[Inhoud]

25. IN HET GEWOEL DER WERELDSTAD.

Ons schip vaart de breede, trechtervormige uitmonding der Theems binnen, en landt in de haven van Queensborough. Hier nemen we weer plaats in den spoortrein, die ons in korten tijd door een dichtbevolkte landstreek naar het hartje van Londen brengt. Reeds op weg naar het hotel, krijgt men een indruk van de woelige drukte van Engeland’s hoofdstad, die tweemaal zoo groot is als Berlijn, en met haar bijna vijf millioen inwoners het zevende deel der gezamenlijke bevolking van Engeland en Wales herbergt.

Welke keus zullen we nu doen uit deze onuitputtelijke zee van bezienswaardigheden? Men verdrinkt in die menigte musea, kunstverzamelingen, theaters en kerken! Er zijn dorpen, die slechts uit één enkele straat bestaan. Wanneer men de 8000 straten die Londen telt, aan elkaar zou kunnen voegen, dan zou die reuzenstraat zich door geheel Europa, West-Azië, tot aan Samarkand in Turkestan uitstrekken! Maar, gelukkig, zóó lang zijn de Londensche straten niet; ze vormen één groot net, ze eindigen aan de Theems of in uitgestrekte parken en wereldberoemde pleinen. En op al deze straten en pleinen wemelt en krioelt het van voetgangers en voertuigen; maar het drukste verkeer vindt men in Piccadilly, de drukste straat der wereld!

Reeds na twee dagen komen we tot de overtuiging, dat onze zwakke krachten het tegenover de onafzienbare menigte bezienswaardigheden van Londen moeten afleggen, we willen ons dus willoos door het toeval laten leiden. Wanneer men bezoeken moet afleggen bij vrienden en bekenden, dan raadpleegt men eerst den plattegrond om op de snelste en goedkoopste manier te komen waar men moet wezen, en men zorgt er voor vooraf te informeeren, wanneer de familie thuis is om bezoek af te wachten. [107]

Tower en Towerbrug te Londen.

Tower en Towerbrug te Londen.

[108]

Parlementsgebouw in Londen.

Parlementsgebouw in Londen.

Britsch Museum te Londen.

Britsch Museum te Londen.

[106]

Men kan hun geen grooter genoegen doen dan door juist op een ontvangdag te komen, en het gewoel in de salons en om de theetafel te helpen vergrooten. Want het staat deftig om zooveel mogelijk bezoek te ontvangen. Maar, om bezoek te ontvangen moet de gastvrouw zich beijveren om gedurende [109]de overige dagen der week zelve bezoeken af te leggen. Het gevolg hiervan is een rusteloos rondrijden in equipage of automobiel; en nauwelijks tehuis gekomen, moet ze snel voor een diner toilet maken. In Engeland is het warme jaargetijde gewijd aan het maatschappelijk verkeer, hoewel ik persoonlijk in dit opzicht tusschen winter en zomer volstrekt geen onderscheid opgemerkt heb. Want ook ’s winters betoonen de Engelschen den vreemdeling dezelfde gastvrijheid.

Wanneer men een indruk wil krijgen van het straatgewoel, dan moet men bovenop een omnibus plaats nemen; van daar uit heeft men naar alle kanten vrij uitzicht. Wij bestijgen dus een „bus” in Kensington, de wijk waarin ons hotel ligt, in de onmiddellijke nabijheid van twee der rijkste musea van Londen voor kunsten en wetenschappen. Eerst gaat ’t langs het prachtige Hydepark, een heerlijke oase temidden van de huizenwoestijn. Het park wordt doorsneden door breede, schaduwrijke wegen; hier praalt de voorname wereld met schitterende equipages, kostbare toiletten en rijk uitgedoste livreien. Wanneer men ’s zomers zucht van de hitte, dan vindt men hier een verkwikkende koelte; zwarte zwanen zwemmen statig rond in den langwerpigen vijver, waarin ieder mag baden, zonder dat hij daarvoor een cent hoeft te betalen. Maar de prachtige gazons zien er uit alsof er zoo juist een groote volksbijeenkomst is gehouden; hier rusten de dakloozen, want overdag mogen ze in de openbare parken gaan liggen en slapen, maar des nachts worden ze er door de politie verdreven!

Langzaam beweegt zich nu onze omnibus door het gewoel van Piccadilly. Zooeven hadden we nog het Hydepark links, en reeds spreidt het St. James-park zijn boomenpracht rechts van ons ten toon. Links van ons hebben we Londen’s grauwe, eindelooze huizenzee. Maar spoedig zijn we het park voorbij, en nu hebben we aan weerszijden de huizen van Piccadilly. Men houdt bij het rijden links, daardoor ontstaat een dubbele stroom van voertuigen in de tamelijk smalle straat. Vanaf het imperiaal van den omnibus heeft men een uitstekend uitzicht op dien gestadig voortbruisenden verkeersstroom.

Voor en achter ons, zoover de blik reikt, ziet men de honderden van voertuigen als eindelooze, naast elkaar rijdende treinen, een bonte aaneenschakeling van passagiers- en goederenwagens. [110]De omnibussen alleen zijn honderden in getal, groote, zware, roodgeverfde monsters, deels door motoren, deels door paarden voortbewogen; aan de zijkanten altoos met reclameborden bedekt. Op het imperiaal zitten de heeren met hun hooge hoeden, onder het rooken van een pijp, hun courant te lezen, terwijl de dames onder haar groote hoeden schuil gaan. Van het plaveisel is nauwelijks iets te zien. Want tusschen de omnibussen verdringen zich nog automobielen, vierwielige huurrijtuigen, reclamewagens, hooge tweewielige hansoms en vrachtwagens, en daartusschen weer kleine karren beladen met bananen en sinaasappels. Hier en daar dringt zich ook nog een wielrijder tusschen het levensgevaarlijke gewoel. De andere helft der straat biedt hetzelfde schouwspel. Slechts beweegt zich hier de stroom in tegenovergestelde richting. Onafgebroken klinkt het getoeter der automobielen en het knallen der zweepen: al die geluiden der wereldstad, vermengd met het paardengetrappel, het menschengedruisch, het roepen der courantenventers, enz. smelt samen tot een zoemend gebrom, dat ons onophoudelijk in de ooren klinkt.

Van tijd tot tijd ziet men kleine jongens, die snel den paardenmest opvegen en wegdragen. Vlug en handig wippen ze door het ergste gedrang heen; en ’t mag wel een wonder heeten, dat ze het er altijd heelhuids afbrengen!

Langzaam, langzaam gaat ’t verder. Ineens staat de geheele stoet stil; een politieagent heeft zijn hand in de hoogte gestoken; wee den koetsier of chauffeur die bij dit teeken niet onmiddellijk zou stilhouden! De politieagent en zijn kameraad, aan den anderen kant van de straat, hebben het verkeer een oogenblik stop gezet om een rij voertuigen uit een dwarsstraat gelegenheid te geven Piccadilly over te steken; ze rijden ons nu voorbij, maar over eenige minuten brengen andere agenten het verkeer in de zijstraat tot stilstand en wij kunnen onzen weg weer vervolgen, totdat we aan een ander kruispunt weer moeten wachten. Men heeft zoodoende bij een rit door Londen’s straten heel wat geduld noodig, want van snel vooruit komen, kan bij al die drukte, geen sprake wezen.

Eindelijk eindigt Piccadilly in een klein rond plein, waarop van alle kanten straten uitkomen. Hier is het gewemel van voertuigen en voetgangers werkelijk angstwekkend! De onvermoeide [111]politie leidt echter rustig het verkeer, en wordt ook gewillig gehoorzaamd. De politie van Londen is de vriend en beschermer van het publiek, zoo komt het, dat er overal voorbeeldige orde heerscht.

Nu buigt onze omnibus naar rechts af, en brengt ons door een korte, maar belangrijke straat naar Trafalgar-Square, een der mooiste en levendigste pleinen van Londen. In het midden verheft zich een 44 meter hooge zuil, bekroond door het standbeeld van den zeeheld Nelson. Het plein ontleent zijn naam aan het voorgebergte Trafalgar in Spanje, aan de kust van den Atlantischen Oceaan, in de buurt van Gibraltar. Daar behaalde Nelson in 1805 de overwinning op de vloot van Napoleon, en verijdelde zoodoende het plan van den keizer, om met zijn troepen een inval in Engeland te doen. Nelson zelf vond in dezen bloedigen slag den dood. Op de zuil staan zijn beroemde woorden gebeiteld: „Engeland verwacht dat elkeen zijn plicht zal doen!”

De omnibus rolt dreunend verder oostwaarts door eindelooze straten met winkels en kantoren. Beneden ons krioelt het als in een mierenhoop. Iedereen heeft haast. Men spoedt zich naar het station, naar kantoor, winkel, of bank zonder zijn aandacht te schenken aan die oude huizen, gevels of fonteinen die de herinnering wakker roepen aan lang vervlogen tijden. „Zaken” dat is het wachtwoord in de City, de „hoofdstad van Londen.” Hier vloeit het geld in zilveren en gouden stroomen, hier is het brandpunt van wereld- en kolonialen handel, hier liggen naast ontelbare bankgebouwen de paleizen der stedelijke beambten, de oude gilde-huizen, de redactiebureaus der couranten. Hier verheft zich ook de prachtige, en op twee na de grootste kerk der christenheid, de St. Pauls-kathedraal, die zoo omringd is door de zee van grauwe, donkere huizenmassa’s dat het uiterlijk nauwelijks eenigen indruk maakt; van binnen is de kerk evenwel overweldigend en plechtig.

Een eind verderop ligt de Bank van Engeland, met zijn meer dan 1000 beambten, en zijn geldvoorraad van minstens 240 millioen gulden aan goud en zilver. Daar het gebouw geheel zonder vensters is, ziet het er uit als een geweldige vesting; en met dien schat, dien het bergt, is ’t dan ook inderdaad het sterkste bolwerk van Engeland’s welvaart en onafhankelijkheid. [112]