[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

Demon goud.

Terwijl Grace druk in de weer was om het eenvoudig middagmaal gereed te maken, zaten de vier mannen voor het vuur, en spraken over den uitslag van de jacht.

—Zijt gij nogal tevreden over het resultaat, mijnheer? vroeg Jack, zich tot Raffles wendende.

—Alles in aanmerking genomen—ja, ik ben tevreden! antwoordde Raffles. Vergeet niet dat wij ongeoefend zijn op dit gebied!

—Maar uw prachtige hond zal u wel van veel nut zijn geweest? ging Jack door terwijl hij het dier over den kop streelde. Hebt gij dien hond uit Europa medegebracht, als ik vragen mag?

—Ja, een mijner vrienden bracht Fang een paar maanden geleden voor mij mede van Prince Albert Land—nog heel wat Noordelijker gelegen dan Alaska! Daar worden deze honden door de Eskimo’s veel gebruikt bij de robbenjacht. Fang is een bijzonder groot en sterk exemplaar! Hij heeft vandaag geholpen, om ons niet platzak te doen thuiskomen—een paar wilde ganzen, een koppel sneeuwhoenders, en drie blauwvossen! Natuurlijk doet gij ons het genoegen en behoudt de vellen van die dieren—tenminste als wij de huid niet al te zeer met onze kogels beschadigd hebben!

—Hebt gij die vossen met een kogel en niet met hagel geschoten, Mijnheer? riep Jack vol bewondering uit. Dan maak ik u mijn compliment! Dat is zeker niet ieders werk! De blauwvos is zeer snel en schuw! En luister nu! Ik zou u niet gaarne willen wegjagen, maar als gij nog een dagreis verder naar het Noorden trekt, zult gij daar een gebied vinden, waar nog veel zilvervossen te vinden zijn, en veel meer beren nog dan hier! Ik zelf denk er over een paar weken heen te gaan, als er hier niets meer voor mij te doen valt.

—Ik neem uw goeden raad dankbaar aan, mijn waarde Jack, zeide Raffles. Wij mogen ook niet langer misbruik maken van uw gastvrijheid, want jonggehuwden—zoo heb ik altijd hooren zeggen—willen liefst maar zooveel mogelijk alleen zijn!

—O, maar daar kunnen wij altijd nog genoeg van profiteeren, mijnheer! riep Grace met een helder lachje uit. Er gaan weken voorbij, zonder dat wij hier iemand zien passeeren!

—Dat is zoo—maar in de laatste dagen schijnt het mij toch toe, dat ik veel personen door de bergpas zie trekken die mijn huis voorbijgaan—in de richting van Meadow Hill, zeide de jonge pelsjager peinzend. Eenigen tijd geleden sprak ik een houthakker, die daar vandaan kwam, en die mij zeide, dat er geruchten de ronde doen, als zou er daarginds weder goud zijn gevonden!

—Wat of waar is dat Meadow Hill? vroeg Charly Brand nieuwsgierig.

—Des zomers kan men het in enkele uren bereiken, te paard. Maar nu zou men er wel een dag voor noodig hebben. Het ligt aan de Tanana op dezen oever.

—Wat is het—een stad, een dorp? vroeg Charly verder.

—Noch het één noch het andere, mijnheer! antwoordde Jack. Een half jaar geleden was het er nog niet. Maar toen werd er gemompeld dat er daar ergens goud te vinden was—en in een ommezien ontstond daar toen een nederzetting. Ik spreek niet graag kwaad—maar het is meerendeels ontuig, dat daar in zoo’n nederzetting woont, die als bij tooverslag uit den grond is gerezen, mijnheer! Luiaards, dobbelaars, leegloopers en dieven, alles vindt je daar. De gouddorst drijft er het uitschot van deze streek heen—en om de waarheid te zeggen, is dat toch al niet veel bijzonders—de goeden niet te na gesproken! Ik behoef U niet te zeggen, wat daar het eerst wordt gebouwd, als er maar een paar dozijn goudgravers zich vereenigd hebben—een kroeg! [6]En het tweede gebouw is.….. meestal weer een kroeg! Een kerk of een school behoeft men er niet te zoeken—die zouden toch leeg staan. Maar toch gaat er wel eens een moedig predikant heen, die zich aan de grootste gevaren blootstelt, om de bandieten te leeren, dat zij elkander niet om ieder wissewasje een kogel door het hoofd moeten jagen.

—Prettig wonen zal het daar zijn! merkte Henderson langs zijn neus op.

—Mijnheer, het is er een hel voor ieder man met een greintje beschaving! riep Grace vol afschuw uit. En ik beklaag de arme vrouwen die daar komen!

—Wonen daar vrouwen? vroeg Charly verwonderd.

—Ja, maar negentig procent is niet veel zaaks, mijnheer! gaf Jack te kennen. Zij bedienen in de kroegen, en zij moeten de jongens aandrijven tot altijd meer drinken—dat is winst voor den baas, en voor haar ook, want zij krijgen een paar procenten van den verkoop. Het heet wel dat de verkoop en het slijten van sterken drank verboden is—maar doe er eens wat tegen!

—Daar is dus in het geheel geen politie? vroeg Henderson vol belangstelling.

—Men kan wel zien, mijnheer, dat gij zoo kersversch uit Europa hier zijt gekomen! antwoordde Jack glimlachend. Politie! Ja, er bestaat zoo iets als de bereden North West Police, en ik zal de laatste zijn, om iets af te dingen op den persoonlijken moed van die mannen—dien zij dan ook wel noodig hebben, want hun baantje is een hondenbaantje! Maar hoe wilt gij, dat die paar honderd man, over een gebied van eenige honderden mijlen verspreid, en waarvan altijd de helft moet uitrusten, de orde handhaven? Als zij een misdrijf kunnen constateeren, dan is het louter toeval! Denk eens wat het beteekent, om in dit jaargetijde, in een land waar heel weinig paarden, en in het geheel geen spoorwegen zijn, van de eene plaats naar de andere te reizen! Ik spreek niet van de groote plaatsen—die hebben een vrij goede politie, maar die heeft daar dan ook haar standplaats, en heeft niets te maken, met wat er elders voorvalt.

—Sakkerloot—dat is dan heel wat anders dan het baantje van de Londensche „Bobbies”! riep Henderson uit.

—Dat moogt gij wel zeggen, mijnheer! vervolgde Jack. Vaak is zoo’n man geheel alleen—alleen met zijn revolver, zijn paard of zijn honden. Hij hoort op zijn tijdelijke standplaats iets van een moord ergens—hij spant zijn hondenslede met tien of twaalf honden in, kijkt zijn geweer en zijn revolver na, pakt zijn zak met levensmiddelen, bestudeert de kaart eens, en gaat in zijn slede zitten—en dan moet hij maar zien dat hij den moordenaar te pakken krijgt!

—Bij zoo’n arrestatie zal het wel niet altijd mak toegaan? vroeg Charly, die belangstellend had toegeluisterd.

—Wel mijnheer—van de tien keeren wordt de agent drie maal neergelegd, en drie maal ontkomt de moordenaar! En ik verzeker U dat het geen grapje is, een gevaarlijken misdadiger geheel alleen over een afstand van vaak duizenden mijlen te moeten vervoeren! Zoo is het in Canada, en zoo is het hier! En nu spreek ik er niet van dat de honden ziek kunnen worden op drie of vier dagreizen van eenig station, of dat de wolven komen opzetten, of dat een troep bandieten den agent overvalt.….. Neen, er zijn onder de agenten ook wel rare snuiters—maar men moet hen nageven, dat zij mannetjesputters zijn, gehard als staal, moedig als een leeuw, slim als een vos en taaier dan buffelleer!

Hij zweeg even en vervolgde toen:

—Als er nu een nieuwe nederzetting wordt gevormd, zooals die van Meadow Hill, dan komt de politie eens kijken—en dan kan zij verder niet veel doen, vooral des winters als alles onder de sneeuw ligt. Er is geen denken aan, in zulke posten een permanente politiemacht te vestigen—dan zou men het korps met een honderdduizend man moeten uitbreiden, en dat gaat niet—nog afgezien van de vraag of een kleine afdeeling genoeg eerbied zou kunnen afdwingen. En daarom zijn de toestanden hier nog juist zooals zij een halve eeuw geleden waren! Ieder is hier zich zelf het naaste, en moet maar zorgen, dat hij aan het langste eind trekt. De revolvers zitten hier los in den holster, ziet gij.

—Dan zullen wij dus goed doen, een weinig op onze hoede te zijn, als wij daarginds komen! merkte Raffles glimlachend op.

—Dat zou ik u aanraden! antwoordde Jack. Sommige kerels zien er geen been in, u voor een handvol stofgoud om zeep te brengen! Een menschenleven is hier minder waard dan in Europa, ziet gij! Maar, gij zijt met drie mannen—en ik meen reeds [7]opgemerkt te hebben dat gij niet voor een klein gerucht vervaard zijt! Dat is veel waard. Maar toch—wees voorzichtig, en laten zij daarginds niet merken, dat gij geld of kostbaarheden bij U hebt, want als hun hebzucht eenmaal is gaande gemaakt, dan staan zij voor niets!

—Wij zullen uw raad indachtig blijven, waarde Jack! zeide Raffles. Gij spraakt zooeven van geruchten alsof er goud in deze streek gevonden zou zijn. Is daaromtrent dan nog niets naders bekend?

—Mij althans niet, mijnheer! antwoordde de pelsjager. Maar ik heb in dagen niemand gesproken, en weet alleen, dat er geruchten de ronde doen, van een rijken goudader, die niet ver van Meadow Hill ontdekt zou zijn. Daarom trekken nu ook sedert eenige dagen zooveel mannen naar het Noorden.

—Nu wij zullen zien, wat het is—al denken wij niet zelven aan het delven naar het kostbare metaal mede te doen, hernam Raffles. Want gij hebt de lust bij mij gewekt, den kant van Meadow Hill op te gaan, en daar naar wild te speuren!

—Als gij nog twee dagen wilt wachten, mijnheer, dan vergezel ik u daarheen, want ik moet mijn voorraad patronen en vallen vernieuwen—en Meadow Hill is het dichtste bij. Daar is een winkel waar van die dingen verkocht worden.

—Niets zal mij liever zijn, Jack! gaf Raffles ten antwoord. Maar kun je je jonge vrouw zoolang alleen laten?

—O, dat ben ik wel gewend, mijnheer! riep Grace lachend. Ik doe de bouten stevig op de deur en ik kruip bij het vuur, en wacht tot Jack terugkomt. En als er onwelkome bezoekers komen—wel, ik weet met geweer en revolver om te gaan!

—Nu, als dat zoo is, dan wenschen wij niets liever dan gebruik te maken van het vriendelijk aanbod van Jack! hernam Raffles. Hij kent hier zeker den weg beter dan wij, en zijn hulp zal ons van groot nut zijn.

Het middagmaal was nu gereed, en allen zetten zich aan de ruwhouten tafel—niets anders dan een schijf hout, gezaagd uit den meterdikken stam van een reusachtigen spar, op een zwaren stronk, die al heel stevig in den bodem bevestigd was,—want de hut was eenvoudig om de tafel heengebouwd, en de stronk was met zijn eigen wortels in den bodem verankerd.

Het vertrek werd verlicht door een soort lamp, bestaande uit een ledig petroleumblik, voor de helft gevuld met rendiervet, waarin een lange katoenen pit dreef.

Aldus heerschte er een schemerig licht in het vertrek, juist voldoende om elkanders gelaat te kunnen onderscheiden.

De eigenaardige scherpe lucht van gedroogde vellen vulde de ruimte.

Maar het jonge paar scheen hier reeds lang aan gewend te zijn, en merkte het in het geheel niet meer op.

Deur en venster waren stevig gesloten, want er heerschte daarbuiten op de vlakte een hevige koude.

Nu en dan, als het gesprek een oogenblik ophield hoorde men heel in de verte het langgerekt gehuil van een hongerigen wolf.

De drie jagers waren zeer vermoeid en allen begaven zich vroeg ter ruste, het jonge echtpaar op de breede rustbank, de drie reizigers op de huiden, van de rest van het vertrek afgescheiden door een soort gordijn van aaneengenaaide huiden van den blauwvos vervaardigd, welk gordijn als de waarde eens naar den stand der Europeesche markt ware berekend, zeker veertig duizend pond sterling zou hebben bedragen!

De drie reizigers sliepen bijna negen uur aan één stuk en werden verfrischt en geheel hersteld van de vermoeienissen van den vorigen dag wakker.

Het bleek dat Jack en zijn vrouwtje reeds eenige uren op de been waren, en het ontbijt reeds hadden klaar gemaakt.

De drie Engelschen behoefden zich niet aan te kleeden, want de koude was zoo fel geweest, dat zij zich alleen van hun dikke overpelsen ontdaan hadden en gekleed en wel onder de zware dekens waren gekropen.

Maar nu begaven zij zich naar het waschhok waar een groot vuur was aangelegd en reinigden zich daar terdege met heet water, waarna zij zich afwreven met sneeuw, totdat hun lichaam begon te gloeien.

Aldus geheel verfrischt, namen zij aan de tafel plaats, waar reeds de heete thee dampte, en brood, boter, honig en een soort schapenkaas stonden te wachten.

Om tien uur zou worden opgebroken.

Jack joeg zijn trekhonden bijeen, kleine maar zeer sterke en snelle dieren, wier vacht thans zuiver [8]wit was, en spande ze niet zonder vrij wat gevecht en onderling geharrewar voor de groote slede.

De twaalf honden werden twee aan twee voor het voertuig gespannen dat hierop beladen werd met de bagage van de drie reizigers, hun wapens en munitie en een welgevulden knapzak.

En daarop namen de drie mannen afscheid van hun lieve gastvrouw.

Raffles nam de kleine, stevige hand van Grace in de zijne, en zeide op ernstigen toon:

—Gij woont hier in een wilde, onherbergzame streek—maar uw hart is beter dan van menig beschaafde Europeaansche! Geld behoef ik u niet eens aan te bieden want ik weet zeker dat gij het toch zoudt weigeren. Neem dan de verzekering van ons aan, dat wij uwe gastvrijheid op hoogen prijs hebben gesteld, en die nimmer zullen vergeten.

Het jonge vrouwtje had een kleur van pleizier gekregen bij deze korte toespraak en zeide vroolijk:

—Het had werkelijk niets om het lijf, mijnheer—en het deed mij en Jack zoo’n groot genoegen eens echte heeren bij ons te zien!

Charly Brand lachte hartelijk om dit naieve compliment maar Henderson zeide hoogst ernstig:

—Maar ik ben geen heer, madame Brunt! Ik ben de bediende van mijnheer hier!

—Dat doet er niet toe—daarom zijt gij evengoed een gentleman! hernam Grace vroolijk, en toch met een ernstig trekje om den rooden mond.

Zij bleef, met haar bonten kap over het hoofd en haar mantel van vellen om de schouders op den drempel van de ruwe deur staan om de vertrekkenden zoo lang mogelijk na te zien, nadat zij met een innige omhelzing afscheid van haar jongen echtgenoot had genomen.

Hoewel het nog altijd zeer koud was, kon men de temperatuur toch dragelijk noemen, hetgeen veroorzaakt werd door de bijna volmaakte windstilte.

De zon stond aan den hemel en deed de sneeuw als purper gloeien.

De honden rukten ongeduldig aan de strengen en schoten als een pijl uit den boog vooruit, toen Jack hen met een zonderlingen kreet aanzette.

Met verbazing merkte Charly op, dat de honden niet bestuurd werden met behulp van teugels, maar dat Jack het eerste span leidde met een zeer lange staak, welke hij nu en dan licht tegen hun nekken drukte.

Dan week het eerste span een weinig uit en de andere honden volgden van zelf.

—Nu galoppeeren zij nog—maar dat zal hun wel spoedig gaan vervelen! zeide Jack lachend. Dan gaan zij in draf—maar dat gaat ook nog vlug genoeg, dat verzeker ik U!

—Hebt gij dat dan niet in uw macht, even als bij een paard, mijnheer Jack? vroeg Henderson.

—Nu, dat zou ik niet gaarne durven zeggen! antwoordde de jonge pelsjager. De trekhonden zijn namelijk zeer eigengerechtigd, ziet gij! Zij zijn sterk en schrander—maar zij hebben hun eigen wil, en het dient tot niets, den onzen daartegen te willen stellen. Want dan worden zij koppig en als men aanhoudt zelfs gevaarlijk—er zit nog altijd veel van den wolf in die Eskimo-honden. Er hangt echter veel af van de behandeling. Om de zweep geven zij weinig of niets. En als zij onderling eens ruzie krijgen doet men verreweg het verstandigst er zich in het geheel niet mede te bemoeien, maar rustig af te wachten tot zij uit vermoeidheid vanzelf ophouden!

—En hoe zit het dan met het tuig? wilde Henderson weten.

—Ja, dan kunt gij uitstappen, en de strengen uit elkaar zoeken en dat duurt wel eens een half uurtje! antwoordde Jack lachend. Maar ik herhaal dat het in het geheel geen doel heeft te pogen, tusschen beide te komen! De honden zouden zich eenvoudig tegen u vereenigen! Maar ik mag geen kwaad van mijn dieren spreken, want over het algemeen zijn het flinke trouwe dieren, die hun werk goed en met lust doen. Zeker—zij takelen elkander wel eens toe,—maar dan wachten zij tenminste tot het werk gedaan is!

De slede gleed, terwijl dit gesprek gevoerd werd, met groote snelheid over de bevroren sneeuw, die hier zoo glad als een spiegel was.

Toen zocht Jack de Tanana op en volgde den stroom.

En reeds spoedig werd het duidelijk dat de eenzaamheid van het landschap niet meer bestond,—menschen waren hier voorbij getrokken of trokken nog langs, en allen oogenschijnlijk met denzelfden vurigen wensch bezield—dien om het „beloofde land”, waar zij goud in overvloed hoopten te vinden, zoo spoedig mogelijk te bereiken.

Te voet, te paard, in hondensleden trokken de [9]goudgravers voorbij, naar die verre streken, waar hun begeerte hun de grootste rijkdommen voorspiegelde, met geringe inspanning te verkrijgen.

Allen waren zwaar bepakt, en allen waren het mannen.

Men zag geen enkele vrouw, geen kind—niets dan mannen, de meesten in de kracht van hun leven, maar toch ook enkelen die reeds met één voet in het graf schenen te staan, en die toch geen weerstand hadden kunnen bieden aan hun verlangen daarginds in korten tijd rijk te worden.

Om een uur werd halt gemaakt, om de honden wat rust te geven en een stevigen maaltijd te gebruiken.

Jack en Henderson maakten een vuur aan, met behulp van droge sparrentakken uit het naburig bosch gehaald, en tegen den voet van een kalen rots dicht bij den rivieroever opgestapeld, en daarop bereidde de pelsjager binnen een half uur een kostelijke soep van berenvleesch en Charly moest zich zelf bekennen, dat het vleesch van den beer de vergelijking met het fijnste kalfsvleesch met glans kon doorstaan.

Daarop werd de tocht hervat.

En hoe verder naar het Noorden de reizigers trokken, hoe dichter de stroom mannen werd, die door den goudkoorts naar deze barre streken waren getrokken, en waarvan zeker de helft niet meer zou terugkeeren.

Zwijgend en gebukt onder de vracht hunner pakken, trokken die mannen langs den eenigen gebaanden weg die hier naar Meadow Hill voert, allen gewapend met geweer of revolver of beiden, de schop over den schouder, gekleed in de dikste jassen, welke zij bezaten, en die toch lang niet voldoende waren om hen te beschutten tegen de hevige koude die in deze Noordelijke streken heerschte.

Als onder betoovering zwoegden zij voort, den blik naar den gezichteinder gericht.

Uit alle streken van Amerika waren zij komen toesnellen, op het eerste gerucht dat er weer goud ontdekt was—en zelfs brachten de booten uit andere werelddeelen reeds duizenden vreemdelingen aan, waarvan er echter zeer velen dadelijk weder werden teruggestuurd omdat zij lezen noch schrijven konden, en ook geen Engelsch verstonden, wat, volgens de nieuwe strenge immigratie-wetten, volstrekt noodig was.

Om vier uur begon de duisternis te vallen maar nog altijd draafden de honden onvermoeid voort, door hun onfeilbaar instinct geleid.

Jack behoefde trouwens geen vrees te koesteren dat de dieren van den goeden weg zouden afraken, want de Poolnachten zijn in dezen tijd van het jaar nooit volkomen duister.

Altijd blijft er een geheimzinnige schemer hangen, in Europa volkomen onbekend, en die het mogelijk maakt op verre afstanden de voorwerpen nog te onderscheiden.

Eindelijk om acht uur in den avond, doemden de lichten van Meadow Hill, na een kromming van den weg die tusschen de hooge heuvels doorliep, eensklaps voor de reizigers op.

Nog een kwartier, en onder luid zweepgeknal gleed de slede de nederzetting binnen.

Het was er nog roerig en druk in de nauwe hoofdstraat, de eenige overigens van het gehucht, waarop slechts eenige zeer korte zijstraten uitkwamen, drie in getal.

De huizen waren er zonder uitzondering van hout, sommigen met een dak van gegolfd plaatijzer, en de meesten met een soort voortuintje, waar des zomers een paar planten en bloemen hun armelijk bestaan rekten, maar die meerendeels al spoedig tot vuilnisbelten ontaard waren.

Uit een tamelijk groot huis klonk harmonica-muziek en het gillend gelach van een dronken vrouwenstem.

Voor het huis liep een galerij, een meter boven den grond, van een lage leuning voorzien.

Daar hingen eenige gekleurde lampions, die hun licht uitstraalden op de sneeuw, die hier morsig en goor was, door de vele voetstappen, die er dagelijks over gingen.

Dit huis was de goorste kroeg van de plaats „De Blauwvos” geheeten en hier zwaaide Bill Rednose den scepter. [10]