Hoe snel volgden daar ginds in het Oosten de gedenkwaardige gebeurtenissen elkaar op! In 1881 had de Mahdi de vaan des oproers geplant, en reeds na vier jaar was hij in het bezit der alleenheerschappij over Soedan. Maar, lang zou hij de vruchten van zijn overwinning niet plukken; den 28sten Juni 1885, juist vijf maanden na den val van Chartoem stierf hij.
Zijn opvolger, Abdullahi, nam den titel van Kalifa aan, en dertien jaren zuchtte het ongelukkige land onder het juk zijner heerschappij! De stammen van Soedan, het Egyptische juk moede, hadden den Mahdi als hun bevrijder begroet. In plaats van Turksche pacha’s kregen ze thans een despoot, die in schandelijke willekeur zijns gelijke zocht. Abdullahi legde op al het bare geld en al het koren beslag, en vaardigde de meest dwaze verordeningen uit. Wie niet gehoorzaamde, werd opgehangen. Het land was ten prooi aan plundering en brandstichting, en meer dan de helft der bevolking werd tijdens zijn bewind uitgeroeid. Met de schatten die hij van zijn eigen volk stal, kon hij een uitstekend leger op de been houden; eenmaal zou het uur der vergelding slaan, en daarvoor moest hij zijn leger bereid houden. Zijn hoofdstad was Omdoerman, waar de Mahdi onder den koepel eener moskee begraven lag. Voordat de christenhonden zoover in zijn rijk waren doorgedrongen, zouden hun geraamten allang verbleekt zijn in het zand der Nubische woestijn.
Maar, het uur der vergelding naderde. Langzaam trok een Engelsch-Egyptisch leger Nijl-opwaarts, en de aanvoerder, generaal Kitchener, de laatste die aan Gordon een brief had kunnen doen toekomen, had zijn maatregelen zoo goed getroffen, dat hij reeds twee jaren van te voren, bijna op den dag af, nauwkeurig het tijdstip had kunnen voorspellen, waarop Chartoem en Omdoerman hem in handen zouden vallen.
Bij den Atbara, een der zijrivieren van den Nijl, versloeg hij, na een moorddadig gevecht, een der legers van den Kalifa. In Augustus 1898 trok de expeditie tegen Metemma op. In de voorhoede trokken de verkenners en de lichte cavalerie, [192]daarop volgden Egyptische troepen, kanonnen en mitrailleurs, Engelsche troepen in lichte grauw-gele uniformen met helmen van kurk, die de beste beschutting tegen de zon opleveren, Egyptische troepen met hun bonte turbans en de rijk met goud versierde uniformen der officieren. Daarop volgden eindelooze karavanen van sterke transport-muilezels, dromedarissen beladen met kisten vol proviand, ammunitie en wapenen, tenten, balen met kleedingstukken, de geheele uitrusting voor een leger van twee en twintig duizend man. Groote kudden slachtvee, ossen, schapen en geiten werden medegevoerd. Het geleek op een lange, zwarte slang die daar over het gele zand langs den Nijloever voortkronkelde. Zoover het oog reikte, niets dan legerscharen; een schouwspel dat deed denken aan een groote volksverhuizing der Israëlieten uit Egypte.
Het leger bereikte zonder schermutselingen Metemma.
Den 28sten Augustus was men nog slechts vier dagreizen van Chartoem verwijderd, waar Engeland’s naam weer in eere hersteld zou worden! Thans naderde de beslissende slag. De grauwe kanonneerbooten voeren langzaam Nijlopwaarts; met verzengenden gloed bescheen de zon het woestijnzand; maar stap voor stap ging het gestadig voorwaarts, en bij het kampeeren werd het terrein zoo gekozen, dat een nachtelijke overrompeling uitgesloten was.
Daar verschenen in de verte bereden troepen derwischen. De weg voert door struikgewas en tusschen twee heuvels door. Reeds komen witte tenten en vaandels in ’t gezicht. Er weerklinkt tromgeroffel;—de Kalifa roept de zijnen ten strijde op. Maar de derwischen trekken zich weder terug; het Engelsch-Egyptisch leger vervolgt zijn weg.
Eindelijk doemt in het Zuiden de koepel op, die zich welft over het graf van den Mahdi; en daar bovenuit verheffen zich de leemen huizen en grauwe muren van Omdoerman. Tusschen de stad en het leger breidt zich een zandvlakte uit. Voor de stad vertoont zich een zwarte streep. Wellicht een schans? Maar neen, het beweegt, de derwischen trekken ten strijde. Thans is voor de blanken het oogenblik van wraak aangebroken, nu begint een tooneel dat geheel Soedan van ontzetting zal vervullen.
Het krijgsgehuil der derwischen nadert, reeds hoort men [193]het kletteren van hun wapenen. Op één kilometer afstand maken ze weer rechtsomkeert. Kitchener laat de nacht rustig voorbijgaan, zijn tijd zal wel komen!
Op den morgen van den 2den September is het leger strijdvaardig. Uit den nevel komen van de heuvels in ’t Zuiden eenige ruiters te voorschijn: Hun aantal groeit steeds aan; een strijdmacht van vijftigduizend derwischen krioelt in bonte verwarring dooreen.
Weer verheft zich hun fanatiek krijgsgehuil ten hemel, het rolt als een loeiende stormwind over de vlakte. Ze komen aanstormen. God moge hun genadig zijn! Zij rijden hun verderf tegemoet. Ze naderen in snellen draf, ze willen zich als een lawine op den vijand storten; nu zijn ze onder schot—daar knetteren duizenden geweren, en plotseling maken de horden halt, terwijl de granaten in hun midden dood en verderf verspreiden.
Maar, slechts voor één oogenblik is de aanval in zijn vaart gestuit, met een onversaagdheid, zooals alleen godsdienstig fanatisme die teweeg kan brengen, rukken ze voort. De Engelsche mitrailleurs vuren zóó onophoudelijk dat men slechts een gelijkmatig geknetter hoort. De soldaten vuren zoo snel achtereen dat hun geweren warm worden, en door anderen moeten worden vervangen. De derwischen vallen bij geheele compagnieën tegelijk, maar de openingen in de gelederen worden steeds weer aangevuld. De lijken in de witte, met bloed bevlekte mantels bedekken de vlakte als de bloesems in het voorjaar na een wervelwind. Eindelijk geven ze den strijd op, en trekken zich terug.
„Voorwaarts naar Omdoerman!” klinkt het Engelsche commando. Nog is de bloedige dag niet ten einde. De derwischen verzamelen zich opnieuw, de vaan van den Kalifa wordt op den heuvel geplant, en daarnaast de groene vaan van den profeet, om de geloovigen tot een laatsten vertwijfelenden kamp op te roepen. De eene linie na de andere stort zich in het vuur, om telkens weer opnieuw door de Engelsche kogels te worden weggemaaid. De derwischen verweren zich als leeuwen, want het gaat hier om de heerschappij in Soedan, Mahdi, Kalifa en paradijs, overwinning of dood!
Toen de dag ten einde was, was het leger van den Kalifa [194]vernietigd, en de vaan die bij Gordon’s dood geheschen was, zonk in het stof.
Elfduizend dooden, zestienduizend gewonden en vierduizend gevangenen! De Kalifa zelf ontkwam. Zijn harem en zijn dienaren verlieten hem, en hij die des morgens nog de alleenheerscher over een onmetelijk rijk geweest was, zwierf bij het aanbreken van den avond eenzaam rond. Hij vluchtte naar het Zuiden, en het gelukte hem een nieuw leger op de been te brengen, dat echter het volgende jaar eveneens volkomen vernietigd werd. Hij zelf sneuvelde.
Thans bleef er voor den overwinnaar nog een dure plicht over. Sedert Gordon’s dood waren dertien jaren en zes maanden verstreken en nu zou de held zijn christelijke begrafenis deelachtig worden. Op het plein voor Gordon’s paleis te Chartoem vormden de troepen drie zijden van een carré; op de vierde zijde stond Kitchener temidden van zijn staf, en omringd door de divisie- en brigade-generaals. Kitchener heft de hand op, de vlag van Groot-Brittannië wordt op het paleis geheschen, begroet door den donder van het geschut der kanonneerbooten. Het muziekkorps der garde speelt het Engelsche volkslied. Dan wappert de vlag van Egypte naast de Engelsche, begroet door de Egyptische volkshymne. Vier geestelijken verrichten den lijkdienst. Dan blazen de Soedaneezen den lievelingsmarsch van Gordon en een laatste hoera van officieren en manschappen geldt den wreker van den gevallene, generaal Kitchener.
In den generalen staf van het Engelsche leger bevond zich ook Slatin Pacha, wien het na twaalfjarige, standvastig verduurde gevangenschap, eindelijk gelukt was de waakzaamheid van den Kalifa en zijn dienaren te verschalken, en na een avontuurlijke vlucht vaderland en familie weer terug te zien. Na de wederoprichting van de Engelsch-Egyptische heerschappij in Soedan werd hij tot generaal-inspector van dit land benoemd