[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

IN SCOTLAND YARD.

Het dagelijksche ochtendrapport, dat politie-inspecteur Baxter van zijn beambten ontving, was juist doorgelezen en had het humeur van den chef van Scotland Yard aanmerkelijk slechter gemaakt.

Voor het tweede ontbijt was de inspecteur van politie altijd ongenietbaar.

Met een vloed van scheldwoorden gaf hij de dikke portefeuille met acten aan Marholm, toen de dienstdoende agent binnentrad en meldde:

„Miss Prince.”

Hij mompelde een ellenlangen vloek, want dit bezoek was hem vóór het ontbijt zeer onwelkom.

„Ik ben nu niet te spreken!” riep hij uit, „laat zij naar den duivel loopen. Wat heeft zij haar neus in onze zaken te steken. Ik kan op mijn nuchtere maag geen oude wijven uitstaan.”

„Gij waart toch heel blij, inspecteur,” sprak de vloo, zooals Marholm door zijn collega’s steeds werd genoemd, „dat deze dame, dit genie der Amerikaansche detectivekunst, zich bij u aanmeldde om u te helpen, Raffles te vangen.”

„Hoor eens,” riep Baxter met een woedenden blik op zijn secretaris, „zwijg nu alsjeblieft over Raffles. Ik wil niets over dien man hooren. Kort en goed, ik heb geen tijd en geef u volmacht om mij in alle aangelegenheden te vertegenwoordigen, waar zulks noodig is.”

„Wees dan zoo goed,” sprak de vloo, „om mij dat zwart op wit te geven.”

Inspecteur Baxter zette een paar regels op papier, welke Marholm het recht gaven, in zijn plaats te handelen.

Daarop verdween Baxter door de zijdeur, terwijl de vloo den nog steeds wachtenden politie-agent bevel gaf, Miss Prince binnen te laten.

„Ik ben zenuwachtig,” riep zij den detective toe, „ik ben voor den eersten keer in mijn leven zenuwachtig. Verbeeld u, wat mij gisteren is overkomen.”

Met een stroom van woorden, vertelde zij Marholm van haar ontmoeting met Raffles en van diens brief.

De vloo kon een lachje niet bedwingen, wat de Miss boos maakte.

„Ik wilde den politie-inspecteur nu verzoeken,” vervolgde zij, „om een zijner beambten te mijner beschikking te stellen, die mij kan begeleiden.”

Allright,” antwoordde de vloo, haar een vel papier gevende, „schrijf uw verzoek hierop, dan zal ik de noodige maatregelen nemen.”

Terwijl Marholm op zijn gemak zijn pijp rookte, schreef Miss Prince het verlangde op en overhandigde het papier aan den detective.

Deze las het vluchtig door en schreef er onder:

„De detective Marholm wordt ter beschikking gesteld van Miss Prince.

Namens den politie-inspecteur Baxter,

MARHOLM.”

„Ziezoo,” sprak hij tot zichzelf, „nu ben ik tenminste voor een tijdje van den bureaudienst af en behoef niet naar de scheldwoorden van mijn patroon te luisteren.”

„Ik ben bereid om u te volgen,” sprak hij tot Miss Prince. „Wilt gij mij vertellen, wat uw plan is?”

„Daaromtrent kan ik u geen inlichtingen geven,” antwoordde de vrouwelijke detective, „ik houd er van om mij af en toe door het toeval te laten leiden. Op die manier heb ik reeds de grootste misdadigers in [10]handen gekregen. En dat hoop ik ook in dit geval.”

„Gij zijt een uitzondering op den algemeenen regel,” sprak de vloo, „wij zijn tegenwoordig allemaal op de Sherlock Holmes-manier afgericht.

Wij beginnen met de stofjes, die in de lucht zweven, te onderzoeken, om te zien of misschien de adem van den misdadiger daaraan kleeft.

Dan wegen wij het, om daaruit zoo mogelijk het gewicht van den misdadiger vast te stellen.

Daarop photografeeren wij het corpus delicti en leggen het in onze verzameling. Voordat het daar in komt, wordt het nog in was afgedrukt, met roet ingesmeerd en door onzen scheikundige ontleed.

Verder laten wij onze politiehonden het stofdeeltje langen tijd besnuffelen en dan zijn wij, gewapend met alle hulpmiddelen, die de wetenschap ons biedt, in staat om den misdadiger vast en stellig in handen te krijgen.

De premie, die op zijn persoon is uitgeloofd, wordt op de een of andere Bank gedeponeerd en tegen vier procent uitgezet.

Gij kunt u niet voorstellen, welk een enorm bedrag wij reeds op de Bank hebben staan.

Ik zou alleen wel eens willen weten op welke wijze de misdadigers zich voor ons verborgen weten te houden, want wij krijgen geen enkelen in handen.”

Miss Prince antwoordde niets.

Zij voelde de ironie, waarmede Marholm zichzelf en zijn collega’s belachelijk maakte.

Intusschen had de vloo zich gereed gemaakt, legde het verzoek van Miss Prince met zijn toestemmende beschikking op tafel, belde om een sergeant-detective en stelde dezen als zijn eigen plaatsvervanger aan.

Toen de inspecteur een uur later weer in het bureau terugkwam, zat een vreemde beambte op den stoel van zijn secretaris.

Hij beet dezen toe, wat hij daar moest doen.

„Bevel van den waarnemenden inspecteur,” sprak de sergeant, „om secretaris Marholm gedurende diens afwezigheid te vervangen.”

„Vervangen? Wat beteekent dat? Waar is Marholm?”

„Weet ik niet,” antwoordde de detective.

Na zag Baxter het door Miss Prince geschreven verzoekschrift liggen en de beschikking, welke Marholm had getroffen.

„Dat is een brutale streek,” barstte Baxter los, „nu heeft die kerel eenvoudig verlof genomen, terwijl hier stapels werk liggen. Nu moet ik dus alles alleen in orde maken, want die ezel daar heeft geen flauw idee van ons werk.”

Marholm was met Miss Prince een restaurant binnengegaan en terwijl zij ontbeten, begon de detective zijn gezellin de dwaaste rooversgeschiedenissen te vertellen.

Hij maakte haar wijs, dat Raffles werkte met afstandsfotografie, telegrafie en telefonie zonder draad, dat hij altijd wist, waar de personen zich bevonden, die hem zochten en dat er niets bestond, wat hem onschadelijk kon maken.

Des avonds begaven zij zich te zamen, nadat zij Londen den geheelen dag hadden doorkruist, zonder een spoor van Raffles te vinden, naar een schouwburg.

Miss Prince had gelijk gehad, toen zij beweerde, dat het toeval een groote rol speelt in het leven.

Raffles en Charly Brand hadden plaats genomen in denzelfden schouwburg, zaten in een loge en keken zoo vol aandacht naar het tooneel, dat zij Marholm en Miss Prince niet zagen binnenkomen.

De eenige voorzorg, die zij genomen hadden, om niet te worden herkend, was een baard.

De vloo herkende Raffles echter dadelijk.

Een vroolijk lachje gleed over zijn gelaat en een schelmsche uitdrukking kwam in zijn oogen.

Hij was een grappenmaker en om die reden, ondanks zijn verdere bekwaamheden, niets waard voor het beroep van detective.

Hij kon het niet helpen, maar hij zag de dingen altijd van een komische zijde en als zij die niet hadden, rustte hij niet, voordat hij er toch iets grappigs aan had ontdekt.

Miss Prince had Raffles niet gezien.

Maar in de volgende pauze zag de groote onbekende zoowel den detective als diens vrouwelijke collega.

In het eerste moment wilde hij opspringen en den schouwburg verlaten.

Daarop echter zag hij, hoe Marholm hem met een lichte handbeweging groette.

John Raffles beantwoordde den groet.

Van den detective had hij, zooals hij hieruit begreep, niets te vreezen.

Lord Lister zag, hoe de vloo zich plotseling van zijn tafeltje verwijderde en, nadat hij met zoekende blikken tusschen de rijen stoelen was doorgeloopen, vlak bij zijn loge bleef staan.

Alsof hij het woord richtte tot een goeden kennis, keek Marholm naar Raffles op en sprak:

„Een dame wenscht kennis met u te maken.” [11]

„Ik weet het,” fluisterde Raffles, „ik verschafte mijzelf reeds gisteren het genoegen, kennis met haar te maken, zonder dat zij het wist.”

„Ik heb mij daarover kostelijk geamuseerd,” lachte Marholm. „Ik ga nu naar het tafeltje terug en hoop, dat gij iets er toe zult bijdragen om mij een beetje genoegen te verschaffen, want daarvoor leef ik op het oogenblik.”

Raffles glimlachte met een blik van verstandhouding en Marholm begaf zich naar zijn tafeltje terug.

Het volgende nummer, dat op het tooneel werd vertoond, interesseerde Raffles levendig.

Een beeldhouwer stelde met levende modellen, die in wit tricot waren gekleed en witte maskers en pruiken droegen, marmergroepen voor. Het waren allerlei tooneelen uit de Grieksche mythologie.

Toen het nummer was afgeloopen, zei Raffles tot Charly Brand:

„Deze avond heeft de moeite wel geloond, ik heb een nieuw plan!”

Voor de volgende nummers interesseerde de groote onbekende zich niet meer.

Hij nam zijn notitieboekje en daar hij een uitstekend karikatuurteekenaar was, schetste hij met een paar krabbels Miss Prince en schreef er onder:

„Als herinnering aan dezen avond groet u met de meeste hoogachting

John C. Raffles.”

Voordat hij den schouwburg verliet, gaf hij het briefje aan een der beambten en verzocht hem, terwijl hij op Miss Prince wees, het briefje aan de dame ter hand te stellen.

Door zijn tooneelkijker zag hij, op een grooten afstand staande, hoe Miss Prince het briefje las.

John Raffles had zelden zoo’n verbluft gezicht gezien als dat van de vrouwelijke detective, toen zij de karikatuur en het onderschrift bekeek.

De vloo echter barstte in zulk een onbedaarlijk lachen uit, dat de dichtstbij zittenden hem voor abnormaal hielden.

„Ik heb het u wel gezegd,” grinnikte Marholm. „Hij teekent zelfs uit de verte. Bewaar het velletje maar goed, opdat gij in elk geval iets van Raffles hebt. Hemzelf zult gij evenmin krijgen als inspecteur Baxter.”

„Ik bedank u voor uw verdere diensten,” siste Miss Prince woedend, „ik merk wel, dat gij u te mijnen, koste amuseert. Gij gedraagt u jegens mij, als collega, zeer beleedigend. Ik zal het spoor van den grooten onbekende alleen volgen. Ik zweer u, zoo waar ik Miss Prince heet, dat ik Raffles voor zijn brutaliteit zal straffen.”

„Nu, nu,” lachte Marholm „ik wensch u niets dan goeds toe, maar een mensch moet niet te veel begeeren.”

Voor het theater nam hij afscheid en ging per rijtuig naar Scotland Yard terug.

Daar trof hij den politie-inspecteur, die bij afwezigheid van Marholm de acten in zijn eentje moest doorlezen.

„Zoo, mijnheer!” riep Baxter hem toe, „zijt gij daar eindelijk? Waar zijt gij geweest?”

„Op uw bevel heb ik Miss Prince vergezeld.”

„Gij zijt gek! Ik weet niets van een dergelijk bevel. Ik neem mijn woorden weer terug!”

„Wind u niet op, inspecteur, ik heb een onbetaalbare grap beleefd. Verbeeld u:

Ik was met Mis Prince in het specialiteitentheater en toen de voorstelling was afgeloopen, bracht een der schouwburgbeambten een velletje uit een notitieboekje, waarop Raffles een karikatuur van Miss Prince had geteekend met het lichaam van een koe en een ezelskop. Een prachtkarikatuur voor „Punch”, dat verzeker ik u!”

Nu moest zelfs Baxter lachen.

„Is dat werkelijk waar?”

„Zoo waar als Raffles leeft,” lachte de vloo, „het is een onbetaalbare mop!” [12]