[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

Jessie Barry.

De danspartij was weder in vollen gang, en niemand scheen zich meer om de vreemdelingen te bekommeren.

De vier mannen hadden aan een tafeltje op de galerij plaats genomen, en keken van daar op het drukke gewoel neder.

—Ik geloof niet, dat ik mij sterk vergis, als ik zeg dat daar in die kleine ruimte vertegenwoordigers van minstens vijftien rassen aanwezig zijn! zeide Raffles toen zij gezeten waren en iets hadden besteld.

Ik ontdek hier Russen, met platte neuzen en breede kaken, Armeniërs, Turken, Duitschers zoowel als Spanjaarden, Polen en Grieken! En dan zijn er bewoners uit Zweden, Serviers, Italianen, Mexikanen, Chileenen en nog andere bewoners van Zuid-Amerika! Het is een zonderling allergaartje—maar allen zijn zij aangetrokken door Demon Goud!

—En zij zijn allen goed gewapend ook, naar ik zie! merkte Charly droogjes op.

—Wel, zij zouden hun revolver evenmin kunnen missen als hun pijp, mijnheer! kwam Jack zachtjes. Er ontstaat hier om een wissewasje ruzie, en dan heeft de vlugste man altijd gelijk! Zij schieten onder hun halsdoek of soms dwars door het tafelblad op elkaar en als hier een of andere coupletzanger optreedt, en de stakker bevalt hun niet al te goed dan paffen zij hem eenvoudig van het tooneel!

—Wat zijn dat voor vrouwen en meisjes die ik daar zie? vroeg Charly vol belangstelling.

—Nu, veel zaaks is het niet, mijnheer Brand! antwoordde de jonge pelsjager op gedempten toon. Meerendeels lichtekooien, die naar hier zijn gekomen, in de hoop een deel van den buit machtig te worden.

—Maar is er dan in deze geheele nederzetting niemand die een weinig boven zijn omgeving staat, en eenigen invloed ten goede kan uitoefenen? vervolgde Charly.

—Er zijn zeker wel eenige mannen die beter zijn dan de rest, mijnheer—en dan behooren zij niet tot de gouddelvers, maar zij zijn dan houtkappers, jagers of strikkenzetters. En dan hebben wij hier den predikant.…..

—Een predikant? Hier? vroeg Raffles verrast. Er is dus een kerk?

—Neen, dat niet! antwoordde Jack. Hij heeft naast zijn huis een groote schuur, en daar houdt hij godsdienstige bijeenkomsten—maar de waarheid gebiedt mij te getuigen, dat zijn gehoor maar heel klein is.

—Hoe heet die man, die wel een zeer edel hart moet hebben, dat hij dit alles trotseert? vroeg Raffles.

—Barry, mijnheer, Richard Barry.

—En leeft die geheel alleen tusschen deze halve wilden?

—Neen, met zijn dochter Jessie.

—Wat? Er leeft dus in dezen poel van ellende en verderf nog een fatsoenlijke vrouw? riep Charly uit.

—Nog maar een meisje, mijnheer Brand! hernam Jack, zij is zeventien jaar!

—Ik zou die brave lieden gaarne eens opzoeken! [16]zeide Raffles peinzend. Het doet altijd goed als men eens tegenover waarachtig edele menschen komt te staan.….…. zij zijn zeldzaam!

—Morgen wil ik u gaarne naar hun huis brengen—als gij wat vroeg bij de hand zijt, mijnheer! Want ik vertrek om acht uur!

Raffles wilde iets antwoordden toen beneden in de zaal eensklaps, schijnbaar zonder eenige aanleiding, een woeste woordenwisseling ontstond.

In een oogwenk vlogen de revolvers uit de holsters.

Twee kerels, door drank beneveld, stonden als woedende stieren tegenover elkaar.

Hun rechtervuist omklemde het heft van een groot schitterend mes.

En voor iemand nog goed begreep wat er eigenlijk geschiedde, had een dier mannen met een bliksemsnelle beweging zijn vreeselijk wapen tot aan het gevest in het lichaam van zijn tegenstander geplonsd, die zonder eenig geluid in elkander zakte.

De vrouwen gilden hysterisch bij het zien van de dikke bloedstraal, die uit de diepe wonde gulpte.

Eenige mannen wilden den moordenaar grijpen, maar deze had zijn revolver getrokken, vuurde haar eenige malen af, en maakte van de korte verwarring gebruik naar den uitgang te snellen.

Het volgend oogenblik was hij verdwenen.

En toen hij eenmaal uit het gezicht was, dacht blijkbaar niemand er aan, hem te achtervolgen.

De doodelijk gewonde werd weggesleept—de bediende kwam met een emmer water aandragen en wiesch het bloed van den vloer—en tien minuten later draaiden de paren weder in het rond, alsof er niets was voorgevallen!

—Een lief volkje! bromde Henderson, die zich nauwelijks had kunnen bedwingen. Wat doen zij nu met dien kerel die den ander overhoop stak, als zij hem toevallig tegenkomen, mijnheer Jack? zoo wendde hij zich tot Brunt, die zich vol afkeer had afgewend.

—O, dan herinnert zich plotseling niemand iets meer van het geval! antwoordde de jonge pelsjager. Men klaagt hier niet gaarne iemand aan, ziet gij, de aangeklaagde heeft altijd wel vrienden—die vrienden hebben revolvers—en op een goeden dag vindt men den aanklager dood in zijn ravijn liggen …

—En in die omgeving leven die twee.….. de predikant en zijn jonge dochter, mompelde Raffles halfluid voor zich heen. Welk een innige, door niets aan het wankelen te brengen liefde voor den medemensch moet de twee wezens wel bezielen dat zij dit uithouden!

—Dat heb ik ook wel eens gedacht, mijnheer! kwam Jack nadenkend. Op de duizend menschen zijn er geen drie die het hun zouden nadoen. Ik zelf zou het na den tweeden dag hebben opgegeven—verondersteld dat ik aanleg had voor geestelijke. Het is toch alles boter aan den galg gesmeerd! Men kan evengoed voor de wolven preeken!

Een paar vrouwen hadden zich op dat oogenblik meester gemaakt van half of heel beschonken gouddelvers, die juist van een langdurigen tocht naar de goudvelden waren teruggekeerd, en waren in een paar der afgeschoten kamertjes met hun slachtoffers verdwenen.

De armzalige bediende kwam met champagne en rooden wijn aandragen.

—Ja, ja—en in zoo’n smerig hokje, met zijn tafel, zijn twee stoelen en zijn sofa verliest de man soms in een paar uren wat hij ten koste van onzegbare inspanning en ontbering in een maand won! zeide Jack op verachtelijken toon. Neen, dan houd ik toch meer van mijn eigen beroep, met alle gevaren die er aan verbonden zijn.

—En je hebt duizendmaal gelijk, mijn waarde Jack! riep Charly uit.

Intusschen ging het daar beneden hoe langer hoe woester toe.

Aan een groote tafel werd gekaart, en telkens laaide de twist opnieuw op onder de door den drank opgezweepte, ruwe mannen.

Plotseling werd de deur weder opengeworpen, en er trad een nieuwe gast binnen.

Hij was geheel gekleed in een pak, gemaakt uit de huid van den zilvervos, en een kap van hetzelfde bont verborg zijn hoofd bijna geheel.

Maar het was toch te zien dat de man jong en lenig was, en zeer groot.

Hij keek even rond, kreeg toen Jack in het oog, en wuifde hem met de dikke gehandschoende hand toe, waarop hij zich een weg door de dansende menigte begon te banen.

—Dat is Tom Hatters, een landgenoot en een collega, mijnheer! En een goed vriend daarbij! zeide Jack. Hij is de verloofde van Jessie Barry. Zij hopen over een jaar te trouwen.

De pelsjager had nu de galerij beklommen en stond [17]voor de vier mannen, die hij nieuwsgierig en vrijmoedig bekeek.

Jack kweet zich van zijn plicht door de drie Engelschen voor te stellen, en noemde toen nogmaals den naam van zijn vriend.

De jonge Schot sloeg echter het aanbod om plaats te nemen af en zeide:

—Ik wilde je maar even de hand drukken Jack, en vragen of je niet weet hoe het met Jessie staat! Het is nu natuurlijk te laat om nog een bezoek aan haar en haar vader te brengen—zij zijn zeker reeds naar bed gegaan. Ik ben drie weken onderweg geweest!

—Ik kan het je niet zeggen, Tom, want ik ben pas een paar uren hier, en ik heb Jessie niet gesproken.

—Dan ga ik nu naar mijn hut om te slapen—ik ben doodop! En morgen ga ik dadelijk naar haar toe!

Hij wendde zich tot Raffles en vervolgde:

—Als de heeren hier dicht in de buurt willen jagen en zij kunnen mijn dienst gebruiken, dan behoeven zij het slechts te zeggen!

—Dat aanbod nemen wij hartelijk gaarne aan, mijnheer Hatters! antwoordde Raffles.

—Mijn huisje ligt naast den winkel van Pistache—iedereen kan u den weg wijzen! hernam Tom, die met een stevigen handdruk afscheid nam van zijn vriend.

En daarop vertrok hij weder, gebukt onder den last van de vellen der vossen en beren, welke hij op zijn tocht geschoten had.

Een kwartier later stonden de vier mannen eveneens op, teneinde zich ter ruste te gaan begeven.

Raffles liep achteraan en toen hij dicht bij het buffet even stil stond om zijn pijp aan te steken, hoorde hij duidelijk een kerel met vuurrood haar tot een ander zeggen:

—Ze dobbelen om de mooie Jessie!

Raffles volgde tersluiks de richting van den blik van het roode sujet die deze woorden op grinnikenden toon had gezegd en zag Mike Penalty en nog een man aan een afzonderlijk tafeltje zitten terwijl de groote dobbelsteenen juist uit den lederen beker over het morsige tafelblad rolden.

Zonder door woord of gebaar te laten merken dat hij de opmerking had gehoord vervolgde Raffles zijn weg.

Pas toen de vier mannen bijna hun logement bereikt hadden, deelde hij op zachten toon mede wat hij zooeven gehoord had.

Jack had zwijgend toegeluisterd en zeide nu hoofdschuddend:

—Dat hing in de lucht. Die schurk van een Mike zoowel als Pat o’ Kelly draaien al sedert eenigen tijd om Jessie heen.

—En die Mike heeft een minnares! kwam Charly verbaasd.

—O, dat is voor hem geen bezwaar! hernam Jack minachtend. Hij weet heel goed dat Dolly Patterson zijn slavin is, en dat zij bij hem zou terugkomen, al had hij een heele harem genomen! Zij heeft geen grein eergevoel! Het is al eens voorgekomen dat zij haar minnaar zelve geholpen heeft een arm kind in zijn macht te krijgen!

—Nette menschen zijn het hier! liet de stem van Henderson zich hooren, die den geheelen avond niets anders had gedaan dan zich op te winden. Een gasbom van flinken omvang zou hier geen kwaad kunnen, geloof ik!

—En wat beteekent nu die dobbelpartij? vroeg Charly.

—Wel, de verliezer verbindt zich den winner den voet niet langer dwars te zetten bij diens pogingen om het hart van Jessie te winnen!

—Maar die kerels hebben toch geen van beiden een schijn van kans? hernam Charly opgewonden, tenminste te oordeelen naar wat je ons van dat jonge meisje hebt medegedeeld!

—Natuurlijk niet! kwam Jack op somberen toon. Ik zeide dat ook maar bij wijze van spreken! Zij weten wel dat zij haar hart nooit kunnen winnen—zij willen alleen maar haar zelf!

—Wil ik even terugloopen en die twee dobbelaars de hersens inslaan, Mylord? bood Henderson op zakelijken toon aan.

—Neen, Henderson! antwoordde Raffles kort. Ik weet iets beters. Wij zullen morgen zoo spoedig mogelijk den braven predikant gaan opzoeken, en hem waarschuwen voor het gevaar, dat zijn dochter bedreigt. Dat zal wel voldoende zijn! Mijn hemel—wij zijn hier toch niet onder louter beesten!

—Daar ben ik nog zoo zeker niet van, Mylord! merkte Henderson op. Ik voor mij kan onder de bende weinig menschelijks meer vinden. Het lijkt mij werkelijk de beste en voor mij de aangenaamste [18]oplossing, die twee kerels met hun struikrooversgezichten even zoo toe te takelen, dat zij in de eerste maanden er niet aan kunnen denken, wie dan ook het hof te maken!

—Neen Henderson! Geen geweld, voor het onvermijdelijk is!

De vier mannen gingen nu het logement binnen, gebruikten den avondmaaltijd, die uit thee, geroosterde gerstekoek, en een plak vleesch van den kariboe of rendier bestond, en begaven zich vervolgens ter ruste—met stevig gesloten deuren en hun revolvers onder hun hoofdkussens.

Den volgenden morgen werden zij gewekt door Jack, die reeds alles voor zijn terugreis in orde had gemaakt en wiens slede reeds gepakt en gezakt voor de deur van het logement stond, terwijl de honden ongeduldig in de sneeuw krabden.

De drie Engelschen kleedden zich haastig aan, en nuttigden hun ontbijt, waarvan thans een paar eieren en ham den hoofdschotel vormden.

Het was acht uur, toen zij, door Jack voorafgegaan, die naast zijn slede liep door de hoofdstraat van de nederzetting liepen, op weg naar Barry.

Diens eenvoudig huis lag aan de grens van Meadow Hill, een weinig hooger dan de andere huizen.

Het was omgeven door een tamelijk grooten tuin, die thans geheel onder de sneeuw bedolven was.

De slede hield stil voor het huis van den braven predikant en de mannen stapten uit, terwijl de honden zich op een kort bevel van Jack dadelijk in de sneeuw neervlijden, en zich gereed maakten een slaapje te doen.

Jacht wist wel, dat hij op diezelfde plek zijn honden zou terugvinden, ook al bleef hij den geheelen dag weg.

Hij ging langs het smalle tuinpad naar de voordeur, gevolgd door de drie reizigers.

De deur stond open en Jack merkte op:

—Deze deur wordt hier geloof ik nooit gesloten! Iedereen is hier welkom en men weet wel, dat er bij Barry niets te stelen valt! Hij is misschien de armste van de geheele nederzetting.

Op het gerucht van de voetstappen der vier mannen werd er aan het begin van de gang snel een deur geopend, en een hoofd kwam naar buiten kijken.

Het was Tom Hatters.

Er lag een verlangende uitdrukking in zijn oogen en duidelijk was daarin de teleurstelling te lezen, toen hij de vier mannen herkende.

—Ik meende dat Jessie terugkwam! zeide hij, terwijl hij de vier bezoekers achtereenvolgens de hand drukte.

—Is zij dan niet thuis? vroeg Jack.

—Neen, zij is zooeven bij den vader van Dolly Patterson geroepen. De oude man ligt op sterven en hij verklaarde dat hij haar nog eens zien wilde voor zijn dood. Hij heeft altijd veel van Jessie gehouden—zij heeft hem bekeerd, weet je?

Jack wisselde snel een zwijgenden blik met Raffles waarvan Tom de beteekenis niet begreep, en daarop traden allen het vertrek binnen, waar zij den predikant vonden, een man van een jaar of vijftig, maar nog krachtig en ongebogen, met zachte en toch energieke oogen, een open gelaat, dat den adeldom van zijn inborst verried, en een hooge gestalte.

De vreemdelingen werden aan den predikant voorgesteld, en daarop begon Raffles dadelijk:

—Mijnheer Barry—ik was hier gekomen met mijn reisgenooten om u mijn diepe bewondering uit te drukken voor uwe groothartigheid en uwen moed, om in deze barre wildernis het woord Gods te komen verkondigen aan ruwe, twistzieke en gewetenlooze mannen. Ik had gaarne lang met u willen spreken over uw werk hier te Meadow Hill. Maar er is iets geschied waaromtrent ik u eerst moet inlichten—ik ben ongerust over uw dochter!

—Over Jessie? riep Barry verrast uit. Waarom zoudt gij ongerust over haar zijn? Zij komt zeker spoedig terug—zij brengt een laatste bezoek aan een ongelukkigen man, dien wij echter tot onze innige vreugde hebben kunnen bekeeren.

—Wanneer is zij heengegaan? vroeg Raffles.

—Een half uur ongeveer geleden!

—Waar ligt het huis van den ouden Patterson?

—Even buiten de nederzetting—in het zuiden! antwoordde de predikant, ondanks zichzelf aangegrepen door een zonderlinge onrust. Waarom stelt gij mij die vragen?

—Omdat ik gisteren in het danshuis van Bill Rednose iets heb opgevangen dat mij voor het lot van uw dochter doet vreezen!

En nu deelde Raffles in weinige woorden mede wat hij gisteren in de kroeg van Rednose had gehoord en gezien. [19]

Barry was tijdens deze mededeeling zeer bleek geworden en prevelde nu:

—Dat klinkt zelfs hier bijna ongelooflijk! Kan men zoo verwilderen dat men de hand zou durven uitstrekken naar de teedere bloem, de reinheid zelve, die nimmer onderscheid maakt bij het uitdeelen harer weldaden, en de boozen gelijkelijk met de goeden verzorgde als zij ziek waren, troostte als zij verdriet hadden? Het is te afschuwelijk om waar te zijn!

Tom Hatters stond onbewegelijk.

Hij was witter dan een doek en zijn oogen dreigden hem uit het hoofd te puilen.

Zoo vast had hij de vuisten gebald, dat de nagels hem in het vleesch drongen.

En nu barstte hij uit:

—Dadelijk naar de woning van den ouden Patterson! Gij hebt vergif in mijn ziel gestrooid mijnheer—en ik moet zekerheid hebben of ik sterf!

De pelsjager had die woorden sidderend van ontroering en vrees uitgeschreeuwd en hij greep Raffles met zooveel kracht bij den arm dat het pijn deed.

—Om Godswil, ga met mij mede!—ik gevoel mij zoo zwak als een vrouw! Ik ben duizelig van ellende en vrees—nu gij eenmaal het wantrouwen in mijn hart geplant hebt! Naar Patterson! Onmiddellijk!

In een oogwenk hadden Barry en Tom hunne pelsen aangetrokken en hun mutsen van ottervel opgezet.

Zij namen snel in de groote slede plaats en de honden sprongen overeind, en snelden weg alsof zij begrepen wat er gaande was.

De slede vloog in ijlende vaart de nederzetting door, en menig goudzoeker uitte een ruwen vloek als hij snel terzijde moest springen om niet door de slede ondersteboven te worden geworpen.

Binnen een kwartier had de slede het huis bereikt van John Patterson, dat vrij ver buiten de eigenlijke kom van de nederzetting lag in een soort kleine vallei.

Heinde en ver waren geen andere woningen te zien.

De mannen sprongen van de slede, en stormden de hut binnen waarvan de deur was opengelaten.

Tom was de eerste die het groote woonvertrek binnentrad, waar het bed van Patterson stond.

De oude man, het hoofd met den spierwitten baard op de borst gebogen, zat op den vloer, met den rug tegen het ruwhouten bed geleund.

Hij hief het hoofd met moeite op toen hij de mannen hoorde binnenkomen, keek Tom met tranen in de glinsterende oogen aan en fluisterde nauwelijks hoorbaar:

—Ik heb gedaan wat ik kon om het te beletten—maar wat vermag een oud, stervend man tegen vier ruwe kerels? Zij hebben haar weggesleept—voor mijn oogen! [20]