De beide koene reizigers hadden, bij het aanvaarden van hun tocht naar de Noordpool, drie sleden en acht en twintig honden bij zich. Op sneeuwschoenen loopend bestuurden ze hun hondespannen. Aanvankelijk konden ze op het effen terrein vlug vooruit komen; maar gaandeweg werd de ijsvlakte hobbelig, zoodat ze slechts weinig opschoten.
Na twee dagmarschen steeg de koude tot drie en veertig graden, en in de kleine zijden tent was ’t meer dan frisch. Maar toch legden ze dagelijks negen uur af, en onder het gaan bemerkten ze niets van de koude; het eenige, waarvan ze last hadden, was, dat de uitwaseming van hun lichaam in hun kleederen bevroor, die zoodoende tot een pantser van ijs werden, dat bij elken stap kraakte. Door de voortdurende wrijving tegen de stijfbevroren mouwen kwamen er aan Nansen’s polsen bloedende wonden, die pas in den herfst genazen.
Om te kampeeren kozen ze altijd een voor den wind beschutte plek op het ijs. Johansen zorgde voor de honden en gaf hun te eten, terwijl Nansen de tent in gereedheid bracht en den ketel met stukken ijs vulde. Het avondeten was voor beiden een feest, waarnaar ze den geheelen dag met verlangen uitzagen, daarbij werden ze tenminste inwendig eens flink warm; na afloop van het eten kropen ze vlug in hun slaapzak, dan ontdooiden hun bevroren kleederen en de slapers lagen den geheelen nacht in druipnatte omslagen en droomden van slede [77]en hondespannen. Eenmaal riep Johansen des nachts in zijn slaap: „Vooruit, rakkers, vort, vort! Halt, daar kantelt de sleê!”
In de barre koude van den aanbrekenden dag stonden ze weer op, dreven de honden op, die, van de koude jankend, ineengerold in de sneeuw lagen, haalden de teugels uit de war, laadden de sleden weer op, en dan ging ’t weer verder, de verlaten eenzaamheid in.
Maar al te vaak was ’t ijs ontzettend slecht; de sleden raakten vast, moesten gedragen, of over oneffenheden en spleten voortgeschoven worden: een inspannenden tocht. Maar, één breedte graad was reeds doorworsteld.
Dikwijls waren ze zoo uitgeput, dat ze onder het loopen bijna insliepen, terwijl de honden zich met moeite voortsleepten. Ook dezen werd de voortdurende inspanning langzamerhand te machtig. Twee moesten er geslacht worden en werden hun kameraden als ontbijt voorgezet; maar er waren er die zulk een maal niet wilden aanroeren.
Toen het ijs voortdurend slechter werd en de witte woestenij zich onafzienbaar naar het Noorden uitstrekte, besloot Nansen van het bereiken van de Noordpool af te zien, en, al was ’t ook met een bezwaard gemoed, om te keeren. Terug naar de „Fram” was onmogelijk; alle sporen waren door sneeuwstormen uitgewischt. Het eenige wat er op zat, was, de richting in te slaan naar de barre eilandengroep, die den naam draagt van Frans Jozefs-land. Maar—dat was een afstand van zevenhonderd kilometer en de proviand begon al op te raken.
Gelukkig was het voorjaar in aantocht, zoodat de kans bestond, dat ze wel eenig wild zouden weten te bemachtigen. Ze hadden twee geweren met honderdtachtig scherpe en honderd vijftig losse patronen. Voor de honden zag het er heel wat bedenkelijker uit; die moesten van lieverlede elkaar tot voedsel dienen.
Zoo aanvaardden dus Nansen en Johansen den 8sten April den terugtocht, nadat ze tot 86° 4′ voortgedrongen waren, en zetten over vrij goed ijs met lange marschen koers naar Frans Jozefs-land. Op zekeren dag zagen zij een balk uit het ijs steken. Welke wonderlijke lotgevallen zou dat stuk hout wel beleefd hebben sedert het van den boomstam afgezaagd was! Tegen het einde van April teekende zich het spoor van twee [78]vossen in de sneeuw af. Was er land in de nabijheid, of wat hadden die dieren hier in deze ijszeeën te zoeken? Twee dagen later werd de eerste hond, de „gele” opgeofferd. Op de „Fram” geboren, had hij gedurende zijn kortstondig leven nog nooit iets anders dan ijs en sneeuw gezien.
Open water, waarin de zon zich spiegelde, glinsterende golven!
Hoe heerlijk, dat geluid van de golfjes, die tegen den ijsrand kabbelden! Het was den beiden reizigers als een voorbode van voorjaar en zomer, als een groet van de groote zee, de weg naar het vaderland! Nieuwe sporen van vossen wezen op de nabijheid van land, en dagelijks keken beiden er verlangend naar uit. Maar, nog drie lange maanden moesten verloopen, voordat ze het eerste eiland zouden bereiken!
In het begin van Mei waren er nog slechts zeventien honden in leven. Nu deed de lange zomerdag zijn intrede in het poolgebied, en het was bijna niet meer uit te houden van de warmte—want het vroor nog slechts elf graden! Maar het ijs was afschuwelijk! Onophoudelijk moesten de sleden over diepe spleten of over hooge ijsdammen heen geschoven worden, en de beide mannen strompelden na deze zware inspanning uitgeput op hun sneeuwschoenen verder. De honden hadden het, naarmate hun aantal geringer werd, niet minder hard te verantwoorden, en de proviand slonk bedenkelijk.
Toen werden ze door een hevigen sneeuwstorm gedwongen om een dag halt te houden. Een slede werd opgeofferd en de stukken van gebroken sneeuwschoenen werden aan de vlammen van een heerlijk vuur prijs gegeven. Voor elk der beide overgebleven sleden waren nu nog zes honden over.
Eindelijk, op het einde van Mei, kwamen Nansen en zijn tochtgenoot in een streek, die door open water in alle richtingen werd doorsneden; daardoor werd hun voortgang aanmerkelijk vertraagd. Maar nu vertoonden zich ook levende wezens. De grijze rug van den otter dook op boven het staalblauwe water; de zeehond ging uit op de vischvangst, en sporen van ijsberen wekten het verlangen naar versch vleesch! Vaak snelde Nansen op zijn sneeuwschoenen ver vooruit, om te zien, waar de weg het beste was; dan bleef Johansen bij de sleden achter. Wanneer het al te lang duurde, dan bekroop hem wel eens een gevoel van vrees, of niet soms zijn makker een ongeluk [79]overkomen zou zijn. Hoe het dan den achtergeblevene zou vergaan, geheel alleen in die eindelooze woestenij, daaraan moest men maar liever niet denken!
Juni brak aan, en het gekrijsch der meeuwen weerklonk door de lucht. De beide mannen bleven een week lang in hun kamp om hun kajaks zeevaardig te maken. Ze hadden nog voldoende brood voor een maand, en er waren nog zes honden in leven. Toen er nog slechts drie over waren, moesten ze zichzelf voor de sleden spannen.
In een lange, breede kreek lieten ze de kajaks te water, bonden de sneeuwschoenen aan elkaar en roeiden langs den zoom van het ijs. Daarbij schoten ze twee zeehonden en drie ijsberen en waren nu voor langen tijd voorzien van vleesch. Ook de beide laatste honden konden nu weer eens volop eten krijgen.
Eindelijk vertoonde zich in het Zuiden het land, waarnaar ze reikhalzend hadden uitgezien, en nu ging het snel daarop af; voor elke slede een man en een hond. Eenmaal moesten ze met de kajak een kreek oversteken. Nansen stond reeds op den rand van het ijs, toen hij achter zich Johansen hoorde roepen:
„Vlug de geweren!”
Toen Nansen zich omkeerde, zag hij een grooten beer, die zijn makker neergeveld had en bezig was hem te besnuffelen. Snel wilde Nansen zijn geweer in de kajak grijpen, maar in hetzelfde oogenblik dreef het vaartuig van den kant af, en terwijl hij het terug roeide, hoorde hij Johansen doodbedaard zeggen:
„Schiet vlug, of ’t is te laat!”
Toen had hij eindelijk zijn geweer gegrepen en schoot den beer neer.
Vijf maanden lang hadden ze zich zoo over het ijs voortgesleept, toen ze in het begin van Augustus vanaf het ijs open water in de buurt van de eilanden voor zich zagen. Nu moest de zeetocht beginnen, en de beide oudste honden zouden maar onnoodige ballast zijn. Nansen nam Johansen’s hond, en Johansen dien van zijn vriend, en twee kogels waren het loon voor de trouwe diensten der goede dieren.
Van nu af ging het gemakkelijker en sneller vooruit. De kajaks waren aan elkaar gebonden en van mast en zeil voorzien, [80]en zoo voeren ze langs onbekende eilanden. Eenmaal dwong een sterke strooming hen om op een der beide eilanden aan land te gaan; terwijl ze hun kajaks op het land trokken, kwam er een witte beer aandraven, en begon hun spoor te besnuffelen. Welkome proviand voor eenigen tijd! Nauwelijks hadden ze den beer gevild, of daar plaste een walrus in het water rond, en zwom naar de plek, waar reeds twee van zijn kameraden zich in de zon lagen te koesteren, en ook hij met de vinnen op den ijsrand gesteund, eerst een poos bleef liggen uitblazen. Toen verhief het dier zich langzaam uit het water en kroop naar zijn makkers toe; maar dezen wilden eerst niets van hem weten en toonden den indringer hun slagtanden, maar per slot van rekening lieten ze hem toch met rust. Daar lagen ze drie uren lang in roerlooze rust uitgestrekt, terwijl de zeemeeuwen boven de golven hun overmoedig gekrijsch deden hooren.
Nansen en zijn metgezel namen hun nieuw domein in bezit, deden een onderzoekingstocht over het eiland en keerden toen naar hun ijsbeergebraad terug dat hun een ongekend gevoel van verzadigdheid verschafte.
Den volgenden dag zochten ze een geschikt verblijf om te overwinteren. Maar, daar ze nergens een hol ontdekten, bouwden ze uit steenen een kleine hut, waarvan het dak gevormd werd door hun sneeuwschoenen en de zijden tent. Aan alle kanten hadden het licht en de wind vrijen toegang; maar toch was ’t binnen heel behaaglijk, en de ketel pruttelde boven een vuur, gestookt van rauw walrussenspek. Nansen besloot op dit eiland te overwinteren.