De slede gleed echter het danshuis voorbij, en hield pas stil voor een soort logement, waar nog licht brandde ofschoon men in deze streken gewoon was de lichten vroeg te dooven.
Het was het eenige logement, voor reizigers als Raffles en zijn metgezellen te gebruiken.
Op de drie treden, die naar een soort voorgalerij voerden, zaten eenige slampampers, zooals men die in bijna alle kleine Amerikaansche plaatsjes bij de stations en logementen aantreft, en die hun brood op een zeer geheimzinnige manier schijnen te verdienen, namelijk door den geheelen dag op een strootje te kauwen en naar de gaande en komende reizigers te staren.
Deze heerschappen keken met onverholen verbazing naar de slede met de twaalf honden bespannen, hetgeen reeds op een zekere mate van welstand van den eigenaar wees, maar meer nog naar de inzittenden.
—Halloh! old Jack! riep een hunner, die den pelsjager scheen te kennen. Waar gaat dat naar toe?
—Voorloopig nergens heen, Mike! antwoordde Jack kortaf. Ik blijf hier.
—Je hebt daar fijne lui bij je, hé? Mooie geweertjes—rijke spullen! Ben je voerman geworden, ouwe jongen!
—Raakt het je wat, Mike? kwam Jack ongeduldig. Vooruit, maak eens wat plaats—de menschen kunnen er bijna niet door!
Maar de heer Mike scheen niet veel haast te hebben.
Zijn loensche blik gleed over de gestalten der reizigers, die zoo juist uit de slede waren gestapt, en nu de drie treden van de galerij bestegen.
Hij bewoog zich niet, maar bleef kalm zitten waar hij zat, het strootje in zijn grooten mond van den eenen kant naar den anderen verschuivend.
Zijn makkers keken grinnikend toe.
Als Mike zoo’n grap uithaalde,—dan kon het best worden!
Maar er was een ding, waarop de makkers van mijnheer Mike nog niet voldoende acht hadden geslagen.
Dat ding luisterde naar den naam van Henderson.
Hij zag, dat men den toegang aan zijn meester een weinig dreigde te versperren en dat was ruimschoots voldoende hem handelend te doen optreden.
Zonder zijn pas ook maar een oogenblik te vertragen, nam hij in het langsloopen heer Mike in den nek en tilde hem van zijn plaats om hem pas boven aan de treden weder neder te zetten, behoedzaam als vreesde hij iets van het kostbare lichaam te breken.
Als met stomheid geslagen keken de vrienden van Mike toe—vol vrees voor de gevolgen en ook met een weinig leedvermaak, want Mike was een groote bluffer, en een geweldige vechtersbaas.
Deze heer zelf was door de handelwijze waarvan hij het slachtoffer was geworden in de eerste oogenblikken zoodanig verbluft, dat hij geen vin verroerde.
Maar toen sprong hij op de been, bracht de hand naar zijn revolvertasch, en brulde:
—Wie heeft daar de hand durven slaan aan Mike Penalty?
—Ik! antwoordde Henderson leukweg. Je zat in den weg, vadertje, en daarom heb ik je op zij geschoven—je scheen niet te hooren wat mijnheer Jack tegen je zei!
—En denk je dat ik dat zoo maar toelaat? schreeuwde Mike, die blijkbaar niet geheel en al nuchter was.
—Natuurlijk denk ik dat! antwoordde Henderson kalm. Waarom zou je het niet toelaten?
Bijna stikkend van woede brulde Mike:
—Waarom?.….. Wel voor den duivel.….. dat heeft nog nooit iemand in Meadow Hill mij durven doen!
—Nu, dan was ik de eerste! hernam Henderson [11]rustig. En schreeuw nu niet langer zoo als een bezetene, maar laat ons door. Wat is dat hier voor een hotel waar het zoo smoorvol zit met allerlei gespuis?
De vier mannen waren nu de treden opgegaan, en de eigenaar verscheen, een dikke, kaalhoofdige man, die er voor deze omgeving tamelijk presentabel uitzag.
Hij droeg een soort boezeroen van katoen, met groote ruiten en daaroverheen een schapenpels.
De man was blijkbaar niet weinig verbaasd over de eer die hem te beurt viel want met den eersten oogopslag had hij gezien, dat de jagers, die bij hem een onderdak zochten, rijke en beschaafde lieden moesten zijn—en die kwamen in zijn streek slechts sporadisch voor!
—Dat is Perry Finn! stelde Jack den logementhouder aan zijn drie vrienden voor, en hij duwde hen snel naar binnen, daar hij kwade gevolgen vreesde van het optreden van den reus, al voelde hij er persoonlijk nog zooveel bewondering voor.
—Gij hebt zeker wel een paar kamers voor ons? vroeg Raffles, zoodra de deur was dicht gevallen, en hen afsloot van Penalty en consorten die nog altijd niet van hun verbazing en woede bekomen waren.
—Natuurlijk, Uwe Edelheid! antwoordde Finn met een grijnslachje, dat al zijn gele tanden ontblootte. Ik heb de beste kamers van de geheele nederzetting. Gij gaat zeker naar de goudvelden?
—Neen vriend, antwoordde Raffles kortaf. Wij denken van hieruit te gaan jagen, dat is alles.
Dit verwonderde Perry Finn blijkbaar ten hoogste!
Hij kon zich niet voorstellen dat men om andere reden zich aan zooveel gevaren blootstelde, en zich zoover noordelijk waagde, om iets anders dan om naar goud te delven. Maar de zaak werd er voor hem des te voordeeliger om want nu zouden de drie vreemdelingen zeker langer bij hem blijven en niet reeds den volgenden dag weder vertrekken.
Finn ging zijn gasten voor naar de groote gelagkamer, zeker het voornaamste vertrek in zijn inrichting.
Van steen was nergens een spoor te ontdekken, behalve de vloer van den grooten haard waar thans een geweldig vuur brandde.
Voor het overige was het geheele logement uit dikke boomstammen opgetrokken.
De vloer van de gelagkamer bestond uit vastgestampte aarde, waarover een dun laagje zand was gestrooid, het buffet was uit dikke planken getimmerd, en met een stuk spiegelglas versierd, dat een zijner hoeken miste, en misschien het eenige in de geheele nederzetting was.
In een der hoeken leidde een trap van vijf treden naar een soort gaanderij, waar eveneens stoelen en tafeltjes waren neergezet en vanwaar men een goed gezicht had op de gelagkamer die ook vaak als danszaal werd gebruikt.
Op de gaanderij kwamen eenige afzonderlijke kamertjes uit, die door een gordijn konden worden afgesloten en welke Finn trots zijn „cabinets particuliers” noemde.
In een ding was „De Groote Beer” echter achter bij „De Blauwvos”,—men kon er geen champagne krijgen, en dat kon men in de kroeg van Bill Rednose wel, al zou men er voor het goedje in het minste café van New-York ook den neus voor hebben opgehaald.
„De Blauwvos” had ook veel meer van die kleine vertrekjes—en Bill Rednose had zich de goed betaalde diensten verzekerd van een zestal meisjes, die als lokvogels moesten dienen, en des avonds, zwaar geschminkt en geparfumeerd door de danszaal slenterden, en met hun lonkjes en lachjes de gelukkige goudzoekers tot drinken moesten aansporen.
Op het oogenblik dat Raffles en zijn reisgezellen met Finn en Jack de gelagkamer binnentraden, bevonden zich daar slechts weinig gasten, want vele inwoners van Meadow Hill hadden eens een kijkje willen nemen in het pas ontdekte gebied, ofschoon daar reeds vele gelukzoekers bitter teleurgesteld van waren teruggekeerd met de boodschap dat er misschien van alles te vinden was in die streek—maar goud zeker niet!
Finn maakte zich dan ook geen oogenblik ongerust over zijn schaapjes die nu tijdelijk waren afgedwaald, want vroeg of laat zouden zij toch weer naar de nederzetting terugkeeren.
Men moest in deze streek hard werken, om het goud uit den bodem te halen—maar men vond het tenminste!
Perry Finn was de gelagkamer dwars overgestoken, en geleidde nu zijn nieuwe gasten, die door de aanwezigen nieuwsgierig en wantrouwend werden nagekeken, naar de gaanderij, waarop een paar deuren [12]uitkwamen die tot de logeerkamers bleken te behooren.
Hij opende twee dezer deuren en zeide:
—Treedt binnen heeren—deze twee vertrekken zijn de beste uit mijn etablissement!
De drie Engelschen gingen het vertrek binnen, welks deur door Finn werd opengehouden, wat wel noodzakelijk was, want het huis stond zoo scheef, dat alle deuren vanzelf openvielen als men ze niet op slot deed, en zagen, dat het alles bijeengenomen, inderdaad niet zoo slecht was.
Er stond een vrij goed bed, met een drietal dikke dekens bedekt, een paar stoelen, met rieten zittingen, de onvermijdelijke schommelstoel die in geen enkele Amerikaansche kamer schijnt te mogen ontbreken, en een ruw getimmerde waschtafel waarop een gekramde kom en een blikken lampetkan.
Bij het eenige raam was een kleine tafel geschoven, eveneens een gewrocht van de nijvere handen van Perry Finn.
Raffles wierp een blik door het venster, en zag dat de vensterbank zich ongeveer twee meter boven den beganen grond bevond.
En verder zag hij tegen de achterzijde van de houten huisjes van een kleine dwarsstraat, waar goed te drogen hing, en honden wroetten in het vuil, hetwelk de bewoners daar hadden neergeworpen.
Bij wijze van trottoir was een houten voetpad langs de eene zijde van den weg aangebracht bestaand uit vier naast elkander gelegen rijen planken, die op geregelde afstanden met wiggen waren vastgeslagen.
De goot werd eenvoudig gevormd door een smalle geul, in de aarde uitgegraven met een flauw verval, waardoor het spoelwater en andere ongerechtigheden verondersteld werden, hun loop buiten de nederzetting te nemen.
Raffles had Charly even met den blik geraadpleegd en zeide nu:
—Het is in orde vriend—wij blijven hier. Ik heb een hond bij mij zooals gij ziet! Die kan toch ook hier blijven?
—Wel natuurlijk, Uwe Edelheid! riep Finn haastig uit. Dat is hier gebruik! Honden of menschen—dat scheelt hier niet veel—en de vergelijking valt in de meeste gevallen ten gunste van de honden uit!
—Kunnen wij iets te eten krijgen? vroeg Raffles die zich reeds van zijn zware pels ontdaan had.
—U treft het—wij hebben vandaag een schotel wild varkensvleesch! Met zuring! En ingemaakte vruchten!
—Laat ons dan spoedig iets brengen en geef vier borden—mijnheer Brunt zal ons de eer aandoen met ons het middagmaal te gebruiken.
—Dan wilt gij mij wel veroorloven eerst mijn inkoopen te doen, mijnheer? vroeg de pelsjager. Mijn leverancier is nu misschien nog of weer nuchter, ziet gij? voegde hij er lachend aan toe. Morgenochtend wil ik weer vroeg terug gaan, en dan heeft hij meestal zijn roes van den avond te voren nog niet uitgeslapen!
—Doe dat, en laat ons niet te lang op U wachten! zeide Charly lachend.
Jack vertrok dus om zijn patronen en nieuwe vallen, geweervet en verduurzaamde groenten in te slaan.
Een half uur later keerde hij met dien voorraad terug, juist toen een soort bediende, een magere, geelbleeke man met een smerig boezelaar voor, de dampende soep in het logeervertrek binnendroeg.
Zooiets was nog nimmer gezien in „De Groote Beer” want daar at men steeds in de gelagkamer en de bediende beefde dan ook van ontzag en eerbied.
Zoodra de deur achter hem gesloten was begon Jack met gedempte stem:
—Als ik u een goeden raad mag geven mijnheer, dan neemt gij u hier zooveel mogelijk in acht! Wat onze vriend Henderson zooeven gedaan heeft—wel, ik geloof dat ik zijn plaats, en als ik over zijn geweldige lichaamskracht beschikte, evenzoo zou hebben gedaan! Maar—men haalt zoo iets niet ongestraft uit met een man als Mike Penalty! De kerel is in de heele streek berucht,—en dat wil hier iets zeggen, dat verzeker ik U! Zooeven liep ik in het donker een kleine groep voorbij, en ik hoorde Mike duidelijk zeggen dat hij het Henderson nog wel eens zou inpeperen!
—Ik had ook liever gezien dat je dit niet gedaan had, Henderson! kwam Raffles op ernstigen toon. De zeden zijn hier eenmaal zeer ruw, en daarmede moeten wij rekening houden.
—Maar, Mylord—de schoft wilde u niet doorlaten! riep Henderson verontwaardigd uit. Moest ik die onbeschaamdheid dan niet straffen? Ik heb hem immers in het geheel geen pijn gedaan?
—Neen—maar gij hebt hem een mal figuur laten slaan tegenover de kerels, die steeds zooveel [13]eerbied voor zijn sterke vuisten en zijn revolver hebben, Henderson! hernam Jack. En dus—neem u zooveel mogelijk in acht—en vertrek liever vandaag dan morgen weder.
—Ho, ho! Zoover zijn wij nog niet! riep Raffles uit. Denkt gij, dat wij ons jachtvermaak in den steek zullen laten en op den loop zullen gaan, omdat mijnheer Mike Penalty ons boos belieft aan te kijken? Dan kent gij ons toch nog niet, mijn waarde Jack! Neen, wij blijven juist zoo lang als ik mij had voorgesteld—en ik zal eenvoudig den burgemeester van de plaats vragen een oogje in het zeil te houden!
—De burgemeester? riep Jack op ongeloovigen toon. Denkt gij dan, dat hier zooiets te vinden is?
—Niet? vroeg Charly verbaasd. Maar wie bestuurt dan in ’s hemelsnaam de nederzetting?
—Die wordt niet bestuurd! antwoordde Jack kalm. Ieder is hier zijn eigen meester.
—En als er dan eens een misdaad gepleegd wordt?
—Dan maken de goede elementen onder de mannen jacht op den moordenaar of op den paardendief—en als zij hem vatten, wordt hij aan den eersten den besten stevigen tak opgehangen!
—Zonder rechtbank? vroeg Raffles.
—Zonder rechtbank.
—En—gebeuren er dan nooit vergissingen?
—Soms—maar de mannen troosten zich met de wetenschap dat van de tien gehangen boeven negen toch zeker hun straf verdiend hebben—en dat het jammer is van den tiende, die bij vergissing de strop om den hals kreeg!
—Lief land! bromde Henderson grimmig.
—Ik erken, dat de toestand niet ideaal is, hernam Jack glimlachend. Maar wat wilt gij? Deze nederzetting is als bij tooverslag uit den grond gerezen. Men vond hier in de buurt goud, en deze plek was het gunstigst om er een dorp te bouwen—dicht bij een bosch, dat het hout voor de huizen leverde, niet ver van een riviertje, en op de helling van een lagen heuvel, waardoor het sneeuwwater in de lente snel afloopt. De mannen die deze nederzetting zoo snel bouwden zijn allen ruwe, en voor een deel zelfs gewetenlooze kerels—van gezag willen zij niets hooren en hoogstens benoemen zij een soort besturend lichaam, een sheriff met een paar helpers,—maar dat is te Meadow Hill nooit geschied.
—Nu—dan zullen wij eenvoudig op onze goede geweren en onze revolvers vertrouwen! hernam Raffles koeltjes.
—Ik had eigenlijk geen ander antwoord van u verwacht, mijnheer! kwam Jack, maar ik herhaal mijn waarschuwing—kijk goed uit uw oogen, want die Mike deinst voor niets terug, als men eenmaal zijn wraakzucht heeft opgewekt—en zijn vrienden zijn wel niet talrijk, maar even schurkachtig als hij!
—Wij danken u oprecht voor uw goeden raad, Jack, en wij zullen hem zeker opvolgen! zeide Raffles, terwijl hij den pelsjager de hand toestak. Wij zullen dien mannen in het geheel geen aanleiding meer geven, ons kwaad te willen, en ik zal onzen vriend Henderson dus moeten verzoeken, zijn groote lichaamskracht voortaan aan andere zaken te besteden dan juist aan Mike Penalty!
—Het is een hard bevel, Mylord—maar ik zal trachten mij in te houden! kwam de reus.
De maaltijd liep ten einde en de bediende kwam de ledige schotels terughalen.
—Wat is hier ’s avonds nu zoo al te doen? vroeg Charly den man.
—Wel mijnheer—de danshuizen, waar gij ook spelen kunt als gij wilt, antwoordde de bediende. Bill Rednose heeft een speelzaal—maar bij ons gaat het veel fatsoenlijker toe! De meisjes van den boss zijn heel nette dames!
Charly keek Raffles meesmuilend aan en vervolgde:
—En de meisjes van Bill?
—Sletten mijnheer! antwoordde de bediende verontwaardigd. Niets anders dan sletten! Zij helpen de goudzoekers, die een gelukkigen dag hebben gehad tot het hemd uitplunderen—en ik durf niet herhalen wat de kroeg van Bill al gezien heeft!
—Nu, dan zullen wij daar eens heen gaan—het zal zeker wel belangwekkend zijn! kwam Raffles rustig.
—Dan heb ik u alleen maar te zeggen, mijnheer, kwam Jack, dat Penalty een trouw bezoeker is van de kroeg van Bill Rednose. Zij zijn gezworen vrienden!
—Nu, dat zal voor ons toch geen beletsel kunnen zijn! hernam Raffles. Wij zullen ons wapenen—en een oogje in het zeil houden! Zoudt gij ons willen vergezellen?
—Ik wilde het u juist voorstellen! antwoordde [14]Jack haastig. Mij kennen ze hier en het zal dan minder spoedig tot een uitbarsting komen. Laat u in geen geval verlokken om te spelen!
—Daarna heb ik geen oogenblik gedacht! zeide Raffles glimlachend. Ik wil alleen maar eens toezien hoe het „mondaine leven” in zulk een nederzetting is!
De drie Engelschen deden hun pelsen weder aan en verlieten hun hotel, nadat Raffles Fang aan de lijn had vastgemaakt.
De vier mannen volgden de hoofdstraat, die alleen verlicht werd door de petroleumlampen, die voor de vensters van enkele winkels stonden en de lampions in de galerijen der vele kroegen en danshuizen.
De koude was nog even hevig en de sneeuw kraakte onder de voeten van de zwijgend voortstappende mannen, want er was dien dag te Meadow Hill opnieuw veel sneeuw gevallen.
Op eenigen afstand kermde nog de harmonica en verderweg klonk het woedend geblaf van een hond.
Een paar malen moesten de mannen vlug op zijde springen voor een groote slede, met een twaalftal honden bespannen die als een schim voorbijschoot, bijna zonder gerucht te maken.
Drie malen had er ergens een schot gekraakt, maar niemand scheen er notitie van te nemen.
Alles bleef tenminste stil en duister.
De galerij voor de kroeg van Bill Rednose was tenminste helder verlicht door een tiental lampions, die roerloos aan hun ijzerdraden hingen.
In de opening van de deur stonden twee vrouwen, in korte rokjes, met pailetten bestikt, naakte armen en sterk gedecolleteerd.
Zij droegen het haar zeer hoog gekapt en in haar oogen fonkelden kleine diamanten.
Maar de koude dreef haar spoedig naar binnen en de deur ging dicht.
Een paar mannen gingen naar binnen en Raffles en zijn metgezellen volgden hen.
Hun komst baarde niet weinig opzien.
Dadelijk viel er een gespannen stilte, en zelfs de muziek van het kleine orkestje, een pianist, een violist en een fluitist scheen even te zwijgen.
De vier mannen stonden aan het begin van een groote danszaal, met een gaanderij om drie van de wanden—en ook hier de afgeschoten kamertjes die met een gordijn gesloten konden worden.
Zij zagen juist hoe een man, die op zijn beenen wankelde, zulk een kamertje binnenging met een der vrouwen die zooeven aan de deur waren verschenen.
Hij had een arm om haar middel geslagen en zijn hoofd ruste half op haar blooten schouder.
Met een vlugge beweging trok de vrouw het gordijn dicht en de twee waren aan het oog onttrokken.
In de zaal bevonden zich ongeveer vijftig mannen en een dozijn vrouwen en meisjes.
Bill Rednose stond achter zijn toonbank, een uitgedoofde sigaar in een hoek van zijn mond, en keek, met over elkander geslagen armen, de binnentredenden nieuwsgierig en niet bepaald onvriendelijk aan—men kon immers nooit weten of zij zijn zaak geen voordeel zouden doen.
Hij wenkte dadelijk een der meisjes die door de zaal drentelden, op zoek naar een prooi en zeide op fluisterenden toon eenige woorden tot haar, terwijl hij een hoofdbeweging in de richting van de vier mannen maakte.
Raffles merkte dadelijk de verkilling op die zijn verschijning onder de gouddelvers teweeg had gebracht en hij riep met luide stem:
—Mannen—wij zijn vreemdelingen, maar daarom denken wij er niet aan uw vreugde te verstoren! Gaat voort met dansen en zingen—wij komen hier niet als spelbedervers maar als toeschouwers, die desnoods een dansje mede willen doen!
Deze korte toespraak had blijkbaar een uitstekenden indruk gemaakt, want er ging een luid gejuich op, de muziek begon weder luid te spelen, en de paartjes dwarrelden door de zaal.
En daar de vrouwen zoozeer in de minderheid waren, grepen de mannen elkander om het middel, en tolden uitgelaten de zaal rond.
Dicht bij het buffet stond Mike Penalty met eenige vrienden.
Aan zijn zijde, met den arm op zijn schouder leunend, stond een nog jonge vrouw die misschien knap zou zijn geweest als haar gelaat niet de sporen vertoonde van een bandeloos leven en meer liefde voor de flesch, dan goed voor haar uiterlijk was.
Zij had blauwzwart haar, op Indiaansche wijze opgemaakt met twee groote wrongen ter zijde van de wangen, en twee vlechten, die over de schouders naar voren vielen.
Haar oogen waren groot en schitterden van een [15]somber vuur, terwijl zij naar de vreemdelingen keek.
Blijkbaar had men haar reeds medegedeeld welke beleediging men haren minnaar had durven aandoen.
Ook Mike staarde naar Raffles en zijn reisgenooten zonder zich te bewegen, maar met een blik in zijn grijsgroene oogen, die weinig goeds voorspelde.