Den 4den December betrad Stanley met zijn kameraden, na honderd en zestig dagen, voor het eerst weer de open vlakte, en de uitgestrekte landerijen van Aequatoria lagen voor de oogen van de jubelende manschappen, voor wie het een ontspanning was, eindelijk weer eens in looppas te kunnen voortgaan. Achter de blauwe bergen aan den horizon, moest het Albert-meer liggen, het vurig verlangde doel der expeditie, waar Stanley den verdwenen gouverneur hoopte te vinden!
Nieuwe moeielijkheden! Ontzaglijke velden en aanplantingen lagen voor hem, en het eene dorp volgde op het andere; maar de inboorlingen drongen rondom de karavaan in benauwende massa’s: van een vriendschappelijke overeenkomst wilden zij niets weten en dag noch nacht kon men het geweer uit de hand leggen. Dikwijls waren de wilden door strijdlustige honden vergezeld, en wie zich alleen van de karavaan verwijderde, was reddeloos ten doode opgeschreven.
Bij elke hindernis in den weg, bij elken overgang over de rivier lagen de wilden in hinderlaag, en als Stanley, hun eigendom sparend, voorbij trok, zagen zij dat voor lafheid aan en werden zij nog brutaler. Het krijgsgehuil weerklonk onophoudelijk, elk vooruitspringend gedeelte van een berg, elke heuvel was zwart van de menschen, en op de vlakten krioelden zij dooreen als mieren. En al deze gevechten en deze slachtoffers slechts door een misverstand! De inboorlingen zagen de vreemdelingen aan voor bondgenooten van den zwarten koning Kabba-Rega, die hun gebied schatting liet betalen en Emin pacha ook bedreigde.
Onder onophoudelijke gevechten naderde men eindelijk het Albert-meer en op zekeren dag rustten aller oogen op een grauwe wolk beneden in het dal. Wat is dat? De nevel trok gaandeweg op, en de glinsterende vlakte van het meer lag voor hen! Door geestdriftig gejubel, werd den 13den December 1887 de ontdekking gevierd.
Maar wat nu? De voorhoede bezat geen vaartuig, want de booten had men in Ipoto moeten achterlaten. Op de rotsige hellingen van de het meer omgevende bergen, groeiden noch bananen noch eenige boom, die voor den bouw van kano’s [272]gebruikt konden worden. Nergens was een aanplanting te zien, de bewoners der oevers leefden van vischvangst en van de bereiding van zout. Indien Emin pacha nu zelf niet met zijn stoomboot en levensmiddelen hen tegemoet kwam, dan was de karavaan hier vlak bij het doel prijsgegeven aan den hongerdood. Maar hoe ijverig Stanley zijn tolken ook liet navragen en hoe onvermoeid hij elk punt van den oever met zijn verrekijker ook afzocht—geen spoor van den gouverneur en zijn manschappen! Zou nu de geheele zending met al haar offers aan bloed en leven toch vergeefs zijn geweest?
Wat bleef er anders over dan intusschen naar Ibwiri terug te keeren! Den 16den December begon de terugtocht, en den 8sten Januari 1888, werd Ibwiri weer bereikt. Hier bouwde Stanley eerst het fort Bodo, bezette het sterk en zond een afdeeling uit, om de verschillende achterblijvers uit de Arabische nederzettingen te halen. Rondom het fort liet hij het bosch ontginnen en maïs en boonen zaaien, opdat de later hier achterblijvende bezetting eenige levensmiddelen zou hebben. Wel verwoestten de inboorlingen de nieuwe aanplantingen dikwijls en het fort geleek meer op een belegerde vesting.
Daarbij overvielen gansche legers van mieren en ander ongedierte, de hutten en tenten, en het wemelde er van giftige slangen.
Den 8sten Februari kwamen de achterblijvers uit Ipoto gelukkig met de boot aan. Zij hadden in de legerplaats der Arabieren ontzettend geleden! De slavenhandelaars hadden hen slechts dan spaarzaam van voedingsmiddelen voorzien, als zij in de aanplantingen werkten, en de zwakken en zieken hadden zij eenvoudig laten verhongeren. Door diefstal en geweld hadden de roovers een deel der wapenen van de expeditie in hun bezit gekregen. Wat was onder deze omstandigheden het lot der achterhoede en van majoor Barttelot geweest? Niemand had een spoor van haar gezien. Zeer verontrust zond nu Stanley een troep vrijwilligers de Aroewimi weer af, om de verdwenenen op te zoeken. Maar terwijl hij op hun terugkomst wachtte, kreeg hij zelf koorts en lag drie-en-twintig dagen onder den invloed van morphine, bijna voortdurend bewusteloos!
Intusschen schoot op de bebouwde akkers de jonge maïs op, en was weldra zoo hoog als het kreupelhout in het woud; fort [273]Bodo beloofde een rijke graanschuur voor de bezetting en de geheele karavaan te worden. Stanley herstelde weer, maar niets bevrijdde hem van de kwellende zorgen over zijn manschappen. De weken gingen voorbij. Geen spoor van de achterhoede! Geen bericht van de verkenners! Allen schenen reddeloos begraven te zijn onder de altijd groene golven van het oerwoud! En aan het Albert-meer wachtte Emin pacha in wanhopig verzet op hulp en redding!
Zoodra Stanley zich weer krachtig voelde begon den 2den April 1888 de tweede marsch naar het Albert-meer. Nog eens door de legioenen van zwarte krijgslieden Emin pacha tegemoet! Maar dezen keer werden zij niet ontvangen door het krijgsgeschreeuw der inboorlingen. De machtigste opperhoofden kwamen nu de karavaan als bondgenooten tegemoet. Twee maanden na Stanley’s terugkeer van het Albert-meer was een hen bevriend blanke Mallejoe genaamd of de „Gebaarde” in een groote ijzeren kano op het meer verschenen! „In het midden stond een groote, zwarte boom, waaruit rook en vonken vuur kwamen,” vertelden het opperhoofd Masamboni en zijn krijgslieden. „En er waren veel vreemde lieden aan boord en er liepen geiten heen en weer als op de markt in een dorp en kippen in met staven gesloten kisten en wij hoorden de hanen even vroolijk kraaien als tusschen onze gierstvelden. Mallejoe vroeg met diepe, diepe stem naar u, zijn broeder. Daarna voer hij weer weg met zijn groote, ijzeren kano, die zooveel rook in de lucht deed gaan, alsof ze in brand stond. Twijfel er niet aan, heer, u zult hem spoedig vinden.”
Dat waren de eerste berichten, die Stanley van Emin pacha kreeg. Van de vele berichten, die Stanley reeds uit Zanzibar, langs de meest verschillende wegen, naar den gouverneur had gezonden, had er hem dus niet één bereikt. Maar de opperhoofden der inboorlingen zonden hem nu hun hardloopers na, en binnen enkele dagen moest Emin pacha er van op de hoogte zijn, dat de expeditie er was. Intusschen marcheerde Stanley naar Kavalli, overal begroet en aangeroepen door de vriendelijke inboorlingen, die nog enkele maanden geleden de vreemdelingen beschimpt en niet weinigen gedood hadden. Nu trok een voorhoede van honderd vijftig inboorlingen vooruit en [274]vrijwillige, zwarte dragers namen de lasten der karavaan over.
Wel was de plechtig gesloten vrede van de inboorlingen een welkome gelegenheid zich te verrijken met de geschenken der vreemdelingen en zelfs de opperhoofden werden vaak onbeschaamde bedelaars. Maar zij moesten in goede stemming worden gehouden en Stanley was daarom niet spaarzaam met de producten der Europeesche beschaving, die meegenomen waren om de nieuwsgierigheid der wilden gaande te maken en hen er mee te vermaken. Een handspiegel wekte onder de zwarten eerst de grootste verwondering en vrees. Toen zij hun eigen gelaat weerspiegeld zagen, geloofden zij dat een vijandelijke stam uit de aarde tegen hen optrok en zij liepen in den grootsten schrik weg.
Daarna kwamen zij op de teenen terug en lieten nog eens het vreemde visioen over zich heen gaan. „De gezichten zien er als die van ons uit!” fluisterden zij tegen elkaar, en nu legde Stanley hun uit, dat hetgeen zij zagen niets anders was dan het spiegelbeeld van hun eigen buitengewoon innemende trekken, bij welk compliment het opperhoofd, Mpinga van trots gloeide. En nu overwon de persoonlijke ijdelheid in enkele oogenblikken de aanvankelijke vrees. Zijn geleiders drongen zich om hem heen, en allen sloegen met onuitputtelijk genoegen gade hoe waar de spiegel de kenteekenen van elk gelaat weergaf. „Zie eens het litteeken, het is precies zoo; maar zie toch je breeden neus, Mpinga. O, dat is heel precies. Ja, en zie de groote veer, die wuift werkelijk! Het is te vreemd! Waar kan het van zijn gemaakt? Het ziet eruit als water, is toch niet vloeibaar; en op den rug ziet het zwart. Ah, wij hebben vandaag een ding gezien, dat onze voorvaderen nooit zagen!”
In Kavalli kreeg Stanley eindelijk een brief van Emin, die hem echter tot zijn verbazing beval te blijven waar hij was, totdat de gouverneur met zijn manschappen bij hem zou komen. Den 29sten April kwam eindelijk de stoomboot van Emin, op het Albert-meer, in het zicht. Stanley zond hem boden tegemoet, en onder algemeen gejubel en talrijke begroetingssalvo’s, naderde de verdwenen gouverneur met zijn geleide in het duistere avonduur, de legerplaats. Maar laat ons nu Stanley zelf laten vertellen:
„Ik schudde alle aangekomenen de hand en vroeg, wie Emin [275]pacha was. Toen wekte een wat kleine, tengere gestalte mijn opmerkzaamheid door de in ’t uitnemend Engelsch gesproken woorden:
„Ik ben u veel dank verschuldigd, mijnheer Stanley en ik weet werkelijk niet hoe ik dien zal uiten.”
„Ah, u zijt Emin pacha! spreek over geen dank, maar kom binnen en neemt u plaats. Het is hier buiten zoo donker, dat wij elkaar niet kunnen zien.”
„Wij zaten aan den ingang der tent, een waskaars verlichtte die. Ik had volgens de beschrijving van verschillende reizigers een groote, magere gestalte van militair voorkomen verwacht, in afgedragen Egyptische uniform, maar zag in de plaats daarvan een kleine, tengere gestalte met een goed onderhouden fez en in een helder, goed gestreken en uitnemend zittend pak uit katoenen dril. Een donkere, met grijs doorweven baard, omlijstte het gelaat dat een Hongaarsch type had ofschoon een bril het een ietwat Italiaansche of Spaansche uitdrukking gaf.
„Het gelaat vertoonde geen spoor van ziekte of zorg, integendeel, slechts gezondheid en kalme gemoedsrust waren er op te lezen. Korte mededeelingen over onze lotgevallen, de gebeurtenissen in Europa; de voorvallen uit de streken om den aequator, alsmede persoonlijke lotgevallen, namen nagenoeg twee uren in beslag; daarna werden, om het gelukkige wederzien te vieren, vijf halve flesschen champagne ontkurkt, en op de voortdurende gezondheid van Emin pacha en zijn metgezellen geledigd! Daarop brachten wij het gezelschap naar de boot, die hen naar het stoomschip terug bracht.”
De rollen der beide groepen waren dus juist omgekeerd! Naast het welverzorgde militaire geleide van den pacha, scheen de karavaan van Stanley een erbarmelijk armoedige bende, die veel eerder hulp noodig scheen te hebben dan de gouverneur, ter wiens redding zoo vele kameraden het leven gelaten hadden!
In de positie van Emin pacha was namelijk weer een gunstige wending gekomen, daar het scheen alsof zijn gebied niet meer onmiddellijk bedreigd werd. Daarom was hij ook nog volstrekt niet besloten om zich door Stanley te laten redden. Het viel hem zwaar om plotseling zijn levenstaak niet verder voort te zetten, en ook zijn troepen dachten er niet aan hun vaderland op te geven; en aan den anderen kant kon hij het niet over zijn [276]hart verkrijgen om zijn mannen in den steek te laten. Het werd ook spoedig duidelijk, dat hij van zijn soldaten en hun inlandsche officieren afhankelijker was dan wel voor een gouverneur, met de macht van onder-koning bekleed, paste; hij verklaarde dan ook dat hij zijn besluit afhankelijk zou maken van den wensch zijner manschappen. Hij moest derhalve eerst naar zijn residentie Wadelai terugkeeren; en zelfs indien in het gunstigste geval de Egyptische troepen zich bereid verklaarden om zich by Stanley aan te sluiten, dan zouden er toch nog weken en maanden moeten verloopen, voordat zij ter plaatse waren.
Ook Stanley zelf had een tijd van rust noodig. Hij kon zijn uitgeputte manschappen niet dadelijk blootstellen aan het onzekere lot, dat hen wachtte op de onbekende wegen naar de oostkust; maar bovenal moest de achterhoede, waarvan hij nog niet het geringste levensteeken had ontvangen, gered worden.
Stanley betrok derhalve in Nsabe een versterkt kamp, liet een zijner officieren, Jephson, met verscheidene manschappen by Emin achter, en begon den 24sten Mei zijn verschrikkelijken marsch teneinde de achterhoede te ontzetten!