[Inhoud]

18. HET AVONTUUR IN DE KAJAK.

De sneeuwstormen loeiden om de beide reizigers heen. Hun tent hadden ze prijs gegeven en ’s nachts kropen ze tusschen de sleden, waar ze een zeil over heen gespannen hadden. Eenmaal liep Nansen op sneeuwschoenen regelrecht het water in, en hij zou stellig verdronken zijn, wanneer niet Johansen hem er nog tijdig uitgetrokken had. Het dunne ijs was met een laag sneeuw bedekt, en was van water doortrokken: zoo kwam het, dat ze slechts langzaam vorderden, want ze moesten eerst begaanbaar ijs opzoeken. Reeds begon de proviand weer op te raken, maar gelukkig krioelde het in ’t water van walrussen. Vaak waren de dieren, die in troepen op ’t ijs lagen, zoo mak, dat Nansen dicht in hun nabijheid kon komen om ze te fotografeeren. Zelfs wanneer er een neergeschoten werd, verroerden de anderen zich in ’t geheel niet. Slechts wanneer er met stokken op los geslagen werd, stonden ze log op, waggelden als eenden achter elkaar naar het water en doken met de koppen naar beneden onder. [85]

Eens was het ijs zoo glad, en de wind zoo gunstig, dat Nansen en Johansen de zeilen heschen, zich op hun sneeuwschoenen er voor plaatsten om te sturen en voort ging het, in suizende vaart, zoodat de wind hen om de ooren floot!

Op een anderen keer zeilden ze met samengebonden kajaks en landden op een eiland, om ruimer om zich heen te kunnen zien. De kajaks werden aan een koord van walrussenhuid vastgelegd. Maar toen ze over het eiland ronddwaalden, riep plotseling Johansen:

„Halt! Daar drijven de kajaks!”

Toen snelden ze naar het water, de wind woei krachtig zeewaarts en dreef met de kajaks al hun bezittingen weg.

„Hier is mijn horloge!” riep Nansen, gooide snel zijn kleeren uit, sprong in het ijskoude water, en zwom de schuiten achterna. Maar deze dreven sneller dan Nansen kon zwemmen. Hij voelde reeds dat hij begon te verstijven; maar hier te verdrinken was niet erger dan zonder de booten terug te keeren! Vooruit dus, met inspanning van alle krachten! Toen zijn krachten hem begonnen te begeven, ging hij een poos op zijn rug liggen; intusschen liep Johansen in vertwijfeling op het ijs heen en weer—maar daar zwom Nansen reeds weer, en ten slotte werd de afstand geringer; Johansen uitte een vreugdekreet, en reeds op het punt van te zinken, gelukte het Nansen nog juist om een der sneeuwschoenen, die buiten de kajuit uitstaken, te grijpen; daaraan klemde hij zich vast en kon tenminste een oogenblik op adem komen. Toen heesch hij zich met moeite in de boot, en roeide terug, door en door verkleumd. Maar toch kwam hij eindelijk aan land; Johansen pakte hem dadelijk in den slaapzak, en dekte hem toe met alles wat voorhanden was. Na een paar uur geslapen te hebben, was de ijzersterke Nansen weer zoo frisch als een hoen, en deed het avondeten alle eer aan. Later bekende Johansen dat het de angstigste oogenblikken geweest waren, die hij nog ooit had doorgebracht.

Steeds meer zuidwaarts leidde hun weg, dwars door het ijs en de golven. Het grootste gedeelte van hun tocht legden zij thans in de kajaks af. Op zekeren dag kwam vlak naast Nansen’s kajak, een walrus aan de oppervlakte, en had bijna de boot met de beide mannen in het zilte nat doen verdwijnen. Toen het dier weer weggezwommen was, voelde Nansen dat op [86]den bodem plotseling alles drijfnat geworden was. Zoo vlug als hij kon, roeide hij naar de naastbijgelegen ijsvlakte, waar de kajak, gelukkig in ondiep water, snel begon te zinken. Om het lek te herstellen hadden zij een geruimen tijd noodig.

Nansen’s tocht is een ongeëvenaard feit in de geschiedenis der noordpooltochten. Van de honderd en dertig manschappen van den „Erebus” en den „Terror” had niet één enkele er het levend afgebracht, hoewel ze hun schepen niet verloren hadden, en hoewel ze vlak in de nabijheid lagen van land, waar menschen woonden, en waar levend wild in overvloed was. De Long was het slachtoffer geworden der ongunstige omstandigheden. Deze beide koene Noren daarentegen, hadden het vijftien maanden lang in de Poolzeeën uitgehouden, zonder daarbij hun leven in te boeten, zonder dat hun ledematen bevroren waren, ja zelfs zonder door uitputting en ontberingen te vermageren! Zelfs hadden ze het nog wel geruimen tijd langer kunnen uithouden, maar—het oogenblik van hun bevrijding was ophanden.