Wat men over het verdere lot der beide ongeluksschepen „Erebus” en „Terror” met zekerheid weet, bepaalt zich tot heel enkele bijzonderheden, die pas verscheidene jaren later door [15]hulpexpedities werden ontdekt. Maar ze zijn voldoende voor de nadenkende fantasie, om zich het ontzettend drama voor te stellen, waaraan schip en manschappen ten offer vielen.
Eerst ging de vaart naar het Noord-Westen, tusschen twee groote eilanden door in de Lancaster-sond. Verder doordringen werd verhinderd door onoverkomelijk saamgepakt ijs. De stoommachines bleken zoo zwak te zijn, dat ze slechts in kalm open water bruikbaar waren. Een naar het Noorden gaande zeeëngte liet echter nog open water zien, en hier kon men 250 kilometer afleggen, voordat het ijs weer zijn onverbiddelijk: „tot hiertoe en niet verder!” uitsprak. Daarop gingen de zeevaarders door een tweede open zeeëngte weer zuidelijk. Het was het begin van den herfst; sneeuw bedekte reeds alles in het rond, en in de Sond vormde zich nieuw ijs. Bij een klein eiland vond men een beschutte haven, en hier sloeg Franklin het winterkwartier op.
Hoe het leven aan boord was gedurende den langen winternacht, laat zich steeds vermoeden. De officieren zullen wel gelezen en gestudeerd hebben, en de manschappen bezig hooge sneeuwmuren, die boven de reeling van het schip reikten, te maken, om het binnenste van het schip warm te houden. In elk geval werden sneeuwhutten op het ijs en op het land gebouwd voor wetenschappelijke waarnemingen en werd dag en nacht een wak opengehouden, voor het geval er brand uitbrak en de pompen tot ijszuilen waren bevroren. Toen de lange poolnacht voorbij was en Februari met een zwak lichtschijnsel aan den zuidelijken horizon begon, toen het van dag tot dag lichter werd en eindelijk de zon aan den hemel straalde, ondernamen bevelhebbers en manschappen waarschijnlijk jachttochten op de naburige eilanden. De hoop van allen herleefde met het toenemende licht. Slechts 420 kilometer onbekende kusten waren nog van de Noord-West doorvaart over. Was het niet zoo goed als zeker, dat het nieuwe jaar getuige zou zijn van hun terugkeer? Steeds langer bleef de zon aan den horizon, en eindelijk was de lange pooldag er, waarop zij in het geheel niet ondergaat.
Maar pas in den naherfst werden de „Erebus” en de „Terror” uit hun ijsbanden bevrijd en konden eindelijk het eiland verlaten. Drie dooden bleven aan het strand achter; hun graven [16]met enkele eenvoudige herinneringswoorden werden vijf jaar later door een hulpexpeditie gevonden. Daar alleen door weet men, dat Franklin op die plek heeft overwinterd.
Naar het Zuiden lag het vaarwater nu open. Wat juichten de zeelieden! Naar het Westen strekte zich nog dik ijs uit; maar ook de zuidelijke waterweg moest ten slotte naar het Zuiden afslaan. De eene mijl na de andere gleden de schepen, het drijfijs ontwakend, naar het Zuiden. In het Oosten en Westen waren de kusten van groote eilanden zichtbaar en recht vooruit vermoedde men King-Williamland, den naasten buur van het vasteland- Hiermede was alzoo het grootste deel der Noord-West doorvaart afgelegd, want tot reeds bekende kusten in het Westen, waren er nu nog maar 200 kilometer.
En tóch—hoe hopeloos lang leek dit eind, toen de schepen eenige dagen later weer door het ijs werden vastgelegd. Door winden en zeestroomingen gedreven, hoopten de ijsblokken zich op en bevroren tot een rotsharden wand. Toch behoefde de bemanning de hoop nog niet geheel op te geven, los te komen. Wel stond de winter voor de deur, maar de laatste najaarsstormen uit het Zuiden konden het ijs nog breken en in noordelijke richting drijven. Maar steeds vaster sloot het zich rondom de rompen der schepen en alle hoop verdween. De dagen werden korter, met haastige schreden naderde de tweede winter en evenals het vorige jaar bereidde men zich op zijn komst voor. De schepen waren op zestig graden noorderbreedte vast gevroren, dus nog iets meer zuidelijk, dan de Noordelijke punt van Scandinavië. Maar daar hield geen golfstroom door zijn warm water de zee open. Nooit zouden de officieren en manschappen weer een golf tegen de zijden van de „Erebus” en de „Terror” hooren klotsen!
HET NOORDPOOLGEBIED.
Deze winter zal minder opgewekt doorgebracht zijn dan de eerste. De schepen hadden een slechte plaats op de open reede, zonder eenige beschutting van de kust. Zij lagen als in een schroef en het drukken van het opgehoopte ijs dreigde hen te verpletteren. Het kraakte en knapte in de rompen en de schepen steunden en jammerden om toch maar weer overgelaten te worden aan de vrije golven. Hoe lang zouden zij nog weerstand kunnen bieden? Men moest er elk oogenblik op voorbereid zijn, dat het hout met oorverdoovend gekraak bezweek, [17]en de schepen als notedoppen kapot in de onpeilbare stroomen verdwenen. Het leven aan boord, van een in het ijs bekneld schip, kan niet anders dan vol zorg zijn geweest. Maar het ergste was toch de duisternis, toen de zon voor het laatst onderging. Als schimmen gleden de menschen in de donkere gangen onder het dek, waar de lucht zwaar, vochtig en bedorven [18]was. Wat zou men buiten doen, waar het even donker was, zoodat men geen handbreed vooruit kon zien? Liever lag men in de kajuit en las bij het bleeke kaarslicht. Toen de drukking van het ijs, het schip echter in een scheeve positie bracht, was het nog erger; het was levensgevaarlijk in de pikdonkere gangen tusschen wankelende kisten en balen door te balanceeren. De eenige afwisseling was de klok, die de gevangenen aan den maaltijd riep. De gesprekken werden steeds minder, men kende elkaar in- en uitwendig. Wie had nog iets nieuws te zeggen? Steeds dezelfde gezichten in het rond! Men ging het liefst den kameraad uit den weg en zocht de eenzaamheid van zijn hut. Als die lange, ontzettende duisternis maar eerst voorbij was!
Een ontzaglijke laagheid, waaraan men slechts met afschuw kan denken, had bovendien de expeditie van Franklin getroffen. De koopman, op wien de zorg rustte de vleeschconserven te leveren, had bedorven vleesch, zaagsel en kiezel in de blikken laten doen! Duizenden van zulke doozen werden later gevonden op de kusten, die door de schepen werden aangedaan. Dat de proviand niet toereikend was voor drie jaren, moesten zij, die in het eeuwige ijs gevangen zaten, weten. Reeds den tweeden winter sidderde men stellig bij de gedachte aan het inkrimpen der levensmiddelen. De toestand moest wanhopend worden, als geen hulp kwam voor den derden winter!
De tweede winter ging voorbij en de zon keerde terug. Gaandeweg werd het in de gangen onder het dek lichter; het was niet meer noodig talklicht aan te steken, om ’s avonds te kunnen lezen. En eindelijk straalde de zon weer gedurende de vierentwintig uren van den dag, nog schitterender dan ooit, daar de schepen nog door niets dan ijs en sneeuw ingesloten waren! Verder in het Zuiden en Oosten zag men de heuvels van King-Williamland. Als het ijs zijn greep slechts losser wilde maken en begon te drijven! Maar naar het Westen lag nog steeds opeengehoopt ijs; en zonder twijfel waren de schepen door het persen van het ijs beschadigd. Twee officieren ondernamen met zes mannen een tocht naar King-Williamland, vanwaar men bij helder weer het vasteland van Noord-Amerika kon zien. Op de plek waar zij weer omkeerden, legden zij in een hoop steenen een kort bericht neer over de gewichtigste gebeurtenissen [19]aan boord. Deze regels werden na vele jaren gevonden.
Met goede berichten en groote verwachtingen keerden de reizigers weer naar de schepen terug. Maar welk een slag wachtte hen daar. Admiraal Franklin lag op zijn sterfbed! Het wachten had hem te lang geduurd. Men kon hem nog slechts vertellen, dat de Noord-West doorvaart als ontdekt beschouwd kon worden. Weinige dagen daarna, in Juni 1847 stierf hij, en deze dood moest nog als een geluk beschouwd worden, na een leven van dapperheid en moed. Zeker speelde er een trotsche lach om zijn lippen toen hij ontsliep!
Hoe zal het er op dien rouwdag op de „Erebus” hebben uitgezien? De lange pooldag was op zijn middaghoogte. De zonnestralen braken in de scherpe randen van het ijs en vervloeiden in alle kleuren van het prisma. Het was stil aan boord; aan den bazaanmast fladderde Engeland’s vlag halfstok. Ernstige mannen liepen door de gangen en fluisterden zacht in de nabijheid der kajuit van den admiraal. Bleek en uitgeput zagen zij zich nu beroofd van hun leider, die beter dan een hunner het vasteland in het Zuiden kende. De scheepstimmerman maakte een lijkkist. Daar werd de admiraal in groot uniform ingelegd. Misschien werd de kist in een Engelsche vlag gehuld en zoo droegen de officieren ze over het dek en over het ijs. In het glasheldere ijs was een graf uitgehouwen; daar werd de kist in neergelaten en met fijn ijs en ijsblokken bedekt. De nieuwe opperbevelhebber, kapitein Crozier, ging bij het kruis staan, om de lijkrede te houden, terwijl de anderen er met ontbloot hoofd omheen stonden. En zeker zullen de bleeke mannen in hun versleten poolkleeren de grafgezangen van hun geboorteland hebben gezongen. Plechtig en aangrijpend zal het gezang over de ijsvelden hebben weerklonken. Zwijgend keerden zij naar de „Erebus” en de „Terror” terug, waar zij zich nu nog ongelukkiger voelden dan te voren. Nog eens waren zij voor een jaar tot blijven veroordeeld!