[Inhoud]
DE KAMERHEER VAN DEN KONING VAN SERVIË

DE KAMERHEER VAN DEN KONING VAN SERVIË

EERSTE HOOFDSTUK.

EEN INTIEM SOUPER.

John Raffles, de Groote Onbekende, zat in zijn vossenhol, zooals hij de kleine villa noemde, welke hij op eenigen afstand van Londen bezat en las de couranten.

Op eenigen afstand van hem had Charly Brand plaats genomen; hij rookte een sigarette en staarde droomerig naar de blauwe wolkjes.

De vensters van de kamer waren wijd geopend en lieten de heerlijke zomerlucht binnenstroomen, welke de bloemengeuren uit het park meedroeg.

Plotseling legde Raffles de courant neer en sprak:

„Ik ben van plan, naar Oostende te gaan. Genieten van de zeelucht, ons door de zon laten verbranden en urenlang in het water te liggen, zou ons allebei goed doen. Hoeveel geld hebben wij nog op de Bank?”

„Veertien pond en zes shilling”, klonk het kalme antwoord.

„Is dat alles?”

„Ja”, sprak zijn secretaris.

„Enorm”, sprak Raffles. „Maar Charly, kerel, ben je dan gek geworden, om mij dat nu pas te vertellen?

Dat bedrag is nauwelijks voldoende om de fooi voor den kellner te betalen. Ik heb mijn kleermaker morgen hier ontboden met minstens een half dozijn nieuwe costuums en ik ben gewend, zooals je weet, om mijn leveranciers contant te betalen.

Waarom heb je mij niet eerder op de hoogte gebracht van ons geldgebrek?”

Charly Brand haalde de schouders op.

„Aha”, sprak Raffles, „je wilt me natuurlijk zoo lang mogelijk ervan terughouden om weer aan het werk te gaan, voornamelijk om zelf rust te hebben.

Dus ik moet erover nadenken, op welke wijze ik mijn financiën tusschen vandaag en morgen weer in orde breng.”

Hij haalde een klein notitieboekje uit zijn zak en schreef daarin iets op.

„Ik heb het!” riep hij opspringend uit.

Daarop ging hij naar zijn schrijftafel, nam een vel papier, dat van een kroontje was voorzien, en schreef:

Zeer geachte heer!

Gevolg gevend aan een uitnoodiging van den hertog van Norfolk, bevind ik mij op mijn doorreis in Londen. Ik zou u zeer gaarne willen spreken en verzoek u daarom, u hedenavond te begeven naar „Hotel Lissabon”, Windsorstreet, en daar den portier naar mijn kamer te vragen. [2]

Het zou mij een genoegen zijn, u hedenavond als mijn gast te mogen beschouwen. Ik heb een zeer aangename verrassing voor u.

Met vriendelijke groeten, uw

GRAF VON LEUTOMISCHEL.”

Hij sloot den brief in een couvert en schreef het adres:

Mr. PIEK,
Hofleverancier van Z. M. Koning Edward VII,
LONDEN,
Regentstreet 107.

Dezen brief gaf hij aan Charly Brand met de woorden:

„Je moet hem persoonlijk aan Mr. Piek overhandigen. Die man is biscuitfabrikant, ziet er zelf uit als een biscuit en heeft evenveel verstand als een dergelijk gebak. Ook deze eigenschap heeft hij met de biscuits gemeen, dat hij zich dolgraag laat decoreeren. Hij houdt van lintjes.

Ik heb hem in Nizza leeren kennen en stelde mij aan hem voor als graaf Von Leutomischel, kamerheer van Koning Peter van Servië.

Nauwelijks had de man mijn naam gehoord, of hij vroeg mij op vertrouwelijken toon of Servische ridderorden moeilijk te krijgen waren.

Ik maakte hem duidelijk, dat bij ons voor geld alles te krijgen was. Natuurlijk mits men de goede bronnen kent. Als een dergelijke bron heb ik mij bij hem aanbevolen.

Hij vroeg mij toen naar den prijs en ik was reeds van plan, hem een olifantsorde aan te smeren, toen andere bezigheden mijn gedachten in beslag namen.

Nu moet hij aan een olifantsorde gelooven.”

Charly Brand verliet zijn gemakkelijken stoel en maakte zich gereed om uit te gaan.

„Ga je mee naar Londen?”

„Ja”, antwoordde Raffles, „ik moet in een winkel van ordeteekenen een prul koopen, waarmee die kerel zich kan gaan opsieren.”

Een half uur later zaten zij samen in den trein.

Toen zij in Londen waren aangekomen, spraken zij af om elkaar te ontmoeten in het „Lissabonhotel”.

Terwijl Charly Brand den hofleverancier opzocht, deed Raffles zijn inkoop in de zaak, waar ordeteekens en namaaksels daarvan te verkrijgen waren.

Het toeval wilde, dat verscheiden hooge decoraties in den winkel voorradig waren en Raffles kocht er eenige.

Daarop ging hij te voet langs het Strand, deed nog een paar kleine inkoopen en trad na een wandeling van een uur de vestibule van het „Lissabonhotel” binnen.

Charly Brand wachtte reeds op hem.

„De man wilde mij volstrekt niet laten gaan. Ik heb nog nooit een dergelijk individu aangetroffen. Hij ziet er werkelijk uit als een biscuitman.”

„Je zult bijna altijd zien, mijn beste Charly, dat men aan de menschen kan zien, welk beroep zij uitoefenen en waarvoor zij geschikt zouden zijn.

Wanneer komt Mr. Piek?”

„Hij zal precies om zes uur hier zijn.”

„Mooi, dan hebben wij nog vier uur den tijd. Jij kunt op je gemak naar huis rijden en je voor het diner kleeden.”

„En wat ga jij intusschen doen?” vroeg Charly Brand.

„Een paar visites maken. Misschien ook ga ik naar de Opinion-Club, om wat antiquiteiten te bewonderen.

Haast je, opdat je op tijd terug bent.”

Zij namen afscheid van elkaar en tegen vijf uur betrad Raffles het hotel opnieuw, bestelde een chambre séparée en een diner voor drie personen.

Tevens gaf hij den portier bevel, om de heeren, welke naar den graaf Von Leutomischel zouden vragen, bij hem te sturen.

Hijzelf verliet het hotel nog eens om eenige orchideeën te koopen, waarvan hij dolveel hield.

Gedurende zijn afwezigheid kwam Charly Brand, vergezeld door een dame.

Hij liet zich naar de kamer brengen, die voor Raffles gereserveerd was en welke met een klein zijvertrek verbonden was, hielp zijn schoone haar avondmantel afdoen en vroeg den kellner:

„De graaf is nog niet hier, zooals ik zie. Liet hij een boodschap achter?”

De kellner boog beleefd en antwoordde:

„Neen, baron, maar mijnheer de graaf kan elk oogenblik komen.”

Hierop wendde de dame zich tot den kellner met de vraag:

„Ik zou gaarne mijn haar wat willen in orde brengen, waar kan ik hier een spiegel vinden?”

In het salon, welks wanden met gobelins bedekt waren, was geen spiegel voorhanden.

De kellner bracht de dame naar een ander vertrek. [3]

Charly Brand nam plaats en stak een sigaret aan.

Het salon, waarin hij zich bevond, lag naast de groote eetzaal, welke men moest doorgaan om in het salon, dat Raffles had besproken, te komen.

Charly Brand had nog slechts eenige halen aan zijn sigaret gedaan, toen de deur geopend werd en Raffles binnenkwam.

Charly, die was opgestaan om hem te begroeten, kreeg slechts een handbeweging als antwoord en de secretaris zag, hoe zijn vriend de deur op een kier liet staan en hierdoor in de eetzaal keek.

„Wat is er?” vroeg hij op zachten toon.

Raffles stampte toornig met zijn voet op den grond en fluisterde:

„De duivel moge die vrouw halen! Zij is in de eetzaal en zou in staat zijn om de muizenval, waarin ik mij bevind, dicht te klappen en mij gevangen te nemen.”

Charly Brand was zenuwachtig geworden.

„Wie is daar? Verklaar je duidelijker!”

„Ik geloof niet, dat zij mij herkend heeft.”

„Wel! Dan behoef je ook geen gevaar te vreezen. Wie bedoel je eigenlijk?”

Raffles sloot de deur.

„Ik bedoel Miss Ethel Prince, die fijnste speurhond van alle Amerikaansche detectives.

Zij zit daar in de zaal te dinereen. Waarschijnlijk logeert zij ook in dit hotel.”

„Is dat de vrouwelijke detective”, vroeg Charly, „die gedurende de laatste jaren in Amerika zoovele internationale misdaden heeft opgehelderd?”

„Ja”, fluisterde Raffles. „Zij is knapper dan al haar mannelijke collega’s. Het is een soort manwijf.”

Lord Lister trok zijn overjas uit en ontdekte nu den avondmantel der dame, welke in Charly’s gezelschap was.

Verschrikt riep hij uit:

„Duivel, wat beteekent dat?”

Charly Brand glimlachte.

„De avondmantel van mijn vriendin, een bekoorlijke Française, Mademoiselle Betsy.”

„Dat is iets nieuws voor mij”, meende zijn vriend, de wenkbrauwen fronsend. „Sinds wanneer heb je die relatie?”

„Ik leerde Betsy eenige weken geleden in het Lyceumtheater kennen. Toevallig ontmoette ik haar op weg naar het hotel en verzocht haar, den avond met mij door te brengen.

Ik denk, dat zij jou welkom zal zijn, zij babbelt verrukkelijk en zal ons op de aangenaamste wijze bezighouden.”

„Ik zou je dat genoegen graag gunnen, als wij geen zaken hadden te verhandelen, mijn beste jongen.”

„Je zult niet meer zoo boos kijken, als je haar ziet. Zij maakt een weinig toilet, want zij is een beetje ijdel.

Hier in dit medaillon heb ik een kleine photo van haar.”

Charly Brand peuterde van zijn horlogeketting een zwaar, gouden medaillon los en gaf dit aan Raffles.

Nauwelijks had deze het portret gezien, of hij vroeg op gejaagden toon:

„Donker haar en donkere oogen?”

„Ja zeker!”

„En op de linkerwang een kruisvormig litteeken?”

„Juist”, sprak Charly Brand met verbaasde gelaatsuitdrukking. „Je schijnt haar te kennen. Zij koketteert met dat kruisvormige litteeken en draagt een „tâche de beauté” er middenop.”

Raffles dempte zijn stem tot een zacht gefluister en sprak:

„Ik ken haar uitstekend. Een avonturierster.”

„Een avonturierster?”

„Ja en een gevaarlijke slang. Dat litteeken op de rechterwang is haar toegebracht door misdadigers met wie zij samen heeft gewerkt en welke zij daarna heeft verraden.

Het is een teeken om elken ingewijde te waarschuwen, zich met haar te bemoeien.

Zij is voor haar geheele leven gebrandmerkt en al draagt zij ook een zwart pleistertje op het litteeken, voor een deskundige kan zij het toch niet verborgen houden.”

Nu werd Charly Brand zenuwachtig.

„Hoe ken je haar?”

Raffles haalde de schouders op.

„Door mijn beroep.

Jaren geleden was zij, toen ik haar leerde kennen, in dienst van een Russisch grootvorst, wiens vijanden zij vol ijver opspoorde. Daarna werd zij Nihiliste en stal telegrammen en documenten, die voor den Czaar bestemd waren, van een Engelschen koerier.

Eenigen tijd later werd zij de beminde van een Oostenrijksch bankdirecteur, speelde valsch in Monte Carlo, werd het land uitgezet, kwam te Parijs en belandde in de laagste misdadigerskringen. Voor haar verraad kreeg zij dat gekruiste litteeken en eindelijk kwam zij naar Londen terug als internationale oplichtster.” [4]

„Vergeef mij”, sprak Charly Brand, „ik vermoedde niets van het gevaarlijke karakter dezer vrouw. Ik hield haar voor een voorname dame.”

„Onschuldig als een duifje”, voegde Raffles er aan toe. „Zij moet zich in acht nemen, de duivel heeft het zoo beschikt, dat jij kennis met haar moest maken. Nu moeten wij zorgen, de zaak op de goede manier te tracteeren.”

Een geluid in het kleine zijvertrek deed hen beiden opkijken.

De oplichtster trad binnen.

Op het oogenblik, waarin zij Raffles zag, verdween het kokette lachje en haar gelaat drukte grooten schrik uit.

Charly Brand ging haar tegemoet en sprak:

„Gij staat mij zeker toe, Miss Betsy, dat ik u aan mijn vriend, graaf Von Leutomischel, voorstel, kamerheer van Zijne Majesteit den Koning van Servië.”

Miss Betsy wierp een korten, onderzoekenden blik op Raffles.

Koud en trotsch beantwoordde Lord Lister dien.

Daarop sprak Miss Betsy:

„Gij hebt carrière gemaakt, mijnheer, het verheugt mij, dat het u goed gaat. Het was jammer, dat gij twee jaar geleden Monte Carlo zoo opeens hebt verlaten.”

Een spottend lachje speelde om Raffles mond.

„De speeltafel is evenals de schoonheid van een kokette vrouw een voorbijgaand genoegen voor een gentleman. Het is onmogelijk, zich met deze zaken lang bezig te houden.”

In Miss Betsy’s oogen fonkelde een blik van haat.

„Gij drukt u op beleedigende wijze uit, mijnheer.”

„In hoeverre, Madame? Het groene laken en de roode schmink hebben merkwaardig veel overeenkomst. Alleen dwazen hopen op geluk; zij zien den gapenden afgrond niet.”

Zij krulde vol trots de lippen.

„Het verbaast mij, dat gij dergelijke dingen tot mij zegt. Wij zijn immers beiden internationaal!”

John Raffles wierp met een blik vol minachting het hoofd in den nek en bekeek haar van het hoofd tot de voeten.

„Internationaal? Hoe bedoelt gij dat?”

Zij lachte hoonend.

„Hoe ik dat bedoel? Dacht gij, dat ik zoo lang uit Londen weg was geweest, dat ik niet meer wist, wat hier voorvalt?

Misschien hebt gij in de couranten wel eens van een zekeren Raffles gelezen?”

Lord Lister haalde zijn met briljanten bezet sigaretten-étui te voorschijn, nam er een sigaret uit en stak die aan.

„Natuurlijk! Ik lees dikwijls in de nieuwsbladen over den Grooten Onbekende. Men leest er immers zoo veel van. Zoo herinner ik me ook, een jaar geleden te hebben gelezen, dat in Petersburg een schandaalgeschiedenis voorviel met de beminde van een Russischen grootvorst.”

John Raffles sprak deze woorden langzaam en met bijzonderen nadruk.

Hij zag, dat de bedriegster bij de laatste woorden, welke op haar doelden, verbleekte.

„De grootvorst was zoo onvoorzichtig geweest”, vervolgde Lord Lister, „om zijn geliefde het mechaniek van zijn brandkast uit te leggen. Zij maakte hiervan misbruik, vluchtte en werd Nihiliste.”

De avonturierster trachtte haar ontroering te verbergen achter een lachje.

John Raffles deed, alsof hij dit niet merkte en vervolgde:

„En een poosje geleden hoorde ik in Parijs, dat de vroegere maîtresse van den grootvorst gedaald was tot een gewone bedriegster en zichzelf redde door eenige makkers te verraden aan den prefect van politie der stad Parijs, den heer Lépine.”

„Zwijg!” siste Betsy, die nu haar zelfbeheersching geheel verloren had.

„Ik geloof, dat gij dergelijke verhalen niet gaarne hoort, maar het slot van een geschiedenis, welke ik u nog zou kunnen vertellen, draagt gij zelf op uw linkerwang, het kruiselingsche litteeken van een messnede, die uw makkers u toebrachten als loon voor uw verraad.”

De oogen der bedriegster waren met een uitdrukking van gloeienden haat op den spreker gevestigd.

„Gij schijnt u ten mijnen koste te amuseeren. Ik denk echter, dat gij niet verstandig handelt, mij op vijandige wijze tegemoet te treden. Ik kan u uit de couranten veel interessanter dingen meedeelen omtrent Raffles, dan gij van die dame vertelt.”

„Gij behoeft mij niets te vertellen, want ik ken de daden van Raffles beter dan de couranten. En den inspecteur van politie moet gij er ook maar niet over spreken, want die is volkomen op de hoogte. Maar van u weet de politie-inspecteur niets.” [5]

De oplichtster stampte woedend met haar voet op den grond.

„Neem u in acht! Het zou kunnen zijn, dat de couranten morgen konden berichten, dat John Raffles eindelijk gevangen is genomen. Misschien kent gij Miss Prince?”

„O ja,” lachte de Groote Onbekende, „die ken ik heel goed. Ik geloof, dat zij hiernaast in de eetzaal soupeert.”

„Aha! Hebt gij dat ook al gemerkt? Tot dusverre is nog niemand, dien zij in handen wenschte te krijgen, haar ontsnapt.”

„Daarom is zij zoo verstandig”, spotte Raffles, „om haar roem te handhaven en zich niet met mij te bemoeien. Overigens, als gij kennis met de dame wenscht te maken, zou het mij zeer aangenaam zijn, als gij dit vertrek, dat ik heb besproken, verliet. En als gij Raffles wilt leeren kennen, dan moet gij zoeken, waar hij zich bevindt.”

Een ironisch „Pah!” weerklonk.

„Gij kunt mij niet bedriegen, gij zijt Raffles! Gij hebt het immers zelf toegegeven.

Indertijd in Nizza droegt gij geen zwarten baard, zooals nu. Engelsche detectives zouden u niet herkennen. Maar wij, internationalen, hebben een fijneren neus. Men moet den dief met den dief vangen, Mr. Raffles!”

„Ik wensch u veel geluk”, sprak Raffles met een buiging.

Opnieuw weerklonk een hoonend lachje uit den mond der jonge vrouw.

„De premie, uitgeloofd op uw persoon, bedraagt nog altijd 5000 pond sterling. Een flinke som, waarvan men een geruimen tijd een gemakkelijk leventje kan leiden.

Maar ik wil bescheiden zijn. Ik zou gaarne uw vriendin worden. Ik zal den avond met uw doorbrengen en gij moet mij als belooning voor mijn stilzwijgen een cheque van 1000 pond sterling geven. Ik denk toch, dat dat goedkoop is in de onmiddellijke nabijheid van Miss Prince.”

„Zeker, zeker,”, antwoordde Raffles, „ik zal de cheque zelfs verhoogen tot een bedrag van 2000 pond sterling. Maar in allen ernst gesproken, dacht je werkelijk, kleine avonturierster, dat je je met Raffles zoudt kunnen meten?”

„Gij ziet, dat ik het aandurf. Een woord van mij in de eetzaal en gij zijt in de macht der detective.”

„Drommels, Madame”, mengde zich Charly Brand nu in het gesprek, als ik had geweten, met welk persoontje ik kennis heb gemaakt, dan had ik u nooit in gezelschap gebracht van mijn vriend.”

„Dat was mijn bedoeling”, antwoordde Miss Betsy. „Zonder dat gij het wist, kende ik u als de vriend van dien gentleman daar. Een gelukkig toeval kwam mij te hulp, om kennis met u te maken.”

Op dit oogenblik speelde een Zigeunerkapel in de eetzaal een Hongaarschen dans.

Charly Brand zag tot zijn verbazing, dat Raffles plotseling de rhythmische bewegingen van den dans maakte.

„Heerlijk!” riep de Groote Onbekende daarbij uit, „mijn lievelingsdans! Laat ons gesprek rusten—heerlijk—kent gij dezen dans, Miss Betsy?

Kom—probeer hem eens—laat ons vrienden worden.

Neem de rechterhand der dame!”

Charly Brand, die gewend was elk bevel van Raffles te gehoorzamen, greep de rechterhand der bedriegster, terwijl Raffles haar linkerarm beetpakte.

Vol verbazing keek zij naar den dansenden Raffles.

Zij begreep hem niet—was dit slechts comedie of wilde hij werkelijk vriendschap met haar sluiten?

Plotseling echter ging haar een licht op.

Raffles had een zakdoek uit zijn jas te voorschijn gehaald en drukte haar dien met een bliksemsnelle beweging in den mond, zoodat zij onmogelijk kon schreeuwen, greep daarop haar armen en hield die vast, als in een schroef.

Daarop riep hij tot Charly Brand:

„Neem uit mijn vestzak het fleschje met chloroform—zij moet verdoofd worden.”

Charly Brand deed het, bevochtigde den zakdoek en legde dien op het gelaat der bedriegster, die op den grond lag.

Het duurde slechts eenige minuten of zij was bewusteloos.

Nu nam Charly Brand een stuk touw en bond de armen en beenen der avonturierster stevig vast.

„Hoelang zal zij bewusteloos blijven?” vroeg hij zijn vriend.

„De eerste twee uur is zij onschadelijk. Een gevaarlijke slang! Kom, laten wij haar nu in de zijkamer brengen.”

Zij namen de bewusteloze op en droegen haar weg.

Het was geen minuut te vroeg, want juist diende de kellner Mr. Piek aan.

„Ah! Goeden avond, goeden avond!” riep de corpulente [6]hofleverancier, terwijl hij zijn biscuitkleurig gelaat tot een beminnelijken glimlach vertrok. „Ik ben zeer verheugd, mijn waarde kamerheer, u hier in Londen te mogen begroeten.

Ik geloofde mijn oogen niet, toen ik uw brief ontving. Ik ben zeer gelukkig, de eer te hebben, den avond met u te kunnen doorbrengen.”

„Mijn tijd is helaas zeer beperkt”, sprak Raffles. „daar ik vannacht naar den hertog van Norfolk moet afreizen.”

Bij het hooren van dezen naam keek de biscuitman zijn gastheer vol eerbied aan.

Hij had een belachelijk gevoel van onderdanigheid en respect jegens alle voornamen in de maatschappij.

Hij had zich versierd met alle orden, die hij bezat, en vol welgevallen keek hij af en toe naar de rij schitterende sterretjes.

Raffles bood den hofleverancier een zetel aan en weldra bediende de kellner hen op de geruischlooze, gedistingeerde wijze der welopgevoede zwartrokken.

Het gesprek liep aanvankelijk over onverschillige onderwerpen, hoewel Raffles het aan zijn bezoeker merkte, dat deze brandde van verlangen om iets te vernemen omtrent de eventueel uit te reiken orden.

Maar Raffles had geen haast.

Eindelijk, toen het korte, maar uitgelezen diner beëindigd was, haalde Raffles een etui uit zijn zak te voorschijn, opende het en toonde, zijn bezoeker verscheiden, met juweelen bezette, ordeteekenen.

„En nu zullen wij eens over zaken spreken”, stelde hij voor.

„Deze drie orden hebben verschillende prijzen.

Voor de voornaamste ervan moet gij mij een cheque van 500 pond sterling geven, terwijl de andere twee voor de helft te krijgen zijn.”

Begeerig blikten de oogen van den fabrikant naar de zoozeer verlangde voorwerpen en, terwijl hij met bevende handen naar het etui greep, vroeg hij:

„Is het veroorloofd, de orden van naderbij te bekijken?”

„Zeker, zeker”, antwoordde Raffles.

Raffles en Charly wisselden een ironischen blik.

Een diepe zucht ontsnapte eindelijk aan de lippen van den biscuitfabrikant.

„Zou het mogelijk zijn, graaf, dat ik deze orden alle drie in mijn bezit kreeg?”

Raffles glimlachte.

„Indien uwe geldmiddelen het u veroorloven, dan zeer zeker. Wij hebben geld noodig om ons leger tot het sterkste van geheel Europa te maken.”

„Ik begrijp u, ik begrijp u,” antwoordde Mr. Piek, „Dan neem ik ze alle drie.”

Allright,” sprak Raffles, „wees zoo goed, mij uw checque te geven.”

De kellner moest pen en inkt brengen, daar de hofleverancier geen vulpenhouder bij zich had en Raffles kreeg de checque over een bedrag van 1000 pond sterling.

Nu nam Mr. Piek de ordeteekenen uit het etui en hechtte ze op zijn borst vast.

Trotsch als een pauw liep hij de kamer eenige malen op en neer en tot Charly Brand sprak hij:

„Prachtig, nietwaar? Prachtig!”

„Magnifique!” riepen Raffles en Charly als uit één mond.

„Ja,” lachte de biscuitfabrikant, „men moet voor zichzelf iets overhebben. Als ik van adel was, dan zou ik dit niet noodig hebben. Maar op deze manier maak ik mijzelf voornaam, wat minstens gelijk staat met een adellijken titel.”

Hij wees met zijn vinger, die van juweelen vonkelde, naar zijn borst.

„Ziet gij—” hij wees naar zijn schouder, waarvan een gekleurd lint afhing, veel gelijkende op de schouderlinten, waarmede zich, in navolging der militairen in Duitschland de landelijke bevolking tooit—„dit is de Japansche orde van het roode kruis. Het is een onderscheiding, die ik voor mijn opofferenden moed in den Russisch-Japanschen oorlog kreeg.”

Charly Brand keek op.

„Hebt gij den veldtocht meegemaakt in het Japansche leger?”

„Dat niet,” antwoordde Mr. Piek, „maar ik schonk aan de afdeeling van het Roode Kruis een wagonlading biscuits, waarvoor men mij uit erkentelijkheid decoreerde. De heele zaak kostte mij niet meer dan 10 pond. Een schitterend effect, nietwaar?”

„Natuurlijk!”

„Ja, weet gij en omdat die orde zoo goedkoop was, liet ik tegelijkertijd een zelfde exemplaar komen voor mijn vrouw. Ik zeg u, het staat ontzettend gekleed bij een avondtoilet.”

„Jammer,” sprak Raffles, „als ik geweten had, dat uw vrouw ook waarde hecht aan een decoratie, dan had ik haar uit Belgrado onze orde voor deugd en schoonheid medegebracht.”

„Misschien wilt gij mij die zenden,” sprak de hofleverancier, [7]„gij weet niet, hoe gelukkig gij mij daarmede zoudt maken.”

„Gij moet mij niet kwalijk nemen,” antwoordde John Raffles na eenige oogenblikken opstaande, „maar mijn tijd is beperkt, ik moet Londen met den trein van elf uur verlaten.”

„Ik zou u een vriendelijk verzoek willen doen,” smeekte Mr. Piek bij het afscheid.

„En dat is?”

„Verschaf mij de eer op uw terugreis door Londen bij mij te komen dineeren.

Mijn huis is bekend als een der mooiste van geheel Londen.

Als gij belang stelt in schilderijen, mijnheer de graaf, ik ben in het bezit van verschillende werken van Rubens, Rembrandt en andere meesterstukken. Ook heb ik uit de nalatenschap van koning Lodewijk van Beieren het volledige gouden tafelservies gekocht; ik bezit de kostbaarste meubelen, tapijten en gobelins. Gij moet mijn huis leeren kennen.”

„Ik zal gaarne gebruik maken van uw uitnoodiging,” antwoordde John Raffles, „want ik interesseer mij voor dergelijke dingen.”

„De inrichting van mijn huis kost mij meer dan honderdduizend pond sterling. Die inrichting zou mij bezwaren, ik zou te eenvoudig zijn voor al die kostbaarheden, als ik niet verscheiden decoraties had.

Dus ik mag erop rekenen, dat gij mij komt bezoeken?”

Raffles reikte hem de hand en sprak:

„Ja, ik zal u bezoeken, daar kunt gij vast op rekenen!”

„Sta mij dan toe, dat ik heenga. Een voorspoedige reis, heer graaf. Gij zult in mij steeds uw dienstwilligen dienaar vinden. Deel Zijne Majesteit, den koning van Servië mede, dat ik, Mr. Piek, hofleverancier van Zijne Majesteit den Koning van Engeland, bezitter der hoogste decoraties, voor het Servische volk mijn goed en bloed veil heb. Een bewonderenswaardig volk!”

Onder herhaalde handdrukken vergezelde Raffles den fabrikant tot aan de deur en toen hij deze weer had gesloten, sprak hij tot Charly Brand:

„Ik zal inderdaad eens een kijkje gaan nemen in de woning van dien man. Ik zou nooit hebben gedacht, dat er zooveel geld te verdienen valt met biscuits. Als ik niet Raffles was, ik zou biscuitfabrikant willen zijn.

„Ik denk, dat het nu tijd is om op te breken. Maar eerst zal ik onze kleine vriendin hiernaast van haar boeien ontdoen. Ik denk, dat deze les haar zal heugen.” Hij begaf zich naar de kleine toiletkamer, waar de avonturierster nog steeds bewusteloos op den divan lag en sneed met een scherp mes de touwen door.

Daarop keerde hij in het salon terug.

Hier betaalde hij den kellner het diner.

De rekening bedroeg 6 pond.

Een pond gaf hij als fooi.

Daarop sprak hij, terwijl hij de deur naar de eetzaal opende en naar miss Prince wees, die daar nog steeds zat:

„Hier hebt gij een briefje in een couvert. Geef dat aan die dame, daar aan dat tafeltje, maar niet voordat ik weg ben.

En de jonge dame, die hiernaast op den divan ligt te slapen, moet gij nog een poosje laten rusten.”

De kellner maakte een buiging en Raffles ging heen.

Hij ging vlak langs het tafeltje van Miss Prince en op luiden toon sprak hij tot Charly Brand, zoo dat de dame het kon hooren:

„Eigenaardig, wat voor een boonestaken van vrouwen er toch in de wereld zijn. Ik zou niet graag in gezelschap van zoo eentje soupeeren.”

Miss Prince keek hem met woedende blikken aan.

„Bedoelt gij mij soms, vroeg zij op scherpen toon.

„Pardon, Miss Prince,” antwoordde Raffles, „gij schijnt niet goed verstaan te hebben.”

Hij nam zijn hoed af en verliet de eetzaal.

Verbaasd keek de vrouwelijke detective hem na.

Wie kon dat geweest zijn?

Zij kende dien heer niet.

Daar naderde de kellner haar en overhandigde haar het hem door Raffles gegeven couvert.

Haastig scheurde zij het open en las:

„Miss Prince!

Gij zijt geen detective. Gij hebt te lang werk om te dineeren.

Groet den inspecteur van politie Baxter van mij. Gij zoudt verstandig doen, te trouwen en op uw lauweren te gaan rusten.

Ik groet u met dezelfde hoogachting, die ik heb voor den politie-inspecteur Baxter.

JOHN C. RAFFLES.”

Zoo snel als nu was miss Prince nog nooit opgesprongen.

„Wie gaf u dezen brief?” vroeg zij den kellner.

„De heeren die zooeven aan uw tafeltje stonden,” [8]

„Wat?” schreeuwde Miss Prince, „hier aan mijn tafeltje?”

„Ja. Ik zag de heeren met u spreken.”

Met een zucht viel Miss Prince in haar stoel terug.

Het schemerde voor haar oogen.

Dit was meer dan zij kon verdragen.

Terwijl zij erover nadacht, hoe zij Raffles in handen zou kunnen krijgen, naderde hij haar, beleedigde haar, had met haar gesproken, stuurde haar een brief en was verdwenen.

Zij wierp een paar groote geldstukken op het tafeltje en was verdwenen.

Misschien gelukte het haar, hem nog te vinden.

Maar haar hoop bleek ijdel.

De portier deelde haar mede, dat de heeren, welke zij hem beschreef, te voet waren heengegaan.

Toen zij vroeg, in welke richting, wees hij haar, omdat zij geen fooi gaf, de tegenovergestelde.

Zij snelde den verkeerden kant op.

John Raffles echter had met Charly Brand een huurrijtuig genomen en was daarin naar het station gereden.

Toen zij in de coupé zaten, sprak hij tot Charly Brand:

„Ik heb nog twee shilling in mijn zak als laatste overblijfsel van ons gezamenlijk vermogen. Het was juist voldoende om alle onkosten te bestrijden. Als je nog een dag had gewacht met mij op de hoogte van den toestand te brengen, dan had ik er niet voor ingestaan, dat de truc mij was gelukt.

Voortaan moet je mij steeds waarschuwen, als wij minder dan 100 pond op de Bank hebben staan.”

De avonturierster was intusschen weer tot bewustzijn gekomen, opgestaan en had zich wankelend naar het salon terug begeven.

Nadat zij een paar glazen water had gedronken, trok zij haar mantel aan en ging heen.

In machtelooze woede balde zij de vuisten, zoodat haar nagels zich diep in het vleesch groeven.

Slechts één enkelen wensch koesterde zij op het oogenblik: den ondergang van Raffles te bewerken! [9]