Tom was spoedig zoover hersteld van de vreeselijke inspanning dat hij kon mededeelen wat er gebeurd was.
Raffles luisterde terwijl hij zich onledig hield met Henderson’s wonde, die zeer ernstig bleek te zijn.
De kogel had den schouder bijna geheel doorboord, en was tegen het schouderblad blijven steken.
Gelukkig was Henderson van sterke constructie, en het zou slechts een week behoeven te duren om hem geheel hersteld te zien.
Maar—dan moest hij snel naar een veiliger plaats worden vervoerd, waar hij doeltreffend kon worden behandeld.
Voor alles had hij rust noodig.
De vier mannen droegen het lichaam naar een plek door den rotswand beschermd tegen den ijzigen Noordenwind, en zetten er de sleden omheen.
Daarop werd een vuur aangemaakt met behulp van het droge sprokkelhout hetwelk Charly en Jack in overvloed vonden aan den zoom van het woud, op ongeveer een kwartier uur gaans van den heuvel gelegen.
Raffles had de wonde onderzocht en zoo goed mogelijk gezuiverd en verbonden.
Henderson werd toegedekt met alle beschikbare dekens, en terwijl dit gedaan werd, sloeg de reus zijn oogen op.
En zijn eerste woord was een zacht gemurmel:
—Mylord?
Raffles boog zich over den trouwen metgezel heen en zeide bewogen:
—Wij zijn hier allen, Henderson! Je behoeft geen vrees meer voor ons te koesteren. Wij gaan hier zoo spoedig mogelijk weg en dan zult je weer gauw geheel hersteld zijn.
Tom was naast den braven kerel nedergeknield en hield voorzichtig zijn hand vast.
De pelsjager had hier zeker niet vaak geweend, maar nu stonden er tranen in zijn donkere oogen, toen hij aangedaan stamelde:
—Wij zullen dit nooit vergeten, brave vriend, Jessie en ik! Gij hebt voor ons gestreden en u laten verwonden.
—O, het heeft niets te beduiden, vriend Tom! gaf Henderson met een glimlach te kennen. Ik knijp er zoo spoedig niet tusschen uit—niet waar, Mylord? Gij zult mij vlug beter maken?
—Ongetwijfeld, James—maar dan moet je mij ook beloven je rustig te houden en te trachten nu nog wat te slapen, voor wij weder opbreken.
—Neem mij niet kwalijk, mijnheer, kwam Jack aarzelend. Maar gij denkt er toch niet aan, reeds dezen nacht weer naar Meadow Hill terug te keeren?
—Waarom zouden wij niet, als wij een weinig zijn uitgerust? vroeg Raffles. Hoe eerder mijn trouwe makker in een warme kamer ligt, en op een behoorlijk bed, waar ik hem veel beter kan verplegen dan het hier mogelijk is, hoe beter!
—Dat kan ik mij voorstellen,—maar ik zou u toch ernstig willen raden, niet te vertrekken, voor het weder dag is geworden!
—En waarom dat?
—Omdat het hier een zeer gevaarlijke streek is! Het krioelt hier van wolven, die des nachts uit hun holen komen—hoor! Daar klinkt hun gehuil!
Alsof de verscheurende dieren op de woorden van den pelsjager gewacht hadden om hun aanwezigheid te verraden, klonk daar in de verre eenzaamheid een lang gerekt gehuil over de troostelooze vlakte.
—Zijn die dieren zoo gevaarlijk? vroeg Raffles. [29]
—Ja, want zij zijn uitgehongerd—en zij zijn buitengewoon talrijk! Troepen van vijfhonderd wolven zijn in het geheel geen zeldzaamheid in deze streek en het is wel eens voorgekomen, dat men er meer dan duizend bij elkander gezien heeft! Indien zulk een troep U des nachts overvalt kunt gij uwe ziel wel Gode bevelen, want dan is uw lot beslist. Gij zoudt er honderd kunnen neerschieten en de overigen zullen u verscheuren. Tegen hun vlugheid is die van de honden, die een slede moeten trekken, niet opgewassen. Maar er is meer—over een paar uren zal de koude nog zoozeer zijn toegenomen dat een reis onder die omstandigheden gelijk zou staan met zelfmoord. Als het eenmaal zestig graden onder nul is, dan waagt men zich niet ongestraft over de vlakte. Daarom raad ik u dringend, hier bij de vuren te overnachten, en morgen vroeg weder te vertrekken, als het dag is geworden.
Raffles gaf geen antwoord maar liep naar den top van den heuvel en liet zijn blikken over de vlakte dwalen.
En waar hij keek zag hij kleine donkere stippen, die zich snel bewogen.
Hoeveel het er waren was van hier niet te zeggen—maar het leken er duizenden!
Dat waren wolven .……
Hun gehuil was tot hier hoorbaar, ofschoon zij zich zeker op een afstand van minstens twee mijlen bevonden.
Hij keerde weder naar het vuur terug en vroeg Tom:
—Bestaat er geen gevaar dat de wolven ons hier komen aanvallen?
—Neen, dat durven zij niet—voor een vuur zijn zij bevreesd. Bovendien zijn wij hier buiten den wind en zij kunnen ons ook niet zien waar wij nu zijn.
Raffles dacht een oogenblik na en antwoordde toen:
—Gij zij beter met alle omstandigheden bekend dan ik—en daarom volg ik uw raad op: wij blijven vannacht hier en aanvaarden morgen bij daglicht den terugweg.
Charly en Jack hadden intusschen den maaltijd bereid, geholpen door Jessie die in allen vorm aan haar bevrijders was voorgesteld, en er niet over uit kon, dat zij door een „Engelschen Lord” was gered.
Ook Jack en Jessie verklaarden dadelijk dat een nachtelijke reis de grootste gevaren zou medebrengen en dat men veel beter kon doen den dag af te wachten.
En zoo werd het avondmaal gebruikt, en nadat Raffles zich verzekerd had, dat Henderson rustig sliep, wikkelde ieder zich in zijn deken, kroop zoo dicht mogelijk bij het vuur, liet zich door de honden omringen, die een heerlijke warmte afgaven—en sliep in, zich niet bewust van het groote gevaar dat langzaam naderbij kwam sluipen .……
Tom was de eerste die den volgenden dag wakker werd, toen de zon juist boven de kim verrees.
Hij rekte zich eens duchtig uit, wierp een blik vol liefde op Jessie die nog in haar deken gerold naast hem op het harde sneeuwdek lag, en daar toch zoo rustig sliep, alsof zij zich in een veerenbed bevond, en sprong op.
En hij was nauwelijks overeind of een kogel floot vlak voorbij zijn hoofd, en sloeg te pletter tegen den rotswand achter zich.
—Wel vervloekt.…..schreeuwde hij. Wakker allen! Daar zijn mannen in de vlakte.
Jack, onmiddellijk klaar wakker, wist wat die uitroep beteekende in deze streek—mannen waren hier meestal tevens vijanden.
Raffles was door het schot reeds wakker geworden, maar begreep nog niet goed wat er gaande was.
Hij wilde opstaan, maar Tom schreeuwde:
—Houdt U gedekt! Niet gaan staan! Zij schieten op ons! Kijk, daar liggen zij aan den zoom van het bosch! Verberg u achter de sleden!
Raffles volgde dien goeden raad op, haalde zijn kijker te voorschijn en richtte dien tusschen twee sleden door op den zoom van het bosch.
Het was maar al te waar—daarginds bevonden zich op zijn minst twintig mannen, allen goed gewapend met geweer of karabijn.
Zij waren met sleden gekomen, die dicht bij elkander tusschen de pijnboomen stonden.
Daarnaast lagen de honden, ongeveer vijftig in getal.
—Waar komen die kerels zoo eensklaps vandaan—en hoe weten zij dat wij hier zijn? vroeg Charly ernstig.
—Zij komen uit een van de gouddelversdorpen—het zijn zeker vrienden van Mike die nu dood aan den voet van den heuvel ligt. En hoe zij hier komen? Wel, dat wijf, die slet van een Dolly is hen gaan [30]halen, gisteravond! Wij hadden haar niet mogen laten ontkomen! riep Tom op woesten toon. Als wij een stap doen, leggen zij ons neer als konijnen! Zij zijn op nauwelijks tweehonderd meter afstand, en ieder man is in deze streek een scherpschutter. De slechte schutters zijn binnen een week dood!
—Kunnen wij den heuvel niet weder afdalen aan de zijde waar wij hem beklommen hebben? vroeg Raffles, die den ernst van den toestand volkomen inzag.
—Als zij er ons den tijd toe laten—en als wij aan den anderen kant kunnen komen zonder dat zij het zien—ja, dan misschien wel! antwoordde Jack.
—Laten wij het dan gaan beproeven! zeide Raffles kortaf. Wij moeten hier weg!
Hij richtte zich op handen en knieën op, maar dadelijk vlogen drie kogels tegelijk vlak over zijn hoofd, en sloegen met een doffen klap plat tegen de rots.
—De sleden! beval Raffles kortaf.
Iedereen begreep dadelijk wat hij wilde.
Op den buik liggend werden de sleden voorzichtig zoodanig voor elkander geschoven dat zij als het ware een borstwering vormden, juist hoog genoeg om er zich kruipend achter te kunnen bewegen.
De drie sleden reikten juist tot aan den hoek van den rotswand. De belegeraars hadden dit intusschen niet onopgemerkt gelaten, en een hevig vuur onderhouden, waarvan vier honden het slachtoffer werden, die een gunstig doelwit opleverden.
De overigen werden achter de sleden gelokt en daar vastgehouden.
Raffles schoof zich nu op den buik achter de sleden, die van het hardste hout waren gemaakt en de kogels op dien afstand wel konden tegenhouden tot bij den hoek van den rots.
Daarop richtte hij zich op en snelde voort over den top.
Maar eensklaps wierp hij zich in de sneeuw—juist bijtijds, want een kogel floot hem met een zwak zuigend geluid voorbij.
Voorzichtig hief hij het hoofd op.
Aan den kant van de rivier half verborgen achter den oeverrand, lagen ongeveer twintig mannen op een afstand van drie honderd meter.
—Dus—ingesloten! mompelde Raffles. Een belegering in optima forma! En een overmacht van een tegen twaalf! Want daarginds zie ik nog meer vijanden.
Hij keerde op zijn schreden terug, zich over de sneeuw voortschuivend, en bereikte veilig het kamp, waar hij mededeeling deed van hetgeen hij gezien had.
Met ernstig gelaat luisterden de anderen toe.
Zij begrepen volkomen het gevaar waaraan zij blootstonden.
Op hulp van buiten was hier volstrekt niet te rekenen.
Zij waren geheel en al op zich zelven aangewezen.
Iedere poging om van dezen heuvel af te dalen, zou ten gevolge hebben, dat de kleine troep tot den laatsten man werd neergelegd.
De belegeraars wilden hun vriend Mike wreken, en zij zouden het goed willen doen!
Aan den kant van het woud was nu niet veel van de schurken te zien—zij hadden zich verborgen achter de boomen of de sleden.
De vier mannen hielden krijgsraad.
—Is deze heuvel overal te beklimmen? vroeg Raffles, zich tot Tom wendend.
—Neen, gelukkig! De helling is alleen aan dezen kant begaanbaar en dan van de zijde van het meer,—maar een man is wel voldoende, om de helling te bestrijken!
—Dan moet er dadelijk iemand heen, voor zij het in hun hoofd krijgen een bestorming te wagen!
—Ik zal gaan! zeide Tom. Ik schiet goed.
—Dan ga ik met je mee, Tom! zeide Jessie vastberaden. Je weet dat ik ook goed met het geweer omga. Er ligt er nog een in de slede van Mike die is achtergebleven. Je mag mijn hulp niet afslaan!
—Ga dan mede—als wij moeten sterven—dan zullen wij het tenminste samen doen! zeide Tom op doffen toon.
—Wij blijven hier en zullen trachten zooveel mogelijk van die kerels neer te leggen! vervolgde Raffles. Wij moeten hier weg—zeg ik U! Ik heb zooeven een begin van wondontsteking bij Henderson opgemerkt—en als er koorts bij komt .…. gij kunt niet beseffen, wat mij aan dien man bindt, ziet gij, vrienden! Hij moet zoo spoedig mogelijk vervoerd worden, anders sterft hij misschien voor mijn oogen!
Niemand antwoordde op deze op hartstochtelijken toon uitgesproken woorden. [31]
Tom en Jessie hadden hun geweren gegrepen en hun zakken met patronen gevuld.
Nu knopen zij achter de sleden weg en waren verdwenen.
De overigen, Raffles, Charly en Jack, hadden zich plat op den buik achter de sleden uitgestrekt en schoten zoo vaak zij maar een beweging achter de boomen aan den woudzoom zagen.
Drie malen viel er een man, zooals Raffles door zijn kijker kon waarnemen.
Maar toen was het ook reeds vier uur in den middag .…..
Er werd bijna niet gesproken.
De bandieten leken wel verdwenen te zijn, want er was niets van hen te zien.
Maar dat zij er nog waren, bleek uit de schoten, die zij nu en dan afvuurden.
Raffles was zeer bleek, want—Henderson was weder bewusteloos geworden—hij had koorts!
De duisternis viel.
Men at snel een weinig gedroogd vleesch en een paar beschuiten en toen begon Raffles, die geruimen tijd had nagedacht:
—De kerels zullen ons hier kunnen uithongeren als zij willen. Er is voor niet meer dan vijf dagen voedsel voor ons allen. En het drinkwater strekt niet eens zoo lang. Henderson zal lang voor dien tijd gestorven zijn. Luister—ik ga vannacht heen om hulp te halen!
—Maar dat is krankzinnigheid mijnheer! riep Jack verschrikt uit. Gij kent hier den weg niet—gij zoudt kunnen verdwalen!
—Neen—daarvoor vrees ik niet! Ik heb nauwkeurig acht gegeven op den weg dien wij hebben afgelegd. Alleen kan ik er doorkomen—met zijn allen zouden wij zeker worden opgemerkt en neergeschoten! Ik zal alleen Fang medenemen en op sneeuwschoenen gaan—dan ben ik nog vannacht te Meadow Hill terug—het is nu half vijf.
—En denkt gij, dat gij de noodige mannen kunt vinden, geneigd hun leven te wagen ons hier te ontzetten? vroeg Jack. Reken daar maar niet op.
—Neen—ik weet iets beters! Gij zult het wel zien! Ik keer nog voor het aanbreken van den dag, overmorgen terug! Mijn plan staat vast!
Hij wisselde fluisterend eenige woorden met Charly, maakte Fang los, riep den hond bij zich, greep zijn geweer, hing een zak met levensmiddelen en een veldflesch met rum over zijn schouder, wierp nog een blik op Henderson, die zich onrustig om en om wentelde, en kroop langs de sleden weg na Charly krachtig en met vochtige oogen de hand te hebben gedrukt.
Raffles sloop langs Tom en Jessie die nog altijd op den uitkijk lagen en stelde hen met eenige woorden op de hoogte.
En daarop gleed hij in de duisternis weg.
Beneden aangekomen bond hij de sneeuwschoenen onder de voeten en zoo snel hij konde ijlde hij naar het meer.
Maar de bandieten waakten! Eenige kogels vlogen hem langs de ooren. Een waarschuwingskreet weerklonk.
Maar Raffles had reeds den oever van het meer bereikt en in vliegende waart stak hij het over—en was in veiligheid .….
Zes uren later, na een tocht die een ander zou hebben gesloopt, bereikte hij Meadow Hill.
Voor grof geld huurde hij er een slede met twaalf honden en een man die aannam hem nog dien nacht naar de Tanana te brengen.
Onophoudelijk doorreizend, de vermoeienis niet achtend, bereikte Raffles in den loop van den dag toen het reeds bijna weder donker was de kleine garnizoensstad waar hij zijn vliegmachine had achtergelaten .……
Omstreeks zes uur in den avond hoorden de drie mannen en het meisje op den belegerden heuvel eensklaps een zonderling gerucht in de lucht—en even later baadde de heuveltop in licht, uitgestraald door een electrisch zoeklicht.
—De vliegmachine! De vliegmachine! riep Charly uit dol van vreugde en opwinding.
Ja—het was „De Duivel der Lucht” die daar naderde, en na eenige kringen te hebben beschreven, op den heuveltop neerstreek.
De bandieten begonnen in het wilde te vuren—maar zij raakten niets dan de ijle lucht.
Voorzichtig werd Henderson aan boord gedragen en daarop scheepten de overigen zich in.
De honden moest men wel aan hun lot overlaten, maar Tom zeide, dat zij later stellig uit eigen beweging wel weder terug zouden komen—er was helaas geen plaats voor de dieren. [32]
En nu steeg de vliegmachine trots in de lucht, terwijl de bedrogen schurken een gehuil van teleurstelling en woede aanhieven en vruchteloos op het zweeftuig vuurden.
Tien minuten later daalde zij om Tom, Jessie en Jack af te zetten, dicht bij de nederzetting.
Met tranen in de oogen dankten zij den „Engelschen Lord”—maar Raffles zeide met een geheimzinnig glimlachje:
—Ik ga nu eerst mijn braven metgezel naar een plaats brengen waar hij goed verpleegd zal kunnen worden, maar—daarna kom ik terug! Ik heb hier nog een en ander te doen, moet gij weten! En—wellicht zien wij dan elkander terug!