[Inhoud]

64. HONDERD ZESTIG DAGEN IN HET OER-WOUD.

Den 18den Maart liep de stoomboot „Madoera” de monding van den Congo binnen. Maar reeds gedurende het eerste eind van Matadi tot aan Stanley-Pool leed de karavaan door desertie en ziekte groote verliezen, en bagage, proviand en ammunitie smolten tot bijna op de helft in. Daarbij veroorzaakte het verkregen van nieuwe voedingsmiddelen zeer onverwachte moeilijkheden, en daarom moesten in geforceerde marschen vruchtbare streken bereikt worden. Van Stanley-Pool zou het per schip verder gaan, maar de bestuurder van het Zendingsstation was slechts na langdurige onderhandeling bereid, zijn schepen aan de expeditie ter beschikking te stellen, voor de vaart den Congo op tot aan Jamboeja, aan de zijrivier Aroewimi.

Den eersten Mei begon de eentonige vaart. Dag aan dag hetzelfde tooneel: boschrijk land, miriaden met bosch bedekte eilanden, en breede kanalen met doodsch, stil water, die in den strakken glans der zon op stroomen van kwikzilver geleken. Maar de inboorlingen leverden tamelijk bereidwillig levensmiddelen en de gezondheid der expeditie bleef in het begin uitstekend. Maar in Leopoldville moest reeds een deel der bagage achter worden gelaten en in Bolobo bleef zelfs een deel der expeditie liggen: honderd en vijf-en-twintig man, die reeds te uitgeput en ziek waren. Te Jamboeja, waar de zendingsschepen terugkeerden en ook Tipoe Tip zijns weegs ging, moest Stanley weer een keuze onder zijn manschappen doen. En daar in het Oosten wachtte Emin pacha hevig door de Mahdisten in het nauw gebracht op hulp! Voorwaarts dus, het koste wat het wilde! Een voorhoede van gezonden en sterken baant den weg naar het Albert-meer; wie niet mede kan, blijft bij de achterhoede onder majoor Barttelot in Jamboeja. Hun taak is bagage en manschappen uit Leopoldville en Bolobo te halen, en dan ondersteund door de door Tipoe Tip beloofde dragers of in het ergste geval alleen, de voetsporen van Stanley te volgen om zich na eenige maanden weer met hem te vereenigen.

De achterhoede betrok een bestaande kampplaats te Jamboeja, [265]want het verlies der achtergebleven manschappen en hun voor het grootste deel voor Emin pacha bestemde bagage, zou een onherstelbaar verlies voor de voorhoede wezen; men moest dus voorzichtig zijn tegenover de inboorlingen en eveneens tegenover Tipoe Tip, voor het geval deze de voorkeur er aan mocht geven, inplaats zijn loon te verdienen, zich de schatten der expeditie kortweg toe te eigenen.

Den 28sten Juni begon nu de marsch der voorhoede van drie honderd negen-en-tachtig man in de richting van het Albert-meer door een geheel onbekend gebied en door vreemde stammen van inboorlingen. Weer nam een ontzaglijk oerwoud de karavaan op en gedurende honderd en zestig dagen moest zij zich onder ontzaglijke moeite met mes en bijl een pad banen, door kreupelhout en struikgewas, zonder in al dien tijd, ook maar een stuk grasland, zoo groot als de vloer eener kamer te hebben gezien! De marsch ging langs den oever van de Aroewini, en af en toe kwam men in de meegebrachte boot of in van de inboorlingen geroofde kano’s op einden, die vrij waren van watervallen, sneller vooruit. Maar bijna nog gevaarlijker dan de inboorlingen, waren de aanvallen der zwermen wespen, wier nesten vastkleefden aan de over het water hangende takken; vooral de naakte dragers wisten zich ternauwernood tegen hen te verweren. Regen, vereenigd met stormachtige onweersbuien, bemoeilijkten den marsch zeer, en meestal moest de karavaan zich tevreden stellen met de meest schrale voedingsmiddelen, die zij langs den weg vonden. Want de inboorlingen aan de dichtbevolkte oevers gedroegen zich, met enkele uitzonderingen, vijandig of verlangden buitensporige prijzen voor een paar bananen en maïskolven, want dikwijls leden zij ook zelf honger en leefden zij van paddestoelen, wortelen, visschen, slakken of rupsen, een menu, dat zij in het gunstigste geval door eenige porties menschenvleesch van verslagen vijanden verbeterden.

Daarbij toonden velen van Stanley’s manschappen zich zoo weerbarstig en lui, dat zij liever zouden zijn verhongerd, dan met eigen hand de boven hun hoofd hangende bananen af te snijden. De mannen uit Zanzibar toonden zich zeer onverschillig omtrent het verlies van hun bagage, hetgeen noodlottig dreigde te worden voor het lot der geheele karavaan, die in [266]het oerwoud als begraven was. Op het water waren zij geheel onbruikbaar en aan den oever tegenover de hen omringende gevaren van dezelfde stompzinnige onverschilligheid. Ondanks dagelijksche, ja elk uur, gegeven waarschuwingen zwierven zij zorgeloos in het bosch rond en werden dan dikwijls door de vergiftige pijlen en speren der inboorlingen in den rug doorboord. Indien een moedige wilde hen brutaal tegemoet trad, dan wierpen zij het liefst het geweer weg om te vluchten of zij verhandelden hun wapenen tegen een paar maïskolven; daardoor werden de inboorlingen steeds brutaler en weldra moest elke schrede in hardnekkig gevecht met de wilden veroverd worden. De veerkracht hunner bogen was zoo groot, dat de pijlen op korten afstand een lichaam geheel doorboorden, en het gift, waarmede de punten waren bestreken, veroorzaakte na voorafgegane krampaanvallen bij de meeste verwondingen, onder groote smarten den dood.

Bovendien ontmoette de karavaan nu roofzuchtige Arabieren en deze ontmoeting demoraliseerde de troepen van Stanley nog meer dan ziekte en honger het tot nu toe hadden gedaan.

De desertie nam toe, proviand, ammunitie en ruilwaren werden bij massa’s gestolen en aan de Arabieren verkocht. Vele zieken bemoeielijkten den marsch, vooral als de booten op het land getrokken en voorbij watervallen gesleept moesten worden. De desertiekoorts stak zelfs een der laatste ezels aan, ook hij ging op zekeren dag aan den haal.

Intusschen was het nog een geluk voor de geheel uitgeputte en ingesmolten karavaan, dat zij den 16den September in de nederzetting van het Arabisch opperhoofd Oegarrowa aankwam, een voorpost der slavenhandelaars, waar men Stanley vriendelijk ontving. Hij gaf daarom zijn zieken aan de Arabieren ter verpleging; zij zouden, tegen betaling, zoo lang in de nederzetting van Oegarrowa blijven, totdat de achterhoede van majoor Barttelot hen zou bereiken. Door desertie en dood had de voorhoede tot nu toe twee-en-zestig man verloren, en het hoopje van hen, die zich nu gereed maakten verder te trekken, was zeer verminderd.

De aanwezigheid der slaven- en ivoorjagers had bovendien de inboorlingen in het rond verdreven. Zij hielden zich verborgen in ontoegankelijke kreupelbosschen en levensmiddelen [267]waren maar zelden te krijgen. De woeste strooming der rivier maakte het onmogelijk de vaartuigen te gebruiken en spoedig waren de dragers zoo verzwakt, dat zij nog slechts op handen en voeten kropen. Weer moest een troep zieken en uitgeputten achtergelaten worden, en niettegenstaande de buitengewone volharding van Stanley begon deze nu te twijfelen aan de redding der expeditie! Evenals de wilden leefde men van woudbananen, kevers, rupsen, slakken en witte mieren, en een ezel werd zoo grondig verorberd door de half uitgehongerden dat niets dan het vergoten bloed en de haren overbleven. Op de rustplaatsen zaten de lieden dof voor zich heen te staren of spraken met elkaar over het bange voorgevoel dat zij omtrent het hun te wachten lot hadden.

„Weet gij dat die en die dood is; dat die verloren is en een derde misschien vannacht te gronde gaat? De overigen zullen morgen omkomen.” En na het gesprek riep de trompet weer allen op hun post om verder te marcheeren en verder te strijden.

Daar stiet men eindelijk den 18den October weer op de herkenningsteekenen der Arabieren en vond in hun nederzetting Ipoto opname en redding. Maar deze vriendelijkheid der Arabieren was gevaarlijker, dan wanneer zij de expeditie met de wapenen in de hand tegemoet waren getreden.

Tegen levensmiddelen verkochten de mannen uit Zanzibar, wapenen en bagage en vanaf Stanley tot aan den laatsten drager waren allen op het punt weerloos in de handen der Arabieren te vallen! Toch bleef er niets anders over dan om ook hier weer de zieken achter te laten, om nog maar voorwaarts te komen.

Den 27sten October ging de marsch verder naar het Oosten. Het oerwoud werd steeds meer onbegaanbaar. Het vreeselijkste waren de open plekken, die gedeeltelijk door den storm waren veroorzaakt, gedeeltelijk door de inboorlingen ter beschutting hunner dorpen waren gemaakt. In schrikkelijke verwarring lagen stammen en boomen, de een op den ander; verhieven zich de takken tot den eenen heuvel boven den anderen. In deze woestenij van bosch groeiden in den grootsten overvloed bananen, wilde druiven, palmen, rotangs en vele woekerplanten, en door dit alles moesten de manschappen [268]dringen, over neergevallen stammen balanceeren, dan weer op den grond door een warnet van takken kruipen en door moerassen en greppels voorttuimelen. En vooral dreigden, onder bladeren verborgen, vergiftige houtsplinters, die de sluwe inboorlingen tot verweer tegen de vreemdelingen rechtop in den grond plachten te steken! Elken avond pakten zich wolken samen, en hoorde men het rollen van den donder van alle kanten weerkaatsen in het woud; de bliksemstralen flikkerden hier en ginds, braken dagelijks de kronen der boomen en spleten een woud-patriarch van den top tot den wortel, en de regen viel in stroomen neer. Maar gedurende den marsch was de Voorzienigheid weer genadig, de zon scheen en wierp haar zacht licht in millioenen stralen door de takken en wekte de gedrukte stemming der reizigers op, veranderde de stammen der boomen in marmeren pilaren en den dauw en regendroppels in fonkelende brillanten, vroolijkte de onzichtbare vogels op, zoodat zij hun lied deden klinken, wekte de zwermen van papegaaien tot vroolijk geschreeuw en gefluit, en de groote troepen apen tot uitgelaten grappen, terwijl hier en daar een diep gebrul in de verte verkondigde dat een soko- of chimpanseefamilie zich in hun schuilhoek met de een of andere wilde sport vermaakte.

Een troep Arabieren diende op dezen marsch tot gidsen en de brutale overmoed, tegenover de vreemdelingen, die zij reeds geheel in hun macht zagen, werd voor de manschappen een onverdraaglijke marteling. Maar zwak als zij waren, aan wandelende geraamten gelijk, moesten zij zich alles laten welgevallen, totdat zij eindelijk Ibwiri bereikten, waar zij zich weer aan een overvloed van levensmiddelen konden versterken. Alsof zij met een tooverstaf werden aangeraakt, werkte hier op de karavanen het bericht, dat de gevangenschap in het oerwoud op haar einde liep en het grasland in het Oosten nog maar enkele dagreizen was verwijderd. In Ibwiri wachtte Stanley, totdat zij, die in de laatste kampplaatsen waren achtergebleven, zich met hem vereenigden, en toen de voorhoede weer honderd vijf-en-zeventig man telde, zette hij den 24sten November met nieuwen moed en frissche kracht den tocht voort. [269]

De eerste ontmoeting van Stanley met Emin Pascha.

De eerste ontmoeting van Stanley met Emin Pascha.

[270]

De strijd van Stanley met de inboorlingen.

De strijd van Stanley met de inboorlingen.

[271]