Eenige oogenblikken keken de mannen elkander zwijgend aan.
Toen zeide Jack:
—Het is zeker dat de schurken het meer zijn overgestoken. Aan den overkant moeten wij dus het spoor weer terugvinden. Ik stel dus voor, dat wij ons nu splitsen en links en rechts het meer omtrekken. Die het spoor het eerst terugvindt hervat de achtervolging en tracht de bandieten zoo dicht mogelijk te naderen, zonder zelf te worden gezien. Wij moeten ons haasten want reeds nadert de zon de kim! Het is nog hoogstens anderhalf uur licht genoeg om het spoor te kunnen zien!
—Uw plan lijkt mij goed, Jack! antwoordde Raffles. Laten wij dan snel om het meer heentrekken, ieder in een andere richting. Degene die het laatst het spoor terugvindt, moet zich dan zoo snel mogelijk haasten om de anderen weder in te halen!
—Zou Fang het spoor niet kunnen terugvinden? vroeg Charly.
—Onmogelijk! In de sneeuw ging het—op dit gladde ijs, en bij deze hevige koude die nu wel vijf en veertig graden onder nul zal bedragen, kan de hond niet ruiken!
—Nu, dan snel op weg! Hoe verdeelen wij ons? riep Tom uit, die door ongeduld werd verteerd.
—Gij neemt Henderson mede—en den hond, wij drieën nemen den anderen weg! antwoordde Raffles.
En zoo scheidden de sleden, en volgde ieder de tegenovergestelde zijde van het meer.
Fang wist het eerst niet wat te doen, maar een kort bevel van Raffles was voldoende hem Henderson te doen volgen.
Tom liep voor de slede uit, en hield de blikken strak op de ijskorst gevestigd, en hij liep zoo vlug, dat Henderson, die minder geoefend was in het gaan op sneeuwschoenen, moeite genoeg had hem bij te houden.
—Neem in de slede plaats, dan gaat het nog vlugger—en de honden zijn sterk genoeg! beval Tom.
Henderson die wel inzag dat dit de beste oplossing was, sprong onder het gaan in de slede, en [25]nu versnelde Tom zijn vaart nog, en gleed vliegensvlug over de sneeuw.
Een half uur verstreek.
Op een mijl afstand verhief zich een hooge heuvelketen, die bijna loodrecht tot zeer dicht aan den oever van het meer nederdaalde.
Eensklaps stond Tom, onder het slaken van een gedempten kreet stil.
Hij bukte zich en bromde tusschen de tanden:
—Het spoor! O, nu laat ik je niet meer los, jij schurk! Jouw leven of het mijne! Daar—het loopt naar de heuvels—en daar is een soort pas—wellicht zijn zij daar over gegaan—aan den anderen kant ligt het bosch, en als zij dat eenmaal bereikt hebben, wordt onze taak bijna onmogelijk—en daaraan kan ik niet denken, zonder vrees dat ik gek word! Vooruit!
—Ja, vooruit! riep Henderson. En sta mij toe, dat ik u een handje help, mijnheer!
Henderson was weder uit de slede gestapt, om het voertuig zooveel mogelijk te verlichten, nu de honden het tegen de helling van den heuvel zouden moeten optrekken, en zoo vlug zij konden, zetten de twee mannen hun weg voort.
Halverwege den heuveltop keerden zij zich als bij ingeving tegelijkertijd om.
Daar, aan den anderen kant van het meer waren een paar zwarte stippen te zien, die in hun richting schenen te bewegen.
Daar waren hun metgezellen, en zij waren er zeker van dat zij eveneens door hen gezien waren, zoo helder was het op dit oogenblik.
Zij dachten er evenwel niet aan de komst van hun reisgenooten af te wachten, maar zetten hun tocht onvermoeid voort.
Fang bewees hun, dat zij op het goede spoor waren, want de hond liep met den schranderen kop naar den grond gebogen en liet van tijd tot tijd een zacht gebrom hooren, hetgeen voor Henderson het onmiskenbaar bewijs was dat de hond dicht bij zijn doel was.
Hij deelde dit aan Tom mede, en de twee mannen gingen zoo voorzichtig mogelijk vooruit, met den vinger aan den trekker van hun geweer.
Waar zij liepen konden zij de zon reeds niet meer zien, maar zij verlichtte toch nog de toppen van den heuvelketen dien zij nu beklommen.
Zij waren nu de inzinking genaderd, en het spoor was nu zoo versch dat de vorst zelfs geen tijd had gehad, in de indrukken van de hondenpooten de fijne draden van ijs te spannen, die aantoonden dat een spoor reeds eenige uren oud moet zijn, en naar welks dikte de spoorzoekers tot op een kwartier na den ouderdom van een spoor kunnen afleiden.
Plotseling stond Fang stil, zoo stil, alsof de hond uit marmer was gehouwen.
Zijn donkere oogen, hadden een dreigende uitdrukking gekregen.
Henderson zag het en fluisterde:
—Zij kunnen niet verder dan een minuut of vijf zijn! Zie maar eens naar Fang!
Maar niet alleen de wolfshonden, ook de trekhonden toonden duidelijk door hun onrustige gedragingen, dat zij den wind hadden gekregen van hun soortgenooten want zij naderden nu een rotswand,—en wie kon zeggen wat er om den hoek van die naakte rots was, waarvan de top met sneeuw was bedekt!?
Maar eensklaps, voor Tom het had kunnen verhinderen, hieven al zijn honden een woedend geblaf aan, geprikkeld door de nabijheid van andere honden.
Hij uitte een gedempten vloek, en dook achter de slede neder, Henderson met zich medetrekkende.
Bijna op hetzelfde oogenblik kwam er een gestalte van achter de rots te voorschijn.
Tom had zijn geweer reeds in den aanslag—hij had het eerste schot—en het was raak!
De man liet een schonen kreet hooren, en viel voorover in de sneeuw, welke hij rood verfde met het bloed, dat uit een doodelijke wonde aan het hoofd vloeide.
Een tweede man sprong van achter den rots te voorschijn, met opgeheven revolver, maar hij had geen tijd om te schieten, want Henderson legde hem met een goed gemikt schot neder.
—Dat zijn er twee! riep Tom juichend. Kom mede—met de anderen zullen wij het nu wel klaar spelen!
Op dat oogenblik klonk de snerpende kreet van een vrouw door de vallende duisternis.
—Jessie! schreeuwde Tom, terwijl hij vooruit snelde, het gevaar niet achtend. Jessie! Ik kom! Houdt moed!
Hij liep zoo snel dat Henderson zich moest inspannen, hem bij te houden.
Bijna tegelijk bereikten zij de hoek van den rots.
Nu sloegen zij den hoek om … [26]
Bijna vlak voor hen lagen twee mannen in de sneeuw geknield, de revolvers omhoog geheven.
Bijna tegelijk knalden hun schoten.
Henderson voelde een vlijmende pijn in den linkerschouder, maar Tom liet een woeste schreeuw van zegepraal hooren—de tweede bandiet had hem op een haar na gemist.
En vóór hij nogmaals den trekker kon overhalen, had Tom, zijn geweer omdraaiend, hem met de kolf van zijn wapen de hersens verpletterd.
Henderson had nog juist de kracht den vierden man met de ongewonde rechterhand in de borst te grijpen, daar zijn geweer hem ontvallen was.
De bandiet trachtte zijn arm vrij te maken, om te kunnen schieten, maar Henderson, zijn laatste krachten verzamelend, drukte hem tegen de rots, zoodat de ander machteloos was.
Maar tersluiks liet hij de revolver van de eene hand in de andere overgaan, zonder dat Henderson dit bemerkte.
Juist echter toen hij opnieuw wilde vuren dicht tegen zijn tegenstander aangedrukt, sprong Fang onder een woedend geblaf op hem toe, en zette zijn tanden in de dij van den bandiet, die een wilden kreet van woede en pijn slaakte, zijn revolver liet vallen en zijn mes trok.
Hij wilde het wapen in de borst van zijn vijand stooten maar met een laatste krachtsinspanning greep Henderson met zijn eenigen bruikbaren arm dien van den schurk even boven den pols beet, draaide met onweerstaanbare kracht het wapen om en stiet het in de zijde van zijn tegenstander.
Met een dof gerochel zakte de getroffene ineen, en rolde, steeds sneller en sneller langs de helling naar omlaag tot hij uit het gezicht was.
Hijgend, uitgeput door bloedverlies, bleef Henderson een oogenblik als verdwaasd zitten.
En als door een nevel zag hij hoe Mike en Tom met elkander worstelden terwijl Dolly op eenigen afstand, met een mes in de vuist voor Jessie stond, die op een rotsblok gezeten was, en wier armen haar op den rug waren samengebonden.
De reus begreep dadelijk wat zij voornemens was—als haar minnaar het onderspit mocht delven, in dezen vreeselijken strijd, dan zou zij het mes in de borst van het weerlooze meisje stooten.
—Fang! Stellen! beval hij op zwakken toon, terwijl hij, met zijn bloed, het bewustzijn uit zich weg voelde vloeien.
Maar de schrandere hond had het bevel gehoord—en begrepen!
Hij stormde op de vrouw toe, en plaatste zich dreigend met flikkerende tanden tusschen haar en het meisje dat met doodsbleek gelaat naar de beide worstelende mannen staarde.
Met een sissenden vloek week Dolly achteruit, waarbij de hond haar langzaam den kop naar den grond gebogen volgde, gereed om zich bij de eerste verdachte beweging op haar te werpen, en haar met zijn vreeselijke slagtanden te verscheuren.
De vrouw had verstand van honden, en zij wist dat zij met haar mes niets zou uitrichten tegen dezen grooten, moedigen hond, even sterk en vlug als de wolf.
Het dier stond stil, den blik steeds op de vrouw gericht, zachtjes grommend.
En intusschen duurde de worsteling met de uiterste bitterheid voort.
De twee mannen hadden hun revolvers weggeworpen of reeds leeggeschoten en hadden zich verwoed op elkaar geworpen—Tom werd aangevuurd door zijn liefde en wraakzucht—Mike door zijn haat en zijn naijver.
Hun borsten hijgden—hun adem ging reutelend.
Henderson wilde trachten, op de knieën kruipend hen te bereiken en tusschenbeide te komen, maar Tom, die hem zag naderen, schreeuwde:
—Blijf daar! Wij zullen dit samen uitvechten! Ik wil hem zelf dooden—of door hem gedood worden!
En met vernieuwde kracht greep hij den bandiet aan.
Deze had zijn mes nog in den gordel, en hij deed thans verwoede pogingen dat wapen uit de schede te trekken.
Maar Tom hield zijn beide armen uit alle macht omvat en trachtte hem naar den rand van den afgrond te dringen.
Hij wist wel dat hij Mike geen oogenblik mocht loslaten want als de schurk zijn mes kon trekken, dan was het pleit spoedig beslist, daar zijn eigen wapen hem tijdens de worsteling ontvallen was.
De twee mannen rolden om en om.
Nu eens lag de ééne boven dan weer de ander. [27]
Mike had zijn beide handen om den hals van Tom geklauwd en drukte ze nu uit alle macht dicht.
Met een laatste krachtinspanning wist Tom zich te bevrijden en snel als de bliksem rukte hij het mes van zijn doodsvijand uit de schede, voor Mike het heft weder had kunnen grijpen.
Met een kreet van schrik en dolle woede richtte Mike zich op.
De beide mannen bevonden zich nu op nauwelijks een meter van den rand van het diepe ravijn, dat aan de eene zijde de heuvelketen begrensde.
Snuivend, bloedend, krijschend van haat en woede, wankelde Mike op Tom toe die zich zelf ternauwernood op de been kon houden.
Mike wierp zich op zijn vijand, in een laatste poging—en hij stortte zich in zijn eigen mes.
Rochelend wankelde hij achteruit—nog een pas—toen verdween zijn lichaam over den rand van het ravijn, met een kreet, die ver in het rond te hooren was.
Zwaar ademhalend stond Tom een oogenblik stil.
Dolly stond even met starende oogen onbeweeglijk naar den rand van het ravijn te kijken, als verwachtte zij, haar minnaar weder te zien verschijnen.
Toen pas scheen zij tot het besef te komen van wat er geschied was.
Met een gillenden kreet wilde zij zich op Jessie werpen.
Maar dadelijk richtte Fang zich op en liet zijn tanden zien, zoo dreigend, dat de vrouw het mes liet vallen, en terugdeinsde.
Tegelijkertijd klonk er in de verte een geweerschot, ten bewijze dat er hulp in aantocht was.
De vrouw uitte een vreeselijke bedreiging, en ijlde naar de slede, door Mike gebruikt en die niet ver vandaar verwijderd stond.
De honden waren er nog voorgespannen.
Zij wierp haastig een paar dingen in de slede, sprong er in, klapte met de tong, en daarop gleed de slede pijlsnel de helling van den heuvel af die hier zeer flauw was.
Een oogenblik later was de slede als een spookverschijning in de vallende duisternis verdwenen.
Tom zwaaide eenige malen heen en weder en viel toen in de sneeuw, uitgeput door de vreeselijke worsteling.
Wat Henderson betreft—hij lag onbewegelijk, met de armen uitgestrekt en met het gelaat diep in de sneeuw gedrukt, op den heuveltop.
Het bloedverlies en de hevige koude daarbij, hadden hem het bewustzijn doen verliezen.
Maar, hij had toch nog kunnen zien, hoe Tom zijn doodsvijand overwon .…..
Jessie worstelde nu wanhopig om zich te bevrijden van de touwen die haar armen omvat hielden.
Zij was hier nog niet in geslaagd toen vlakbij het luid geblaf van een dozijn honden klonk.
Een paar seconden later verscheen een groote slede om den hoek van de rots.
Raffles sprong er uit nog voor het voertuig stil stond, en wierp een blik om zich heen.
Daarop snelde hij allereerst naar Henderson, en wentelde het zware lichaam om, zoodat hij in het bleeke gezicht kon zien.
Zijn eigen trekken vertoonden een woeste uitdrukking, maar dadelijk ontspanden zij zich.
—Goddank—hij is niet dood—slechts bewusteloos, zeide hij op zachten toon tot Charly, die eveneens naderbij was gekomen. Geef eens spoedig wat rum en het kistje met linnen en verbandwatten.
Terwijl Charly wegsnelde om een en ander te gaan halen, ijlde Jack op Jessie toe en maakte de touwen los waarmede zij gebonden was.
Tezamen snelden zij naar Tom toe, die roerloos in de sneeuw lag maar wiens wonden gelukkig niet ernstig bleken te zijn.
Een scheut rum bracht hem spoedig weer tot zichzelf.
Jessie boog zich vol liefde over haar minnaar heen—hij herkende haar—en met een jubelenden kreet wierpen de gelieven zich in elkanders armen. [28]