Nu zijn wij onmiddellijk aan de grens van het eeuwige ijs. Alle vastelanden, zeeën en eilanden heeft de ondernemingsgeest van den mensch reeds doorzocht. Slechts de beide Polen en [12]hun naaste omgeving hebben tot nu toe nog aan zijn verder doordringen den hardnekkigsten tegenstand geboden.1 Maar onvermoeid is de eerzuchtige ontdekkingsgeest aan den arbeid; de wetenschap duldt geen witte, onbeschreven plek meer op de kaart. Daarvoor konden zelfs de onafzienbare ijsvelden op den duur den moed der zeevaarders niet terugschrikken. Het eene schip na het andere ging te gronde, maar steeds nieuwe kielen doorploegden de Poolzee. De Noordpool heeft de grootste aantrekkingskracht, want deze ligt het dichtst bij Europa, midden in de Noordelijke IJszee, die door de kusten van Azië, Europa en Noord-Amerika wordt ingesloten.
De geschiedenis der Poolonderzoeking is buitengewoon rijk aan heldendaden en onheilen; een er van willen wij ons kort in herinnering brengen.
Aan de door het geluk begunstigde poging van Nordenskjöld om langs de kusten van Noord-Azië een Noord-Oost doorvaart te vinden, heb ik reeds herinnerd. Ook de Noord-West doorvaart is een der problemen, die ondanks alle mislukkingen, steeds weer wordt ondernomen. De noodlottigste van deze expedities, was de pooltocht van den Engelschman John Franklin in het jaar 1845.
Franklin was officier van de Engelsche vloot. Hij had te land en te water op het Noordelijk en Zuidelijk halfrond expedities geleid, in zeeslagen gevochten en kaartopnamen gedaan van aanzienlijke uitgestrektheden der noordkust van Amerika, ten oosten van de Behringstraat. Het grootste deel der kust van het Amerikaansche vasteland was hem dus bekend en het betrof nu nog slechts een bevaarbaren waterweg te vinden, tusschen de groote eilanden, die ten Noorden van de kust lagen. Hij was er natuurlijk, maar of hij geschikt was voor de scheepvaart, dat was de vraag. Een aantal deskundigen besloten een groote expeditie uit te rusten, om de doorvaart te vinden.
Geheel Engeland kwam in geestdrift voor het plan en honderden dappere mannen meldden zich aan om er aan deel te nemen. Admiraal John Franklin was reeds vroeger in deze streken geweest en koesterde den vurigen wensch, leider der [13]expeditie te zijn. Wel vreesde de Admiraliteit dat Franklin met zijn zestig jaren niet opgewassen zou zijn voor de taak. „Maar ik ben pas negen en vijftig jaren”, antwoordde Franklin met nadruk en zoo werd hij de leider der expeditie, van welke noch hij, noch een zijner ondergeschikten zoude terugkeeren.
De schepen, die van de kiel tot aan den mast zeevaardig werden gemaakt, heeten „Erebus” en „Terror” „Onderwereld” en „Schrik”. Franklin heesch zijn admiraalsvlag op de „Erebus”, waar kapitein Fitsjames in rang op hem volgde; bevelhebber van de „Terror” en tweede leider der expeditie, werd kapitein Crizier. Het officierscorps werd met groote zorg gekozen; slechts krachtige door de zee geharde en zeer bekwame mannen werden aangenomen. De bezetting der beide schepen bestond uit drie en twintig officieren en honderd elf man. Levensmiddelen werden voor drie jaren medegenomen en in beide scheepsruimten stoommachines gebouwd, hetgeen destijds nog nooit in de Poolzeeën was beproefd.
Franklin kreeg een voorschrift, waaraan hij zich te houden had; natuurlijk behield hij het recht onder zekere omstandigheden anders te handelen, zijn taak was van de Atlantische zijde Noord-Amerika om te zeilen en door de Behringstraat in den Stillen Oceaan te komen. Met de oplossing van deze taak zou de Noord-West doorvaart gevonden zijn.
Den 19den Mei 1845 verlieten de beide schepen Engeland. Bevelhebber en manschappen waren vol heerlijke verwachtingen op succes, en vast besloten hun uiterste kracht tot bereiking van het doel in te spannen. Allen droomden reeds van de warme winden, die hen in den Stillen Oceaan zouden ontvangen en van den onsterfelijken roem, die hen wachtte, als zij door de smalle zeeëngte, waar Azië en Amerika maar enkele mijlen van elkaar verwijderd zijn, zuidwaarts zouden stevenen.
Op zee hield de admiraal een toespraak tot zijn lieden, verklaarde hen, waarom het ging en sprak de verwachting uit, dat ieder zijn plicht zou vervullen. Zij voeren de Orkney eilanden voorbij en op Sint Jan zagen zij Kaap Farewell, de Zuidkaap van Groenland, verdwijnen. Den volgenden dag stieten zij op het eerste ijs, geweldige drijvende ijsbergen, die woeste, getande vormen toonden en aan de waterlijn door den golfslag klokvormig [14]waren uitgehold. Voor de meesten der manschappen was dit schouwspel nieuw; zij stonden op het dek en bewonderden deze drijvende bergen, waarvan de toppen boven den wimpel van den hoofdmast uitstaken. Nu en dan sloeg een der ijsbergen om en de zee kwam in beroering, als hij zijn door het water stukgeknaagde onderzijde naar boven keerde.
Tien dagen later ankerden de beide schepen bij het eiland Disko, aan de westkust van Groenland. Hier ontmoetten zij een ander Engelsch schip, dat vooruit was gezonden, om met zijn lading hun voorraad aan proviand en verdere voorwerpen voor de uitrusting te voltooien. De kapitein van dit schip was de laatste die met de leden der Franklin expeditie had gesproken. Nooit, zoo verzekerde hij later, heb ik zulk een flinke schaar en voor hun taak in geestdrift verkeerende zeelieden gezien. Ik heb gemeend, dat die zich overal zouden doorslaan. Hij nam de laatste postzending der poolvaarders mede. Eenige der briefschrijvers gaven Kamschatka, de Sandwicheilanden en Panama als postadres op; zij meenden in een jaar weer in Europa terug te zijn, en de brieven getuigden van de geestdriftige stemming, welke aan de officierstafel heerschte en van de bewondering voor den admiraal, den ouden zeerob, die niet eens bij stormachtig weer het getal der geheschen zeilen verminderde om maar snel verder te komen! Want hij wist, dat hier in het Noorden, slechts kort gedurende den laten zomer op open water was te rekenen. Er was voor drie jaar proviand voorradig, zelfs op het dek stond elke hoek vol met tonnen en kisten,—wat was er dus verder te vreezen?
Den 26sten Juli werden „Erebus” en „Terror” door een Engelschen walvischvaarder gepraaid. Dat was de laatste maal, dat een sterfelijk oog hen zag; sedert dien dag omgaf de ongelukkigste van alle poolexpedities een huiveringwekkend diep duister!