[Inhoud]

19. NANSEN’S GELUKKIGE TERUGKEER.

Den 17den Juli 1896 stond Nansen op een ijsberg naar het krijschen der vogels te luisteren, die in wijde kringen om hem heen vlogen. Plotseling luisterde hij met gespannen aandacht. Wat was dat? Neen ’t was onmogelijk. En toch,—het geblaf van honden. Of was dat een vogel, die op zoo bijzondere manier krijschte? Neen, ’t kon onmogelijk iets anders wezen, ’t moest het blaffen van een hond zijn! Op een draf ging hij naar het kamp terug, maar Johansen meende, dat hij zich stellig vergist moest hebben. Nadat ze haastig ontbeten hadden, bond Nansen zich de sneeuwschoenen aan, greep geweer, verrekijker en sok, en pijlsnel vloog hij over de sneeuwvlakte voort.

Weldra ontdekte hij het spoor van een hond. Of zou het misschien toch van een vos zijn? Maar neen, van een vos is het spoor veel kleiner. Nu ging het in vliegende vaart over het ijs landwaarts. Daar treft een stem Nansen’s oor, en hij roept met al de kracht van zijn longen, terwijl hij over scheuren en [87]dammen heensnelt, want nu was de redding nabij, en wie weet hoe spoedig men weer in het vaderland terug zou zijn!

En werkelijk—daar komt, luid blaffend een hond op hem toespringen, en daarachter komt een man. Nansen snelt op den man toe, en beide zwaaien met hun mutsen. Wie ook die vreemdeling mocht wezen, hij kon niet anders doen dan dien pikzwarten reus, die daar regelrecht van de Noordpool op hem afkwam, sprakeloos aanstaren.

Nu stonden beiden tegenover elkaar, en reikten elkaar de hand.

„’t Doet me bijzonder veel genoegen u te zien,” sprak de vreemdeling.

„Dank u, mij eveneens,” antwoordde Nansen.

„Hebt u hier een schip?”

„Neen, mijn schip is hier niet.”

„Met z’n hoevelen bent u?”

„Ik heb slechts één tochtgenoot, daarginds op het ijsplateau.

De vreemdeling was een Engelschman, Frederick Jackson genaamd; hij had zich reeds sedert twee jaren op het Frans Josefs-land gevestigd, teneinde dat land met een goed uitgeruste expeditie grondig te onderzoeken. In het eerst meende hij, dat deze zwarte gedaante op sneeuwschoenen tot de bemanning van de „Fram” behoorde, en verdwaald was. Maar toen hij hoorde dat Nansen in eigen persoon voor hem stond, steeg zijn verbazing nog meer.

Beiden begaven zich naar de woonplaats van Jackson, waar ook Johansen zich na korten tijd bij hen voegde. Het eerste wat de beide Noren deden, was, zich het zoo lang ontbeerde genot van een grondige reiniging met heet water te verschaffen. Ze bewerkten hun lichaam met groene zeep en harde borstels om tenminste het vuil, dat nog niet in de poriën doorgedrongen en op het lichaam vastgekleefd zat, kwijt te raken. Toen lieten ze zich scheren en de haren knippen, en toen ze van top tot teen in schoone kleeren gestoken waren, zagen ze er tenminste weer eenigszins als gewone menschen uit.

In den loop van den zomer kwam een schip om Jackson zijn gewone proviand te brengen. Daarmee voeren Nansen en Johansen naar huis. Reeds in Bardö ontvingen ze telegrammen van hun verwanten, en hun vreugde was grenzenloos. Slechts [88]één ding was er nog waarover ze zich bezorgd maakten: waar was de „Fram?”

Het was te Hammerfest, toen Nansen ’s morgens uit den slaap gewekt werd. Er stond iemand aan de deur, die hem dadelijk wenschte te spreken. Nu, zoolang totdat hij zich aangekleed had, zou die persoon nog wel kunnen wachten, meende Nansen. Toen hij klaar was, ging hij naar buiten. De directeur van het telegraafkantoor stond in hoogsteigen persoon voor hem.

„Ik heb een telegram voor u, dat u ongetwijfeld genoegen zal doen,” zeide deze.

Nansen maakte het telegram open en las: „Fram” heden veilig aangekomen. Alles wel aan boord. Ga terstond naar Tromsö. Welkom in het vaderland.”

De afzender van dit telegram was de kapitein van de „Fram”, de wakkere Sverdrup!