[Inhoud]

VII VII VAN MUZIEK EN LIENTIENS POPPEN.

De vriendschap tusschen Frits en Japie was niet lang bestand geweest tegen hun scheiding. Eerst hadden ze elkaar nog af en toe geschreven, maar Frits vond Japies brieven „niets aan”. De zijne leken hem nog al moppig, maar Japie beantwoordde ze met geen syllabe. Hij vertelde flauwe grappen van school, en toonde in ’t geheel geen belangstelling voor Frits’ leven in den Haag, en de nieuwe kennissen, die hij er gemaakt had. Dus was de correspondentie al minder en minder geworden, en nu zoo wat op sterven na dood. En met de vriendschap was ’t al niet veel beter.

Zijn nieuwen vrind had Frits in de muziekclub gevonden. Hij heette Frans van Delden, en was een lange, tengere jongen van zestien jaar, met heldere blauwe oogen, en een [64]fijn besneden gezicht. Mevrouw Canneheuvel voelde zich erg aangetrokken tot stillen, bleeken Frans, ook omdat zijn oogen haar aan die van Careltje (haar jonggestorven jongetje) deden denken. Frans kon ook zoo ernstig en stil voor zich uitstaren, alsof hij dingen zag, die voor anderen verborgen bleven.

Frans was niet sterk en werd, als eenige zoon, thuis door zijn ouders dubbel ontzien.

Puck, die altijd wat op iemands uiterlijk had aan te merken, vond, dat de armen van Frans precies leken op die van een slingeraap, haast nog meer dan die van Frits. Maar als Frans aan ’t spelen was, hield Puck haar brutalen mond. Zij was dol op muziek en zag hoog tegen Frans op, want zooals die viool speelde deed niemand van de club ’t hem nà, en daarbuiten zeker niet velen van zijn leeftijd. Sinds Frans van Delden in het muziekclubje was, werd er op de muziekavonden veel beter en mooier gespeeld dan vroeger. Ook bij de familie Canneheuvel. Mamp en Nel durfden geen mond open doen; van mopjes of gewone dansjes kwam niets in, en haar oordeel over andere muziek hielden moeder en dochter wijselijk vóór zich. Slechts verheven muziek werd gespeeld van de allereerste meesters als: Beethoven, Mozart, Bach en dergelijken, veel te hoog en onbegrijpelijk voor mama en Nel, doch waarvan vader en Frits genoten.

Papa vond ’t van zelf sprekend, dat Frans de muziekavonden leidde, en niemand nam ’t hem kwalijk, als hij [65]op zijn kalme, bescheiden manier op gemaakte fouten wees.

Want Frans was nu eenmaal een muzikaal genie, en zou nog eens als een ster van den eersten rang aan den kunstenaarshemel schitteren. Daarover waren al zijn vrienden ’t eens, en Frits had zich al vast bij Frans op vrijkaartjes geabonneerd voor de concerten, waar deze als solist zou optreden. Want die zouden natuurlijk zoo druk bezocht worden, dat de menschen slechts met moeite een plaatsje zouden kunnen bemachtigen.

Als Frits zoo aan ’t opsnijden was, verzocht Frans hem kalmpjes niet zoo door te slaan als een blinde vink. Hij wist volstrekt nog niet, of hij zich aan de muziek zou wijden. Zijn ouders zagen hem veel liever ingenieur of dokter worden. Want de kunstenaarsloopbaan toch, is vol stekels en doornen, en éér je nog zoover bent.… Al had Frans aanleg als violist, ’t was nog hard de vraag, of hij doorzettingskracht genoeg zou hebben voor die moeilijke studie. Hij stond nog pas aan ’t begin. Al ’t reusachtig zware, de ontzettende rijstebrij-berg, waar je door heen moet, om wat te kunnen „worden”, daaraan was hij nog niet eens toe.

Zoo sprak bescheiden Frans, doch zijn clubkameraden hielden vol, dat ’t allemaal valsche bescheidenheid was van Frans.

„Is muziek dan zoo vreeselijk moeielijk, mampie?” vroeg Lientien, die niet begreep, hoe iemand op noten kon zingen. Met haar lief, fijn stemmetje zong zij ouderwetsche [66]liedjes naar ’t gehoor, die ze vroeger van tante Sjarlotje leerde.

„Veel te moeilijk voor ons, lieverdje,” antwoordde mama. „Ik vrees, kind, dat je mijn muzikalen aanleg geërfd hebt, en wijs zult doen je tijd niet met pianospelen of zangstudies te verknoeien.”

Dit was Lientien roerend met moeder eens, al zong ze wel graag voor haar poppen, als Puck er niet bij was, die dat met poppen spelen van Lientien niet uit kon staan. Daar was je als kind van tien jaar toch al veel te groot voor!

Puck had bepaald aanleg voor muziek. Als ze er kans toe zag, zat ze voor de piano, en tokkelde er op los, speelde allerlei wijsjes uit haar hoofd na. ’t Werd tijd, dat ze les kreeg, doch oom wilde niet, dat Puck op zijn mooien vleugel zou studeeren, en dus moest er voor Puck een tweede-handsch piano worden aangeschaft, waarop ze naar hartelust zou mogen oefenen en broddelen.

„Ajakkes,” riep Jongejuffrouw Puck verdrietig, „waarom mag ik niet op den vleugel? Je moet juist op een goeie piano studeeren, zegt iedereen.

„Tante zal wel zorgen, dat de piano, die je voor je studeeren krijgt, goed genoeg is,” zei oom. „Maar van mijn vleugel blijf je voortaan af, begrepen juffertje? Je gebruikt ’t pedaal of ’t noodig is of niet, en bonkt er me veel te hard op.”

Tegen oom durfde Puck natuurlijk niet opspelen, maar [67]bij zich zelf dacht ze: „’t Zal wat moois zijn, die piano van tante! Tante zegt zelf, dat ze in ’t geheel geen verstand heeft van piano’s.”

Nu, dit was ook zoo, en daarom nam tante Frans in den arm, om haar bij dit zaakje behulpzaam te zijn. En Frans deed zijn uiterste best, want wie zou zich niet graag voor Mevrouw Canneheuvel uitgesloofd hebben.

Toen ’t nieuwe instrument dan ook kwam, en in een kamertje werd geplaatst, zoo ver mogelijk van den vleugel àf (anders kwam er vast herrie tusschen die twee), was Puck dan ook nog al ingenomen met haar piano. Frits’ muziekonderwijzer zou ook Puck les geven, en de goeie man had al gauw reden om hoogst tevreden, of ernstig misnoegd te zijn over zijn nieuwe leerling. Want Puck studeerde goed of niet, en dan gaf dat op de les prijsjes, doch veel meer aanmerkingen en verwijten. De heer Stang, door Puck de mopperbaas genoemd, had al gauw verzocht, of een van de huisgenooten Pucks les wilde bijwonen. Want eigenlijk voelde hij zich geen baas over bijdehante Puck, die altijd wat had tegen te pruttelen en haar onderwijzer, als hij haar echt een standje maakte, kon aankijken met haar zwarte flonkeroogen, alsof ze hem wou opeten.

Als vader of mamp tijd noch gelegenheid hadden de les bij te wonen, kwam Nel eens kijken, en vond dan dikwijls tante Sjarlotje, die aan Kee’s arm over ’t portaal was komen aanschuifelen, en onder ’t gamma’s spelen van Pucks vlugge vingers een zalig dutje deed. [68]

„Hoe is ’t mogelijk,” dacht Nel, „dat tante door dat lawaai heen slapen kan.”

Maar tante beweerde, dat ze juist nooit lekkerder hazenslaapjes deed dan onder ’t luisteren naar eentonige geluiden, die al zachter en zwakker werden, tot ze er heerlijk bij indutte.


Al was de tweede-handsch piano heel goed, ’t ergerde Puck, met haar hoogmoedig hartje, niet weinig, dat ze niet op den vleugel mocht spelen. Frits, die Jongejuffrouw Puck niet te best vertrouwde, had den sleutel verstopt, doch slimme Puck had het schuilplaatsje, in een van de Japansche vazen, al gauw ontdekt, en op een keer, toen de „grooten” allen uit waren (behalve tante Sjarlotje, die de trap niet meer afkwam), haalde de bengel den sleutel uit de vaas, en ging, juist omdat ’t haar verboden was, op den vleugel spelen.

Al gauw stak Lientien haar hoofd om de deur.

„Maar Puck, je mag niet op pa’s vleugel,” riep ze verontwaardigd.

„Gaat je niks an, bemoeial,” antwoordde Puck tusschen twee grepen van een marsch in.

„’t Zou maar gauw uitscheiden, ondeugend kind,” waarschuwde Lientien, „je moest je schamen iets te doen wat papoes niet hebben wil.”

„Iedereen is niet zoo’n flauw zuigelingenkind als jij,” hoonde Puck. [69]

Lientien werd echt driftig. Nare treiter,” viel ze uit, „als je me weer „zuigelingkind” noemt, zeg ik tegen jou: „zwarte Zigeuner”, want iedereen zegt, dat je daarop lijkt en.…”

Puck plaagde wel graag, doch zelf kon ze volstrekt niet tegen plagen. „Dat zal je berouwen, Caroline Canneheuvel,” riep ze, en keek Lientien zoo koud en dreigend aan, terwijl haar stem akelig plechtig klonk, dat kleine, domme Lientien er geweldig van ontroerde. Met een harden slag vloog de vleugel dicht, en Puck rende naar boven, terwijl Lientien, heelemaal ontdaan over de sombere, geheimzinnige bedreiging, achterbleef.


Den daarop volgenden Zaterdag was ’t zulk slecht weer, dat er den heelen middag geen sprake was van uitgaan, of in den tuin spelen. Puck stond maar voor ’t raam te mopperen en te brommen, zoodat tante eindelijk knorde: „Houd nu eens eindelijk op, Puck, met dat gepruttel. Waarom ga je niet lezen of pianospelen, of Lientien helpen naaien? Ze heeft een heelen hoop mooie fluweelen en zijden lapjes van tante Sjarlotje gekregen, en gaat de zomerkleeren van al haar poppen opknappen.”

„Jakkes, voor die malle, dooie poppen naaien! Hoe heeft Lientien er lust in?” smaalde Puck.

„’k Ben heel blij, dat Lientien nog niet zoo groote-menschachtig is als jij, Puck,” zei tante kalm. „Daardoor heeft ze menig pleziertje, dat jij moet missen. In elk geval [70]wil ik je nu niet langer zoo ontevreden en mopperig om me heen hebben draaien. Ga een of ander uitvoeren, dat je prettig vindt, anders geef ik je een taak op. Je breikous …”

Doch Puck was al weg. Aan breien had ze een broertje dood. De kous, die ze onderhanden had, zag zoo zwart als roet, en als tante die zag, zat er vast een standje voor haar op.

Eerst ging Puck Socrates een beetje vervelen, want die wou slapen, en was niets gesteld op Pucks hardhandige liefkoozingen. Maar Waldi wilde wel spelen en al gauw maakten Puck en hij zulk een verschrikkelijk lawaai met z’n beiden, dat oom heel boos uit zijn kamer kwam vragen, of dat geweld haast gedaan was.

„We maggen ook niks, hè Waldi?” riep Puck verontwaardigd. Ze bracht den hond, die door ’t dolle heen was, tot bedaren, en slenterde naar boven, op ander kattekwaad bedacht.

Ze moest Lientien haar vreeselijke beleediging van „zwarte Zigeuner” nog betaald zetten, en op eens viel haar in, welke poets ze Lientien bakken zou. Die zat intusschen innig vergenoegd bij tante Sjarlotje. Tantes vroeger zoo vlugge vingers konden nu niet meer voor Lientiens poppengarderobe zorgen. Ze stonden krom en stijf van de rheumatiek. Maar Lientien had heel wat van tante afgekeken, en van tantes goeden raad kon ze nog steeds profiteeren. Haar babbelmondje stond geen oogenblik stil, terwijl ze bezig was een hoedje op te maken voor haar oudste dochter [71]Suze. „Wat dunkt u, tante, zou ik op dit blauwe hoedje wel een vuurroode roos zetten?.… ’t Lijkt me erg opzichtig.”

„’t Wordt toch wel gedragen,” meende tante, die ’t opmaken van Suze’s hoed niet minder gewichtig vond dan Lientien. Moeder Lientien legde de roos weg, en hield een takje blauwe vergeet-mij-niet tegen de hemelsblauwe zijde. „O Hemel! nee, leelijk hè?”

„O Hemel nee,” kwam de echo van tante. „Wat denk je van een wit zijden strik, Lienepien?”

„Ook te schel … vindt u niet?”

„Daar bedenk ’k mij, dat ’k nog zacht rose lint heb liggen, net appelbloesemtint,” legde Sjarlotje uit, „dat zal er beeldig bij staan.”

„Dat lijkt mij ook,” riep Lientien verheugd, en zij liep vlug naar de commode, om in de derde lade, ’t hoekje links, volgens tantes aanwijzing, de lintendoos te zoeken.

„Voor „daags” heeft Suze een matelo’tje (van Nel gekregen), daar doe ik een zwart lint om, en klaar is Kees,” vertelde Lientien, terwijl haar mollige handjes ’t hoedje garneerden met kleine dofjes van het appelbloesemlint. Al de slijtgaatjes konden mooi tusschen de plooitjes weggestopt. „’t Wordt beeldig,” verklaarde ze opgewonden, „maar kan tante ’t eigenlijk wel missen?”

„Wat zou ik voor mijn Lienepoes niet graag geven?” vroeg tante teeder. „Maar bovendien heeft tante Sjarlotje al sinds lange jaren niets meer aan kleurige linten en strikken, dat is goed voor de jeugd. Dit lint is al erg oud, [72]’t was vroeger bepaald hard rose, maar ieder jaar verbleekte ’t een beetje meer, en is eigenlijk nu pas mooi van tint.”

„Zit er een geschiedenis aan vast, tantetje?” vroeg Lientien, die dol was op verhalen uit de jeugd van groote menschen.

„Niet veel bizonders, kind. Toen tante een jong meisje was, had zij een vriendin, die ook Charlotte heette, en zoo waren wij de twee „Lotjes”. Wij hielden veel van elkaar, maar waren wel wat overdreven in onze vriendschap, zooals jonge meisjes dat wel meer zijn. Natuurlijk gaven we elkaar presentjes bij voorkomende gelegenheden, en zoo kreeg ik dit rose lint van haar voor mijn haar.

Daar vond ik ’t veel te mooi voor, en bewaarde het, tusschen vloei, jaar in jaar uit. Dikwijls bekeek ik het, en dacht dan aan dien ouden tijd, toen Lotje en ik elkaar eeuwige vriendschap beloofden en.… elkander toch zoo spoedig vergaten.”

„Hoe kwam dat dan, Lottepotje?”

„Wel, Lotje ging naar Canada, en ik hoorde nooit meer iets van haar. Toen stierf mijn vriendschap ook, maar van ’t rose lint kon ik toch niet scheiden. ’t Was haar laatste presentje.”

„Ik denk, dat Annie en Wimpie wel altijd vriendinnen van mij zullen blijven,” zei Lientien hoopvol. „We schrijven elkaar trouw, en mamp heeft beloofd, dat ze in de vacantie mogen komen logeeren. Hè, zalig!.… Tante, zal ik u eens wat vertellen? ’k Heb tegenwoordig toch zoo [73]dikwijls ruzie met Puck. Ze is niks lief tegen mij, en ik ook niet tegen haar.”

„Maar Lientien.…”

„Echt tante, nou praat ze ook weer niet tegen me, al twee dagen lang. Enkel „ja” en „nee”.”

„Hoe komt dat dan, snoezepoes?”

„We hebben elkaar uitgescholden omdat.… maar dat kan ik niet allemaal vertellen, want ik wil haar niet verklikken.”

„’k Zou ’t maar weer bijleggen,” suste tante. „’t Is vast niks erg.”

„Dat zit nog,” beweerde Lientien, die alle uitdrukkingen van Frits trouw overnam, als zij ze leuk vond. „Puck houdt ook niks van poppen,” ratelde Lientien door, „en ze vindt ’t vreeselijk gek, dat ik er zoo graag voor naai. Nou, Annie en Wimpie brengen vier kinderen mee, en ik wil natuurlijk, dat mijn zes er netjes uitzien tegen dat ze komen, wat zegt u? Voor Suus en Francine ben ik klaar, maar Dora moet nog een jurk en kleine Koo een paar sokjes.…”

„Jammer, dat ik je niet meer kan helpen, snoes,” zei tante treurig.

„Niks erg hoor Sjarlottepotje,” riep Lientien, verteederd. „U helpt me al genoeg met goeien raad. En kijk eens wat een prachthoed die Suus nou voor best heeft? Als ze maar niet zoo’n ijdeltuit wordt als haar tante Puck!”.…

Wanneer Lientien op dit oogenblik Puck had kunnen zien, zou ze haar nog voor wat heel anders hebben uitgemaakt [74]dan voor een ijdeltuit. Want dit slechte meisje vergreep zich juist aan Lientiens lievelingen. Behalve Suus zaten al Lientiens kinderen op hun kleine stoeltjes rond ’t tafeltje in een hoekje van de groote slaapkamer van Puck en Lientien. Ze zeiden niets, ze keken maar, toen ze die woeste tante zagen binnenkomen, en hun poppeharten beefden. Want tante Puck had meestal niet veel goeds in den zin, en moeder was er niet om hen te beschermen. En ja wel, daar had je ’t al! Eén voor één werden ze beet gepakt: mooie Francine bij haar blonde haar, doch die was te groot, en werd weer op haar plaatsje neergesmakt. Maar Dora, die kon nog net, Sjarlotje en Nellie ook, kleine Koo, ruw aangepakt bij zijn verbonden been, was juist geschikt, en zoo werd ’t viertal, hutje mutje, over elkaar, in tantes schortje gestopt.

Behoedzaam, naar alle kanten uitkijkend, sloop Puck met haar buit naar den salon, kreeg met moeite ’t blad van den vleugel open, en legde Lientiens lieverdjes zoo maar op de harde snaren. Kleine Koo zakte tusschen een openingetje zelfs heelemaal weg.

„Ziezoo,” knikte Puck onbarmhartig, terwijl ze ’t blad weer liet vallen, „daar liggen jullie goed, en je moeder kan lang zoeken eer zij je vindt. Hoe of je dat bevallen zal, Caroline Canneheuvel?”

Lientien miste haar kinderen pas ’s avonds laat, toen ze Suus naar bed bracht. (Die had tante Sjarlotje den heelen dag gezelschap mogen houden.) Ze was meer verbaasd dan [75]verschrikt, verdacht Puck geen oogenblik, en vroeg Francine, of die er soms van àf wist. Doch Francine deed niet anders dan staren. Ze zou dol graag alles verteld hebben, maar ’t was al mooi, dat ze „papa” en „mama” kon piepen. Verder had ’t wurm ’t nog niet gebracht. Moeder Lientien had te veel slaap, om nu nog te gaan zoeken, doch den volgenden dag liep ze ’t heele huis door. Geen plekje, waar ze niet keek, en iedereen hielp ’t arme, beroofde moedertje: Nel, Frits, Kee, Socrates en Waldi, allen deden trouw hun best. (Naderhand herinnerde Lientien zich, dat Waldi onder den vleugel juist verschrikkelijk geblaft had.) En zij verdacht Waldi nog al van de misdaad, omdat hij wel eens meer een kind had meegesleurd en deerlijk gehavend. Maar nu, alle vier.… Puck deed quasi met zoeken mee, doch dat slechte kind lachte in haar vuistje. „Wacht maar tot van avond,” dacht ze bij zich zelf. „Puck mag niet aan de mooie piano komen, hé? Maar nou liggen er lekker vier poppen in!” Frits had haar al een paar keer verdacht aangekeken. Hij vertrouwde haar eigenlijk in ’t geheel niet, en vroeg op eens: „Zeg Juffertje, weet je daar heusch niet meer van?” waarop Puck ’t puntje van haar tong tegen hem uitstak.

Lientien had een echt verdrietigen Zondag, en Puck voelde zich eigenlijk ook in ’t geheel niet voldaan. Maar ze wilde niet naar de stem van „Meester” luisteren. De „zwarte Zigeuner” zat haar nog veel te dwars.

Zondagavond kwam met de muziekjongens, zooals Puck [76]ze noemde. Er was een nieuw stuk ingestudeerd, dus verzocht Frans: „Als je blieft langzaam spelen, hé?” Papa zat voor de piano, en keek al verbaasd, toen hij de eerste noten aansloeg. „Wat drommel scheelt die piano vandaag?” vroeg hij, „er is geen klank in; ’t lijkt wel, of er fluweel om de toetsen heen zit. Frans, probeer jij eens kerel, er moet wat aan de toetsen haperen. De stemmer is er pas geweest, ontstemd kan hij niet zijn.”

Frans sloeg een paar accoorden aan, en keek al even verwonderd als de heer Canneheuvel.

„’k Geloof, dat er wat op de snaren drukt,” zei hij toen. „Misschien is er een muis in den vleugel.…”

„Lieve Hemel!” riep vader ontsteld, en sloeg haastig ’t bovenblad open, keek naar binnen.…

„Wat is dat?.… Lientiens poppen!!” En papa vischte vlug Dora op. Sjarlotje en Nellie volgden. „Sla nu eens aan, Frans?.… Ja, ik geloof, dat ’t nu in orde is. Maar wie heeft, in lieve vredes naam, Lientiens poppen in den vleugel gestopt?”

’t Was Puck toch te benauwd geworden. Toen haar ondeugendheid op ’t punt stond aan ’t licht te komen, was ze vlug de kamer uitgeslipt, en zat nu in de keuken met een angstig hart bij Bet, die haar al twee keer minzaam had voorgesteld liever heen te gaan. [77]

Wat is dat?—Lientiens poppen! En papa vischte vlug Dora op. Sjarlotte en Nellie volgden.

Wat is dat?—Lientiens poppen! En papa vischte vlug Dora op. Sjarlotte en Nellie volgden.

[76]

Natuurlijk was er heel wat gelach en gepraat over de vondst van den heer Canneheuvel onder de jongens. Lientien, heel blij, dat ze haar verloren schapen terug had, liep [79]er dadelijk mee naar boven. De stakkerds hadden al lang in bed moeten liggen. „Natuurlijk een streek van Puck,” dacht Lientien verontwaardigd, „ik hoop, dat ze er een flink standje voor zal krijgen. Hoe durft dat brutale kind toch!”

Intusschen werd er beneden doorgespeeld. Frans beweerde, dat ’t nog niet heelemaal in orde was met ’t geluid, doch de anderen konden dit niet zoo hooren, tot Lientien weer binnen kwam, en fluisterend aan mama vertelde, dat ze „kleine Koo” nog miste.

„’k Geloof, man, dat „kleine Koo” nog in den vleugel zit,” zei mama hierop.

En ja wel! Na veel kijken en zoeken, ontdekte Frans een klein gevalletje in een rose hemdje, heel in de diepte vergleden. Met behulp van Mama’s lange schaar werd „kleine Koo” uit de diepste duisternis aan het heldere licht gebracht.

„Mis je nu heusch geen enkel kind meer, Lientien?” vroeg vader een beetje ongeduldig. „Voortaan gaat de vleugel stijf op slot, en bewaar ik zelf den sleutel.”

„Er is gelukkig geen kwaad van gekomen,” leidde Frans vaders ontstemdheid af. „’t Is nu weer geheel in orde. Frits wilde Puck gaan halen om eens navraag te doen wat zij over ’t geval te vertellen had. Doch mama stelde voor liever geen tijd meer verloren te laten gaan. Papa ging weer zitten, en zoo werd er dus in ernst begonnen. [80]

Puck bleef weg, en mama liet haar maar niet roepen, zoolang de jongelui er nog waren.

Daar vond Puck iets angstigs in, en zonder goeden nacht zeggen, sloop ze naar bed.

Lientien was zoo blij, dat de poppekinderen weer in hun bedjes lagen (die ze alle drie bij haar eigen ledikant had gezet), dat ze Puck geen kwaad hart meer toedroeg. Maar een lesje moest die ondeugende meid toch hebben.

Dus liet ze Francine vragen, waar de anderen toch al dien tijd gebleven waren, waarop Nellie antwoordde: „Dat moet je aan die akelige tante Puck vragen. Neen maar, die is er me eentje! Ik ben heelemaal geradbraakt, en Dora heeft een hoofdpijn, dat ze uit haar oogen niet zien kan!”

„En ik dan,” riep kleine Koo. „Grootvader heeft mij als een gek laten dansen. Ik werd als een bal op en neer gegooid en kon niet op adem komen. En dan nog al met mijn zieke been!”

Puck proestte ’t uit. Ze zag in haar gedachten ’t rose poppetje met de aangeslagen noten op en neer walsen.

Ze deed met haar vingers op tafel na, hoe kleine Koo aan ’t hotsen en springen was geweest.

Nu schoot Lientien ook in den lach, en allebei gierden ’t uit. Toen was de vrede gesloten, en beloofden ze elkaar nooit meer voor „zuigelingkind” en „zwart Zigeunerkind” uit te maken.—

Puck trof het, dat oom den volgenden dag naar Amsterdam moest en ’t knorren dus aan tante had overgelaten. „Puckie, [81]Puckie,” berispte Mevrouw Canneheuvel, toen ’t kleine meisje haar goeden morgen had gezegd, „hoe verzin je toch zulke ondeugende dingen? Dat jullie elkaar eens fopt en voor den mal houdt, is zoo erg niet, maar als ’t bepaald plagen wordt, om den ander verdriet te doen, dan is ’t heel leelijk. En dat wil ik ook volstrekt niet hebben.”

„Ik zal nooit meer aan den vleugel komen,” beloofde Puck benepen, „en Lientien en ik hebben ’t al lang afgezoend. Van al haar kinderen is alleen kleine Koo nog maar een beetje geradbraakt, maar die heeft dan ook veel langer op en neer gedanst dan de anderen.”

Tante had moeite niet te lachen, en dus bleef de rest van ’t standje achterwege.

En zóó kwam dat ondeugende nest er wéér veel te gemakkelijk af, zei Frits naderhand tegen Nel.