo, Leo, flinke jongen, flinke jongen!”

Dijam, Dijam1, Jok en Plok!” gebood Bamboe den papegaaien; „het Boek zegt: „„Prijs uwen vriend niet in zijn aangezicht!”” De papegaaien deden echter als vele menschen, die toch meer verstand hebben dan een papegaai: zij stoorden zich niet aan de vermaningen uit „het Boek” en waren niet eerder tot bedaren te brengen, dan nadat de drukte van het blinden-sluiten voorbij was en Bamboe de nachtkap over de kooi had gehangen.

Leo bleef ondanks de koude nog even buiten staan, en zag weer op naar de sterren. Hij dacht terug aan den tijd, toen hij in het heerlijke Insulinde, onder de open verandah gezeten, aan de zijde van zijn vader en moeder zoo dikwijls naar denzelfden hemel had opgezien. De sterren hadden [62]dáár in oneindig grooter aantal en pracht geschitterd dan hier, maar hier glansden zij toch even vriendelijk, ja, dezen avond nòg vriendelijker dan ginds.

En het was den bruinen weesknaap, alsof daar een stem tot hem fluisterde: „Tel ze!”

En hij telde ze; maar nu waren er veel meer dan dertig, véél meer!

Toen hij weer in huis kwam, was zijn hart vol vrede. En toen hij enkele uren daarna onder de warme dekens insliep, droomde hij, dat zijn pa en moe bij hem stonden, allebei in een wit gewaad, dat nog veel heerlijker blonk, dan de sterren aan een Indischen hemel blinken.

„Je moogt ze uit je spaarpot nemen, hoor Leo!” zei zijn pa; en zijn moe lachte hem vriendelijk toe, en kuste hem zachtjes op het voorhoofd.


Den volgenden ochtend moest Naatje een brief van Bamboe brengen aan meneer Selhof, en dienzelfden middag moest de meid van meneer Selhof met het volgend schertsend briefje naar het huis van Drijver:

„Waarde Vriend Drijver,

Het bevreemdt me zeer, dat Dirk niet op school komt. Hedenmorgen heb ik voor een maand schoolgeld voor hem ontvangen, maar de jongen zelf blijft weg. Hoe zit dat toch?

Met vriendelijke groete,

Uw dw.
P. Selhof.

Men begrijpt, met welk een bevreemding dit schrijven ten huize van Drijver gelezen werd. Vliegensvlug liep Dirk naar het Wed, om te vernemen wat dit moest beteekenen, [63]en hoe meneer Selhof aan schoolgeld voor hem was gekomen.

„Ja jongen,” zei hij, „dàt mag ik niet zeggen. Ik heb het ontvangen van iemand, die veel van je schijnt te houden. En die onbekende vriend heeft me beloofd, dat hij voor je zal blijven betalen, net zoolang tot je vader weer werk heeft. Je kunt dus je oude plaatsje, naast Leo van Dintelburg, weer innemen, tenminste als je zin hebt!”

Nu, daar behoefde meneer Selhof niet naar te vragen; en boven de wolken van blijdschap snelde Dirk naar Leo, om dezen de heugelijke tijding mede te deelen.

Maar al ging hij nu de school uit de Bochtstraat weer verlaten, hij vergat toch niet wat hij aan Bamboe beloofd had, voor de jongens van deze school te zullen doen.

Klokslag twee uur stond hij des Zondags met zeven jongens voor de deur.

Leo deed open.

„Komt er maar in, jongens,” zei hij.

„Nee, ik wil niet!” zei een van de jongens.

Leo keek vreemd op.

„Wat doe je dan hier te komen?” zei hij.

„Omdat ik moet,” zei de jongen.

„Ja zeker moet je!” kwam Dirk tusschenbeide, „en er in óók, vooruit!”

En meteen duwde hij de jongens als een kudde schapen de gang in.

Terwijl Leo de knapen in de kamer liet en hun elk een stoel aanbood, vroeg Bamboe in de gang aan Dirk: „Maar Dirk! hoe kom je er toe, om die jongens mee te nemen als ze er toch geen zin in hebben?”

„Wel, ze moeten, meneer Bamboe, ze moeten! Want, zooals vader zeit, wat moet er van de godsdienstigheid bij zu’kke jongens terecht komen? ’t Benne heidens, zeit vader.”

„Maar hoe krijg je ze méé?” vroeg Bamboe verder. [64]

„Wel, meneer Bamboe, dat is nog al natuurlijk. Ik heb gezeid: „„Hoor eens jongens, als je niks anders leert als nou, dan komt er niemendal van je terecht. Ik zal Zondagmiddag hier in de Bochtstraat komen, en dan moeten er zeven van jullie mee, naar een meneer, die jullie heel mooi vertellen zal.”” En nou ben ik vanmiddag gegaan en ik heb gezegd: „„Jij en jij en jij, kom mee!”” Een paar jongens hadden er wel zin in, maar anderen wouên niet. Toen heb ik gezegd: „„Mee moet je! en als je het niet doet, kan je een pak slaag krijgen!”” En zóó heb ik ze meegebracht!”

Bamboe moest glimlachen om deze vreemde toepassing van het woord der Schrift: „Dwingt ze om in te gaan.” Maar dewijl er zelfs wel koningen en pausen en predikanten zijn geweest, die dat woord verkeerd hebben toegepast, kon Bamboe het niet euvel duiden, dat deze eenvoudige weversjongen het óók foutief opvatte. Straks zou hij Dirk wel beduiden, dat dit „dwingen” door de liefde, en niet door middel van een pak slaag moest plaats hebben. Nu trad hij de kamer binnen, om de jongens vooreerst wat op hun gemak te zetten.

Bamboe behoefde echter niet binnen te gaan, uit vrees dat de jongens zich daar anders zouden vervelen, want er viel in het ruime vertrek genoeg te zien.

Twee van de wanden waren ingenomen door glazen kasten, waarin zich allerlei vreemdsoortige voorwerpen bevonden: buitengewoon groote kapellen van zonderlinge vormen en kleuren,—gedroogde planten en vruchten,—steenen en houten beeldjes,—geraamten van dieren, schelpen en allerlei voorwerpen van kunst en smaak, waarvan de jongens zelfs de bestemming niet konden raden. Naast en tusschen deze kasten stonden langwerpige tafels, die eveneens met allerlei zaken waren bedekt; en in de hoeken stonden stellages met sierlijk opgezette vogels, van de kleine kolibri en het rijstvogeltje af tot den prachtig gevederden [65]paradijsvogel toe. In een anderen hoek lag een bont tijgervel op den met taf bedekten vloer uitgespreid, met zijn glazen oogen fel door de kamer glurend en de scherpe, witte tanden glinsterend in den dreigend geopenden bek.

„Jongens,” begon Bamboe, „ik heb jullie laten vragen om hier te komen, omdat ik jullie wilde vertellen uit het goede Boek, dat God aan de menschen gegeven heeft. Naar ik hoor, had je daar echter allemaal niet evenveel zin in. Maar je bent heelemaal vrij, hoor jongens, en als je ’t liever niet doet, dan mag je gerust weggaan.

„Maar ik zie jullie hier zoo nieuwsgierig rondkijken, dat het, dunkt me, beter is, dat we je in de gelegenheid stellen, eerst hier alles eens goed te bekijken. Kom, Leo, laat jij de jongens eens alles zien en verklaar ze wat het is.—Of wil je soms liever naar huis, jongens?” vroeg hij.

Geen van de jongens had daar echter zin in. Ieder was nieuwsgierig om deze kleine Indische tentoonstelling eens te bezien,—en Leo begon.

Misschien zullen we later gelegenheid hebben, ook onze lezers in gedachten deze zaal eens rond te leiden. Wanneer ze echter eens te Rotterdam mochten komen, is het nog beter, dat ze dan een bezoek brengen aan het „Land- en Volkenkundig Museum”, want dáár bevindt zich een prachtige en veel rijkere verzameling van voorwerpen uit het schoone Insulinde, dan in het huis van Leo en Bamboe werd aangetroffen.

„En nu, jongens,” sprak Bamboe, nadat het merkwaardigste van de kleine, maar keurige uitstalling bezichtigd was, „nu zullen we eens een lied zingen.”

Leo zette zich voor het orgel, en Bamboe deelde een viertal liederen-boekjes uit. „Zoekt maar eens op: nummer 35: [66]

„Rots der Eeuwen, troost in smart,

„Laat mij schuilen aan Uw hart;

„Wees voor mijn beangst gemoed

„Tot verberging in den vloed;

„Laat me in ’s werelds golfgeklots

„Niet verzinken, Sterke Rots!”

„Weet je, jongens, wie die Rots der Eeuwen is?” vervolgde Bamboe. „Dat is Jezus!”

Hij sprak dezen naam met zooveel heiligen ernst uit, dat de knapen met eerbied tot hem opzagen.

„Weet je, wie Jezus is?” vervolgde hij. „Hij is de Zoon van God. Hij had ons lief, lang vóór we geboren waren. En uit liefde tot ons kwam Hij op aarde, om voor ons te sterven. Maar Hij is opgestaan uit den dood, en nu staan Zijn voeten in de stad, die gouden straten en paarlen poorten heeft.

„En dáár bereidt Hij nu een plaats voor allen, die Hem liefhebben en op Hem betrouwen.

„Maar, al is Hij niet meer hier op aarde, Hij is toch zóó machtig, dat Hij ook uit den hemel ons nog altijd helpen kan, in welk gevaar wij ons ook mogen bevinden.

„Daarom wordt Hij in het lied, dat wij gaan zingen, een „Sterke Rots” genoemd.

„Op vele plaatsen van Java’s Zuidkust rijst het land bijna loodrecht tot ontzaglijke hoogten uit de zee op. Aan deze steile rotswanden bouwt de salangaan, een soort van klipzwaluw, haar nest. Die nesten zijn eetbaar, en vooral de Chineezen beschouwen ze als een lekkernij, die ze niet licht te duur kunnen betalen. (Leo toonde den jongens een opgezet exemplaar van deze vogels en ook zoo’n eetbaar nestje.) Er zijn inlanders, die deze nesten verzamelen, maar het is een levensgevaarlijk werk om dat te doen. Voorzichtig daalt zoo’n arbeider langs de steile helling af, tot een diepte van honderden meters, tot hij eindelijk zóó laag komt, dat het stof van de [67]bruisende branding hem in wolken hult en de golven als woedende tijgers aan zijn voeten omhoog springen. Wat is er, dat nu den stouten klimmer voor een gewissen dood bewaart? De—rots! Met handen en voeten klemt hij er zich aan vast, en hij verzet geen hand of voet, of hij plaatst [68]ze tusschen de spleten en op de uitstekende punten van de rots. [67]

Aan deze steile rotswanden bouwt de salangaan haar nest.

Aan deze steile rotswanden bouwt de salangaan haar nest.

[67]

„Jongens, ook jullie leven is zulk een tocht boven de golven. Ook jullie zult iets moeten hebben om je aan vast te houden. Welnu, de ware en hechte steenrots, waar wij tegen kunnen schuilen, is Jezus, en dáárom zullen wij nu zingen:

Rots der Eeuwen, troost in smart,

Laat mij schuilen aan Uw hart!”

Nadat Leo de melodie een paar malen had voorgespeeld, konden de jongens het reeds vrij aardig zingen.

Daarna ging Bamboe voor in een eenvoudig gebed.

Voor het vertel-uurtje had hij bestemd de gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan.

Bamboe was, zooals wij reeds zagen, een man met een waarachtig vroom hart. Hij bezat daarenboven een groote mate van Schriftkennis en een zeer gezond oordeel. Maar kennis van wat men de Bijbelsche Archeologie noemt had hij bitter weinig, en alles, wat hij in de Schrift las, stelde hij zich dan ook voor, niet als plaats hebbend in een Palestijnsche maar in een Indische wereld. De levendige verbeeldingskracht van den Javaan had hem de Bijbelsche figuren laten zien, niet als levend in een vreemd land, maar in zijn eigen omgeving. Zacheüs, de tollenaar, bijvoorbeeld was voor hem niet geklommen in een vijgeboom, maar in een kokospalm, zoo een als er stond bij den weg tusschen Ta-Sikao en Modjo-Katerdja;—de vader van de twee ongelijke zonen sprak niet: mijn zoon, werk heden in mijn wijngaard, maar: plant heden padi op mijn sawah!

Hierdoor kwam er in Bamboe’s vertellen veel voor, waarover een gestudeerd man zijn hoofd zou schudden, en ook veel, dat de jongens niet begrepen, maar aan den anderen kant zette deze eigenaardige manier van [69]vertellen aan zijn verhalen een zeer bijzondere levendigheid bij en het onbegrijpelijke, dat er in voorkwam, prikkelde juist de jongens nog tot grootere opmerkzaamheid.

Den volgenden Zondag had Dirk Drijver geen bedreiging met een pak slaag noodig om de jongens mee te krijgen, ja het was zelfs niet eens noodig ze in de Bochtstraat te gaan opzoeken: reeds een half uur vóór den tijd stonden er wel een veertig knapen bij Bamboe voor de deur te wachten. Natuurlijk had deze geen enkele kamer, waarin hij er zoovelen kon bergen; en den derden Zondag werd er dan ook niet verteld bij Bamboe aan huis, maar in de school van ’t Wed, die daartoe bereidwillig door het schoolbestuur was afgestaan.

Een Zondagsschool was in die dagen, vooral in de streek waar Weverstede ligt, nog iets vreemds, maar nu zij er eenmaal was, nu kwam het pas uit, hoeveel er aan het godsdienstonderwijs van de kinderen uit de arbeidersbuurten te kort kwam.

Bamboe arbeidde onder deze verwaarloosde jeugd met onverdroten ijver.

„De blanke menschen hebben eerst het Evangelie gebracht aan de bruinen,—het is niet meer dan billijk, dat de bruinen het op hun beurt terugbrengen aan de blanken, waar dit noodig is,” zeide hij.

Niet alleen dat hij de kinderen op de Zondagsschool ontving, maar hij bezocht ze ook in hun woningen. Bij menig ziek- en sterfbed van blanke kinderen kwam deze eenvoudige bruine man op zijn eigenaardige wijze licht ontsteken in de duistere schaduwen van krankheid of dood. En waar men in het eerst om zijn kleur eenigen weerzin jegens hem gevoelde, daar veranderde die spoedig, als men bemerkte welk een blank en liefhebbend hart hij onder dat donkere uiterlijk met zich omdroeg.

Eén ding was er echter, dat bij dit alles Leo wel [70]een weinig ontrustte: die droge kuch, die maar niet wijken wilde, en Bamboe’s steeds toenemende magerheid.

„Bamboe,” zei hij eens, „je spant je veel te veel in. In huis doe je werk genoeg voor één man en buiten genoeg voor twee,—dat is te veel!”

„Och Leo,” antwoordde de Javaan, „ik moet werken zoolang het dag is. De nacht komt, waarin niemand werken kan.” [71]


1 Zwijg, zwijg!