[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

DE VOORNAME GAST.

De directeur van hotel Continental te Oostende ging, vergezeld door den oberkellner, den kellner Charly en het kamermeisje Betsy, het salon binnen om te zien of alles in orde was.

Hij had uit Londen een telegram ontvangen, waarin een zekere graaf Von Leutomischel, kamerheer van den koning van Servië, voor zich en zijn vriend een salon, eetkamer en twee slaapkamers bestelde.

Met dergelijke gasten bemoeide zich de directeur zelf.

Terwijl hij zich tot den oberkellner wendde, sprak hij:

„Wanneer de kamerheer zich over iets beklaagt, of de bediening in eenig opzicht zijn misnoegen opwekt, dan wordt gij, zoowel als de kellner en het kamermeisje ontslagen. Waarschijnlijk komt de kamerheer, om het hotel te inspecteeren voor een eventueel bezoek van den koning van Servië.

Ik draag u dus de grootste stiptheid en voorkomendheid op jegens deze gasten en herhaal u, dat bij de minste klacht uw ontslag onmiddellijk zal volgen.”

Met onderzoekende blikken bekeek de directeur de meubelen en veegde met zijn duim over het mahoniehout van een salonkastje.

Daarop hield hij zijn duim onder den neus en hoewel hij eigenlijk niets kon ontdekken, was het toch steeds zijn principe om zijn ondergeschikten op fouten te wijzen.

Hij hield daarom zijn duim ook onder den neus van zijn oberkellner en vroeg:

„Wat is dat, hè?”

De oberkellner boog zijn spitsen neus zoo diep mogelijk over den duim, bekeek de huid, haalde de schouders op en antwoordde:

„Pardon, directeur, het spijt mij—”

De directeur zette een woedend gezicht

„Zoo, zoo, spijt het u? Mooi, kom jij eens hier, Charly!”

De kellner, die het uiterlijk had van een lichtzinnig mensch, zwaaide met zijn servet en naderde den directeur.

Deze hield ook hem zijn duim onder den neus.

„Misschien weet gij, wat hier op mijn duim ligt.”

„Jawel,” antwoordde Charly, „de nagel is niet al te best verzorgd. Gij moet hem flink schuieren, directeur!”

„Zijt gij krankzinnig? Ik zal u straks eens bewijzen welk vuil het is!

Juffrouw Betsy, misschien kunnen uw mooie oogen, die zich toch altijd met alles bemoeien wat in het hotel gebeurt, nu ook zien wat hier aan mijn duim zit. [13]

De zwartharige Betsy glimlachte spottend en antwoordde:

„Dat is uw duim, heer directeur.”

Eerst wilde de directeur een vloek als antwoord geven, maar hij bedacht, dat hij met mademoiselle Betsy niet op zou schieten, daar hij haar meerdere malen in de wangen had geknepen en zelfs reeds een kus had gegeven.

„Mijn duim, zegt gij?

Ik geloof u wel, heeren en het zou prettiger voor u zijn, als het alleen mijn duim was, maar, kijk, daar—daar—daar—”

Hij hield nogmaals zijn duim onder den neus van zijn ondergeschikten.

„Er kleeft iets aan, wat nooit gevonden mag worden in de kamers van een hotel, vooral niet in die van een voornamen gast, namelijk—stof!”

Zoowel de oberkellner als Charly en het kamermeisje keken ongeloovig en als uit één mond riepen zij op verontwaardigden toon uit:

„Stof?”

„Ja, stof!” sprak de directeur, „en gij zijt er verantwoordelijk voor.”

„Pardon monsieur,” sprak de zwarte Betsy, „hier is sedert een uur geleden, toen het telegram aankwam, vijf maal stof afgenomen.”

„Voor gewone menschen is dat voldoende, mademoiselle Betsy, maar waar het dergelijke gasten betreft, neemt men niet vijfmaal, maar onophoudelijk stof af.”

„Ezel!” mompelde Betsy in stilte, terwijl zij opnieuw op de meubelen begon te wrijven.

„Hoeveel graden is het in de kamer?” vroeg de directeur den oberkellner.

Deze keek op den thermometer in het salon en meldde:

„Zeventien graden Réaumur.”

„Te weinig! Laat de gaskachel branden, het moet 19 graden zijn.

Laat mij nu uw vingers eens zien.”

De kellners trokken hun witte handschoenen uit en toonden den directeur hun handen.

Deze bekeek ze vol aandacht door een lorgnet.

Vooral de vingers van Charly bevielen hem niet.

„Schuier uw handen flink!”

„Ik heb immers witte handschoenen aan,” verontschuldigde de kellner zich.

„Hoe!” schreeuwde de directeur, „ik ben sprakeloos. Wascht gij soms uw vingers in ’t geheel niet meer, omdat gij witte handschoenen draagt?

Houd uw meening voor u en doe, wat ik u beveel.

Stel u nu eens voor, dat ik de kamerheer, of liever de koning van Servië was.

Ik zal jelui leeren, hoe men zich tegenover vorstelijke personen gedraagt. Gaat nu buiten de deur en wacht totdat ik bel.”

De kellners bogen en antwoordden: „Goed, directeur,” waarop zij verdwenen.

De directeur nam bij de schrijftafel plaats en drukte op den knop van een electrische bel.

Onmiddellijk openden de kellners de deur en snelden naar binnen.

„Wat beveelt Uwe Majesteit?”

Z. M. de koning van Servië, alias de hoteldirecteur Smithson keek verontwaardigd en antwoordde op woedenden toon:

„Ezels, ik verlang niets!”

Beide kellners maakten een diepe buiging, antwoordden: „Uitstekend, Majesteit!” en verlieten de kamer.

Reeds waren zij de deur genaderd, toen de directeur hun nabulderde:

Mille tonnerres! Hier blijven!”

De kellners bleven staan en antwoordden: „Uitstekend, Majesteit!”

Als antwoord weerklonk een nog luider:

Ezels!”

Nu werd het den oberkellner echter te machtig.

Hij wreekte zich door te vragen:

„Gebraden, gestoofd of levend?”

De directeur was sprakeloos. Zijn gelaat werd donkerrood van toorn.

„Ezels!” schreeuwde hij opnieuw, „maar geen gebraden, gestoofde of levende. Jelui zelf zijt ezels!

Men zegt niet „uitstekend” tegen een vorstelijk persoon. Men vraagt een koning niet, wat hij wenscht. Dat vraagt men alleen aan ons, gewone menschen, die niet weten wat zij willen. Koningen weten dat altijd.

Begrepen?”

„Uitstekend!” antwoordde de oberkellner.

Op dit oogenblik kwam een piccolo binnen met het bericht:

„Een rijke Engelschman, Mr. Piek uit Londen, is met zijn jacht in de haven aangekomen en wenscht u te spreken.”

„Bon,” antwoordde de chef en stond op.

Voordat hij de kamer verliet, sprak hij tot den oberkellner:

„Zorg er voor, dat Charly de noodige wenken krijgt, opdat hij weet, hoe hij zich te gedragen heeft. Ook [14]Miss Betsy. In plaats van Majesteit moet gij den kamerheer aanspreken met Excellentie.”

De directeur verdween en de oberkellner nam aan de schrijftafel plaats met een hoogmoedige uitdrukking op het gelaat en den neus in de hoogte.

Hij belde.

Dadelijk verscheen Charly en toen hij zag, dat de directeur was heengegaan, sprak hij:

„Is de stommerik weg?”

„Zwijg!” barstte de oberkellner uit, „die stommerik ben ik nu zelf. Ik moet hem vervangen en jelui de noodige bevelen geven. Noem mij aldoor Uwe Excellentie.

Breng mij voor alles whisky, soda en sigaretten.”

Een lachje van verstandhouding vloog over het brutale gezicht van den kellner.

„Uitstekend, Excellentie, ik zal er voor zorgen.”

Hij maakte een buiging en ging heen.

Nu richtte de oberkellner zich tot Miss Betsy, die in de slaapkamer was gegaan.

„Wat wenscht gij?” riep Betsy, terwijl zij op den drempel verscheen.

„Spreek mij aan met de woorden Uwe Excellentie,” antwoordde de oberkellner. „Gij hebt toch zeker het bevel gehoord, dat Mr. Smithson achterliet. Ik moet u eenige inlichtingen geven.

Kom eens even hier in het salon.”

Zwarte Betsy verscheen, bekeek den oberkellner minachtend van het hoofd tot de voeten en antwoordde:

„Wat zijt gij? Kamerheer? Gij bedoelt zeker kamerdienaar!”

„Brutale heks,” riep de oberkellner, „ik zal er voor zorgen dat gij ontslagen wordt.”

„Pah!” lachte Betsy hoonend, „ik kan voor deze betrekking wel tien andere terugkrijgen en er zijn gelukkig niet overal menschen met zulke apengezichten als gij!”

Nu sprong de oberkellner op.

„Gij wilt mij weer tergen. Niemand anders zou zoo iets tegen mij durven zeggen! Gij hebt het alleen te danken aan mijn liefde voor u, dat ik dergelijke beleedigingen verdraag.”

„Dat is heel dom van u.”

De oberkellner ging vlak naast haar staan, zijn oogen vonkelden van toorn.

„Gij denkt te gering over mij, Betsy! Ik zeg het u voor den laatsten keer. Drijf mij niet tot het uiterste.

Ik weet verscheiden dingen uit uw leven en onlangs—toen ik heel toevallig—in uw kamer kwam—zooals ik zei—heel toevallig—zag ik daar een armband liggen, die—hm!—hier een paar weken geleden op geheimzinnige wijze aan een Engelsche dame ontstolen werd.

En nu wil ik een kus van je hebben.”

Hij trachtte de Zwarte Betsy te omhelsen, maar het gelukte hem niet.

Voordat hij een tweede poging kon wagen, kwam de kellner binnen, een flesch whisky, glazen en sigaretten meebrengende.

De Zwarte Betsy ging weer naar de slaapkamer, terwijl de oberkellner zich een glas whisky inschonk.

Als een echte fijnproever dronk hij de whisky met langzame teugen uit en sprak tot den wachtenden Charly:

„Het is goed, gij kunt gaan.”

De kellner lachte.

„Zegt gij dat als kamerheer?”

„Waarom?” vroeg de oberkellner, terwijl hij zich een tweede hartversterking inschonk.

„Omdat ik ook een glas zou willen drinken.”

„Dat kunt ge later doen. Neem de flesch mee weg.”

De kellner deed wat hem bevolen werd, terwijl de oberkellner een sigaret opstak.

Nauwelijks had hij eenige trekken gedaan, of Charly kwam haastig binnen en riep uit:

„Pas op! Daar komt de baas!”

Snel begaf de oberkellner zich naar het balcon en wierp de sigaret op straat.

Daarop deed hij al zijn best om met het servet den rook uit de kamer te verdrijven.

Maar voordat dit hem was gelukt, trad de directeur, vergezeld door Mr. Piek, binnen.

Dadelijk bemerkte Mr. Smithson den sigarettenrook.

Hij snoof eenige malen en vroeg toen:

„Wie heeft hier gerookt?”

De kellner maakte een buiging en antwoordde in plaats van zijn collega:

„Zijne Majesteit de koning van Servië.”

„Wie?”

„Of de kamerheer van den koning van Servië. Ik weet niet precies wat de oberkellner voorstelt.”

„Hoe komt gij er toe, om hier te rooken?”

„Pardon, directeur, volgens uw bevel gaf ik Charly eenige wenken en liet mij door hem helpen bij het aansteken van een sigaret, opdat hij weet, hoe hij zich daarbij te gedragen heeft.”

„Verlaat de kamer!” beval de directeur en beide kellners gingen heen. [15]

Nu wendde hij zich tot Mr. Piek.

„Zooals ik u reeds zei, Mr. Piek, ik heb helaas op het oogenblik de kamers, die gij wenscht, niet disponibel.

Zijne Excellentie de kamerheer heeft twee uur geleden deze vertrekken voor zich doen reserveeren.”

„Prachtige kamers,” antwoordde Mr. Piek. „Ik ben een intiem vriend van dezen kamerheer en door zijn voorspraak kreeg ik deze decoratie van den koning van Servië. Ik ga op vriendschappelijken voet met hem om en ben daar zeer trotsch op.

Het verbaast mij, dat hij zoo weinig kamers bij u heeft besteld.

Dergelijke hooggeplaatste personen zijn anders steeds gewend om een heele rij vertrekken te huren, nl. een eetkamer, een slaapkamer, een toiletkamer, een ontvangkamer, een conversatiekamer, een rookkamer en een wachtkamer.

Elke bediende zelfs maakt aanspraak op twee kamers—met aparte badkamer—en closet.”

„Hoewel hij kamerheer is, is hij een spaarzaam mensch; hij zal met deze vertrekken genoegen nemen,” antwoordde de directeur.

„Ik zal trachten, in het hotel de Paris onderdak te komen. Op mijn jacht kan ik helaas niet slapen, want ik kan het schommelen niet verdragen.”

Beide heeren verlieten de kamer en nauwelijks waren zij weg, of de kellner trad weer binnen, luisterde eenige minuten aan de deur en sprak toen tot Betsy, die ook weer was binnengekomen:

„Eindelijk zijn wij voor een paar seconden ongestoord.”

„Waarom luister je aan de deur?” vroeg Betsy.

De kellner knarste met de tanden.

„Die schurk, die spion, de oberkellner zit mij vandaag overal op de hielen. Het is precies alsof hij ons wil bewaken.”

„Hij heeft mij gesnapt,” fluisterde Betsy, „hij heeft in mijn kamer den armband met robijnen van Lady Walton gezien.”

De kellner werd doodsbleek.

„Heeft hij dat gezien?”

Zwarte Betsy knikte bevestigend terwijl de kellner op het tapijt stampte en riep:

„Die kerel moet weg! Hij wordt gevaarlijk!

Wij zullen het aan Gelen Tom vertellen, een messteek van Patt moet hem onschadelijk maken.”

„Doe wat je goed vindt,” mompelde Betsy. „Wat denk je van dien kamerheer?”

Charly haalde de schouders op.

„Denk je dat hij een collega van ons is, die hier zijn slag denkt te slaan?”

„Een Londensche gauwdief.”

„Het zal hem niet gemakkelijk vallen. Sinds Raffles de politie bezighoudt, is deze overal zeer waakzaam.”

„Misschien is het Raffles zelf.”

„Onzin,” sprak de kellner, „die blijft in Londen, daar is hij veiliger dan in Oostende. Heb je belang bij den grooten onbekende?”

„Ik haat hem,” fluisterde zwarte Betsy.

„Het zal je niet veel geven,” lachte Charly, „Raffles is een geslepen kerel, verstandiger dan wij allen met elkaar.

Stil—daar komt iemand.”

Onmiddellijk stoven de twee uit elkaar.

Zwarte Betsy verdween in de slaapkamer, terwijl de kellner het salon verliet. [16]