[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN AVONDPARTIJ BIJ DEN BISCUITFABRIKANT.

Reeds vroeg in den morgen, kort nadat de zon was opgegaan, ontmoette Raffles den biscuitfabrikant, om op diens jacht een ochtendvaart te maken.

Het was verrukkelijk weer, toen Lord Lister en zijn secretaris met Mr. Piek in gemakkelijke stoelen op het dek zaten.

Plotseling sprak Raffles, schijnbaar schertsend:

„Ik zou wel lust hebben, het Kanaal over te steken en in Londen te dineeren. Hoeveel tijd hebt gij voor den overtocht noodig, Mr. Piek?”

„Wij kunnen bij dezen wind in zes uur over zijn!”

All right!” antwoordde Raffles, „toon mij eens, of uw zeiljacht dat kunststuk werkelijk ten uitvoer kan brengen en laten wij in Londen dineeren.”

„Het zal mij een eer zijn, Excellentie, u in mijn huis te mogen ontvangen.

Gij hebt mij reeds eenige dagen geleden de belofte gedaan, mij te zullen bezoeken. Ik zou, evenals mijne vrouw, zeer gelukkig zijn, u bij ons te mogen ontvangen.”

Mr. Piek kon onmogelijk vermoeden, dat deze zeiltocht over het Kanaal naar Londen een goed doordacht plan van Raffles was.

Want deze berekende, dat met de ochtendstoomboot, die zij aan den gezichtseinder zagen opduiken, politie-inspecteur Baxter of Miss Prince zou aankomen om hem in hechtenis te nemen. Hij had zich hierin niet vergist.

Baxter was met eenige zijner beambten, toen hij het telegram van Zwarte Betsy had ontvangen, dadelijk afgereisd en aan boord van de stoomboot passeerde hij op eenigen afstand het pleizierjacht.

Voordat de Groote Onbekende des morgens het hotel had verlaten, had hij Mr. Smithson een brief gegeven met de woorden:

„Ik verwacht met de ochtendboot eenige heeren uit Londen, waaronder een zeer goed vriend van mij, een zekere Mr. Baxter. Wees zoo goed, hem deze brief te overhandigen met verzoek, op mijn terugkomst te willen wachten.”

Toen de inspecteur met Marholm en twee andere detectives de vestibule van het hotel binnenkwamen en naar den directeur vroeg, kwam Mr. Smithson hem reeds tegemoet en informeerde naar zijn wenschen.

„Is hier een zekere graaf Von Leutomischel, in gezelschap van een anderen heer, afgestapt?”

Mr. Smithson antwoordde toestemmend.

„Ja, heb ik de eer, met Mr. Baxter uit Londen te spreken?”

„Kent gij mij?” vroeg de inspecteur op verbaasden toon.

Mr. Smithson maakte een buiging en sprak: [24]

„Ik heb niet de eer, u persoonlijk te kennen, maar Zijne Excellentie, graaf Von Leutomischel, deelde mij mede, dat gij een goede kennis van hem zijt.”

„Een bijzonder goede kennis zelfs,” knikte de vloo, waarop Baxter hem woedend aankeek.

„Houd uw opmerkingen voor u, Marholm!”

„Ik bevestig alleen, wat mijnheer zeide.”

Mr. Smithson begreep niets van deze woorden. En terwijl hij den brief, dien Raffles hem had gegeven, te voorschijn haalde, sprak hij:

„Zijne Excellentie droeg mij op, u dit schrijven te overhandigen en u te verzoeken, op zijn terugkomst te wachten.”

Hij gaf den inspecteur den brief en Marholm trapte zichzelf op zijn gevoeligst eksteroog, om niet in lachen uit te barsten bij het verzoek „de terugkomst van Raffles af te wachten.”

Baxter scheurde het couvert open en las:

Mijn allerbeste inspecteur,

Ik hoop niet, dat gij er bij dit heerlijke weer spijt van hebt, mijnentwege een pleiziertochtje naar Oostende te hebben gemaakt.

Daar gij ongetwijfeld over meer tijd te beschikken hebt dan ik, kunt gij van uw verblijf in Oostende genieten. Gij kunt u van den dienst afmaken door te zeggen, dat gij op de terugkomst van Raffles hebt moeten wachten. Op deze wijze zult gij onbepaald verlof hebben.

Met vriendelijke groeten en de meeste hoogachting,

JOHN C. RAFFLES.”

Baxter kneep den brief in zijn vuist samen en stak hem in zijn zak.

Daarop wendde hij zich tot den hotelier.

„Wanneer hebben de heeren het hotel verlaten?”

„Reeds heel vroeg, Mr. Baxter. Ik geloof, dat de heeren van plan waren, te gaan zeilen.”

„In hun eigen boot?”

„Neen”, antwoordde de directeur, „een kennis van Zijne Excellentie kwam gisteren met zijn zeiljacht uit Londen en de heeren zullen met hem zijn gaan varen.”

„Het zal het zeiljacht zijn geweest”, meende Marholm, „dat wij van de stoomboot af hebben gezien.

Waarschijnlijk heeft Raffles ons op het dek van de boot door zijn verrekijker wel gezien.”

„Zwijg!” bulderde de politie-inspecteur en hij vroeg den hotelier:

„Kent gij den naam van dat jacht?”

„Het spijt mij”, antwoordde Mr. Smithson schouderophalend, „maar mag ik de heeren verzoeken, mij te volgen? Zijne Excellentie gaf mij de opdracht, u een ontbijt aan te bieden.”

De vloo lachte luidkeels, wat den inspecteur geheel van streek bracht.

Hij snauwde Mr. Smithson toe:

„Wilt gij ons soms voor den gek houden?”

„Pardon”, antwoordde deze, „ik zou niet weten, waarom ik dat zou doen. Ik herhaal slechts het verzoek van Zijne Excellentie.”

„Naar de hel met uw Excellentie”, bulderde Baxter, „dat was geen Excellentie— —”

Mr. Smithson zette plotseling een lang gezicht.

„Geen Excellentie?” herhaalde hij.

„Neen!” schreeuwde Baxter, „dat was Lord Lister, de veelgezochte Raffles!”

Raffles?”

„Ja, dat was Raffles!” klonk het nogmaals op barschen toon. „Als ik u dat zeg, moet u dat voldoende zijn. Ik ben de politie-inspecteur der stad Londen.”

Het gelaat van Mr. Smithson werd purperrood.

„Dus heeft Betsy toch gelijk gehad?”

„Welke Betsy?”

Nu vertelde Mr. Smithson het gebeurde van den laatsten nacht en toen hij had uitgesproken, riep Baxter uit:

„Het is ongelooflijk! Zulke idioten!”

Miss Prince was dienzelfden morgen reeds voor den vierden keer naar Scotland gegaan om Mr. Baxter te spreken.

Niemand wilde of durfde haar mede te deelen, waarom de inspecteur niet aanwezig was.

Het was tegen den middag, toen zij het voor den laatsten keer probeerde.

Een der beambten overhandigde haar een telegram.

Haastig opende zij het en las.

„Miss Ethel Prince,
Londen,
Scotland Yard.

Tevergeefs voor Raffles naar Oostende gereisd, verneem zooeven van betrouwbare zijde, dat Raffles op zeiljacht van Mr. Piek terug is en zich waarschijnlijk als gast in diens woning bevindt.

Bewaak het huis ten strengste, ik ben tegen den avond in Londen terug.

BAXTER.”

[25]

„Eindelijk een spoor,” jubelde miss Prince, „als Raffles zich werkelijk in het huis van Mr. Piek bevindt, dan kan hij mij niet meer ontkomen.”

De gasten van den biscuitfabrikant waren met het zeiljacht in Londen aangekomen en zij hadden hem beloofd, tegen zes uur bij hem te komen dineeren.

De fabrikant gebruikte dezen tusschentijd om door middel van ijlboden zijn vrienden uit te noodigen. Zij moesten allen zien, welke voorname gasten hij had.

Reeds tegen vijf uur hielden voor de prachtige villa, die Mr. Piek in Westend bezat, talrijke rijtuigen stil en de zalen van het gebouw, dat bijna een paleis genoemd kon worden, vulden zich met gasten.

Niemand lette op Miss Ethel Prince, die, zonder uitgenoodigd te zijn, zich onder de aanwezige gasten bevond en zich zeer ongegeneerd bewoog, als behoorde zij tot hen.

Even over zessen traden Raffles en Charly Brand binnen.

Als een koning te midden zijner hovelingen zoo liep de groote onbekende door de rijen der gasten, die zich aan weerszijden hadden opgesteld en aan elk der aanwezigen werd hij door den biscuitfabrikant met al zijn titels voorgesteld.

Er bevond zich geen enkele aristocraat onder de gasten; het waren de rijkgeworden bakkers en slagers van Londen, die met hun vrouwen waren gekomen en die vervuld waren van eerbied jegens den kamerheer van den koning van Servië. Zij durfden nauwelijks adem te halen.

Raffles glimlachte ironisch, toen hij het eerbiedige gekruip dezer parvenu’s om hem heen zag.

Hij verachtte zijn geheele gezelschap, alleen de vrouw van den biscuitfabrikant interesseerde hem omdat zij het tegendeel was van haar omgeving.

Zij paste in het geheel niet in den kring van deze menschen.

Zij was zijn tafeldame en na het diner, toen het gezelschap zich in den wintertuin verzamelde, sprak zij, op een gesprek terugkomende, dat aan tafel in haar nabijheid was gevoerd:

„Ik zou gaarne van u willen weten, Excellentie, of gij de meening der andere heeren deelt, dat een misdadiger altijd een slecht mensch moet zijn.”

„Hoe komt gij aan deze vreemde vraag?”

„Ik hoorde aan tafel over Raffles spreken en een der gasten beweerde, dat hij een edel mensch moet zijn. Nu begrijp ik niet, hoe men tegelijkertijd een misdadiger en toch een edel mensch kan zijn. De couranten vertellen soms wonderlijke dingen omtrent hem. Ik zou werkelijk graag eens een onpartijdig oordeel over hem hooren.”

De aanwezigen luisterden vol belangstelling, wat Zijne Excellentie over Raffles zou zeggen.

Niemand vermoedde, dat het de groote onbekende zelf was, die het antwoord zou geven.

Alleen Miss Prince was verborgen achter een reusachtigen palm en loerde naar hem als een roofdier naar zijn prooi.

Zij wachtte op het binnenkomen van inspecteur Baxter om hem gevangen te nemen.

Op haar eigen verantwoording durfde zij een dergelijken stap niet te doen.

Raffles maakte een lichte hoofdbeweging en sprak:

„Ik weet niet, of ik u over dezen persoon iets bijzonders kan zeggen. Ik geloof dat, wanneer wij, de burgerlijke maatschappij, of de regeering, een lid van deze maatschappij als misdadiger beschouwen en straffen, dit eigenlijk niets anders is dan de overmacht van velen tegenover een enkelen. Hij moet zich den naam „misdadiger” dan laten aanleunen.

Hiermede is geenszins bewezen, dat de meerderheid steeds nobel denkt en dat de persoon, die zich tegen die meerderheid verzet, een slecht karakter heeft.

Integendeel!

Als men de levensgeschiedenissen van beruchte misdadigers verneemt, komt men tot de overtuiging, dat zij dikwijls strijd hebben gevoerd tegen personen, die, wat hun karakter betreft, verreweg hun minderen waren.”

Een Londensch advocaat, een even ijdel en met zichzelf ingenomen man als de biscuitfabrikant, sprak:

„Een eigenaardige philosofie, Excellentie. Gij zoudt een geniale verdediger van alle misdadigers zijn.”

„Dus een goed advocaat,” viel Charly Brand hem in de rede.

Maar Raffles vond deze verbetering niet goed.

„Sta mij toe, heer advocaat, dat ik u corrigeer. Gij verwart misdadiger met spitsboef, brutaliteit met slechtheid. Ik spreek alleen van misdadigers.”

„Dat verschil begrijp ik niet,” antwoordde de advocaat.

„Dan zal ik het u uitleggen,” antwoordde Raffles, „en wel in den persoon van onzen gastheer, van onzen waarden Mr. Piek.”

„Oho!” riep de biscuitfabrikant uit, „ik ben nog [26]nimmer met misdadigers in eenige aanraking geweest.”

Allen lachten.

Alleen Raffles niet.

„Gij zijt, voor zooverre ik weet,” vervolgde hij tot Mr. Piek, „leverancier van meel voor ons leger.”

De biscuitfabrikant wierp het hoofd vol trots achterover, wees met zijn rechterhand op de rij ordeteekenen en sprak:

„Ik ben er trotsch op, het meel voor ons leger te leveren en in het bezit te zijn van al deze bewijzen van verdienste.

Ja, zelfs onze vijanden hebben mij hun onderscheidingen geschonken.”

Een vroolijk lachje gleed over Raffles’ gelaat:

„Dit laatste is zeer zeker een doorslaand bewijs van uw groote verdiensten als leverancier aan ons leger. Onze vijanden moeten veel aan u te danken hebben.”

„Dat kan ik door vijf ordes bewijzen.”

Raffles antwoordde:

„Ik weet het uit de lijsten der gestorvenen.”

Alle aanwezigen lachten behalve Mr. Piek.

Zijn ijdelheid was plotseling een slag toegebracht. Voordat hij nog iets kon zeggen, vervolgde Raffles:

„Laat ons aannemen, dat gij inplaats van goed tarwemeel een surrogaat levert, bestaande uit het allerslechtste meel, vermengd met krijt, dan zoudt gij tegenover de soldaten, die ziek werden door het verbruiken van dit voedsel, een misdadiger zijn, omdat het van een slecht en gemeen karakter getuigt, zijn medemenschen in hun gezondheid te benadeelen.

Een dergelijke handelwijze pleegt alleen een fielt, een spitsboef!”

Het gelaat van Mr. Piek was purperrood geworden. De aderen op zijn voorhoofd zwollen op als dikke koorden en hij had het uiterlijk gekregen van een getergde kalkoen.

„Ik verklaar op mijn woord van eer, dat nog geen enkele soldaat van onze armee zich ooit over mijn meel heeft beklaagd.”

John Raffles lachte hartelijk en, Mr. Piek nog een laatsten veeg uit de pan gevend, sprak hij:

„Omdat zij allemaal gestorven zijn.”

De fabrikant, die nog iets wilde antwoorden, werd daarin gestoord door de zoete, welluidende tonen van een orkest en zijn vrouw noodigde de gasten uit, zich naar de muziekzaal te begeven.

Op weg daarheen merkte Raffles de vrouwelijke Amerikaansche detective op, die op hem loerde.

Zonder met de oogen te knippen, keek hij haar eenige seconden aan en geen trek op zijn gelaat deed vermoeden, dat hij haar had herkend.

Het gelukte Raffles, Charly Brand met een paar woorden omtrent het dreigende gevaar in te lichten en hem te bevelen:

„Verlaat onmiddellijk het huis.”

Hij zelf bleef koelbloedig te midden der gasten en wachtte de dingen af, die zouden komen.

Het sloeg reeds twaalf uur, de detective keek onophoudelijk met zenuwachtigen blik naar de deur en Raffles, die haar onopgemerkt bespiedde, begreep hieruit, dat zij iemand verwachtte.

Waarschijnlijk zijn vriend, inspecteur Baxter van Scotland Yard.

Plotseling kwam hij op een allerdolsten inval.

Hij haalde zijn horloge te voorschijn en sprak tot Mrs. Piek:

„Het is het uur der geesten, mevrouw, gelooft gij aan spiritisme?”

„Neen,” lachte de dame, „ik geloof niet aan dergelijke zaken.”

„Maar ik wel,” mengde zich de advocaat in het gesprek, „wij hadden verleden week eenige interessante séances bij den ouden professor Landmann.”

„Wel, ik ben in staat, eenige geesten op te wekken,” sprak Raffles. „Willen de dames en heeren eens kippevel hebben?”

„Ja! Ja!” riepen allen.

Allright, laten wij dan allen rondom de groote tafel plaats nemen, de handen tegen elkaar leggen en de tafel laten dansen.”

„Dat is geen groote kunst,” vond de advocaat. „Wij hebben op de laatste séance de geest van Richard III opgeroepen.”

„Hebt gij hem gezien?” vroeg Mr. Piek.

„Ja,” antwoordde de advocaat, „hij liep midden door de kamer en was zoo dichtbij mij, dat ik hem kon grijpen.”

„Voor den drommel!” riep een jonge bankier uit, „ik zou hem hebben vastgehouden om hem ten toon te stellen. Dat zou u een hoop geld hebben opgebracht.”

„Wanneer gij geesten wenscht te zien, dan kan ik u ook daarmee van dienst zijn,” sprak Raffles. „Gij moet mij echter beloven, geen geluid te geven, opdat gij mijn medium niet stoort.”

Miss Ethel Prince zou het liefst dat wat Raffles van plan was, hebben verhinderd.

Zij vermoedde, dat hij iets met haar zelf voorhad. [27]

Raffles draaide het licht uit en verzocht den aanwezigen, elkaars handen vast te houden.

Het was zoo donker, dat men elkaar niet kon zien.

„Het zal eenige minuten duren,” sprak hij. „Wij moeten geduldig wachten.”

Miss Prince had haar revolver in de hand genomen.

Zij vreesde een aanslag op haar leven.

In gespannen verwachting zaten de gasten rondom de tafel te wachten op hetgeen zou gebeuren.

De seconden schenen hun uren te zijn.

Plotseling vernam men in het aangrenzende vertrek de stem van inspecteur Baxter, die tot Marholm zei:

„In die kamer!”

Een oogenblik later snelden Marholm en Baxter de donkere kamer binnen en de verschijning dezer twee personen, verlicht door de lampen der andere kamer, ontlokte den aanwezigen een kreet van angst.

Zij meenden inderdaad, geestverschijningen te zien.

Miss Prince was uit haar schuilhoek te voorschijn gekomen en met den uitroep:

„Gelukkig, dat gij eindelijk zijt gekomen!” draaide zij het licht weer op, om zich op Raffles te storten.

Verschrikt deinsde zij terug—de stoel, waarop de groote onbekende had gezeten, was leeg en geen enkel spoor verried meer zijn aanwezigheid.

In plaats daarvan lag een briefje op tafel, waarop geschreven stond:

„Ik heb mij gedematerialiseerd. Veel groeten aan Miss Prince en Mr. Baxter.

JOHN C. RAFFLES.

Een paniek ontstond onder de gasten, toen zij vernamen, wie de vermeende graaf Von Leutomischel, de kamerheer van den koning van Servië, was geweest.

„Maar hij heeft mij toch, in opdracht van den koning van Servië, ridderorden gebracht!” sprak Mr. Piek.

„Laat eens kijken,” verzocht inspecteur Baxter.

Hij bekeek de ordeteekens op de borst van den biscuitfabrikant en antwoordde:

„Van dat soort kunt gij bij elken winkelier, die cotillonorden verkoopt, zooveel krijgen als gij wilt.”

„Ah!” kermde Mr. Piek, „en ik heb er duizenden voor betaald.”

Miss Ethel Prince had intusschen de kamers der villa doorzocht om te onderzoeken, waar Raffles gebleven was.

Niemand kon het haar vertellen.

Het was, alsof hij door de lucht was weggezweefd.

In werkelijkheid echter was hij, zoodra de kamer donker was geweest, zachtjes door de portiere de aangrenzende kamer binnengeslopen, waar hij een venster had geopend.

Daar men zich gelijkvloersch bevond, was het hem zeer gemakkelijk gevallen, op straat te komen.


Het was eenige dagen na de soirée bij Mr. Piek.

Raffles zat met Charly Brand aan het ontbijt in zijn „vossenhol”.

Vanuit de ramen kon hij de geheele chaussee langs kijken, welke weg van zijn landhuis naar het spoorwegstation leidde.

Hij had een sigaret aangestoken, was bij het open venster gaan staan en keek naar buiten.

Plotseling keerde hij zich om naar Charly Brand en sprak:

„Geef mij mijn verrekijker eens.”

De secretaris haastte zich, het gewenschte voorwerp te krijgen.

Eenige oogenblikken keek de groote onbekende door den kijker naar den straatweg, waarop zich kleine stofwolken bewogen in de richting der villa.

„Wij krijgen bezoek, Charly!” klonk het uit Raffles’ mond. „Ik zou niet weten, waarheen de vier auto’s, die ginds aankomen, anders zouden gaan.

Buren hebben wij niet.

Ik denk, dat het mijn vriend Baxter is met Miss Ethel Prince, die mijn vossenhol hebben ontdekt.

Allright—zij mogen komen.

Ga hun, als mijn huisbewaarder, bij de deur tegemoet, ontvang hen en geleid hen door alle vertrekken. Laat ze zoeken, totdat ze groen en geel zien.”

„Wat ga je doen? Heb je een plek, waar je je kunt verbergen?”

„Neen,” antwoordde Raffles, „daarop ben ik hier niet ingericht.

Maar toch verwed ik tien pond tegen een pruimepit, dat die speurhonden der politie mij niet zullen ontdekken, hoewel ik dicht bij hen zal zijn.”

„Hoe wil je dat doen?”

„Ik heb nu geen tijd, je dat uit te legen. Binnen vijf minuten moeten zij hier zijn. Ik moet dus handelen.

Als zij je vragen, waar ik ben, zeg dan, dat ik op reis ben naar Griekenland.”

„Naar Griekenland?” [28]

„Ja, naar Athene, naar het oude Griekenland—en verontschuldig mij nu—”

Lord Lister verliet de kamer, terwijl Charly Brand voor het venster ging staan en door den kijker naar de naderende auto’s keek.

Een paar minuten later hadden deze „het vossenhol” bereikt.

Charly Brand telde twintig detectives en verscheiden agenten in uniform, die onder leiding waren van inspecteur Baxter en Miss Prince en die, keurig in het gelid, op de kleine villa aanrukten.

Spoedig hadden zij het landhuis aan alle kanten omsingeld. Het was ten eenenmale onmogelijk, het huis te verlaten.

De breede deur der vestibule stond open, toen inspecteur Baxter en Miss Prince binnentraden.

Charly Brand en de oude kamerdienaar gingen de bezoekers tegemoet en vroegen, wat deze wenschten.

„Dat weet gij evengoed als ik!” schreeuwde Baxter, „wij zoeken uw vriend. Dezen keer zal Raffles ons niet ontsnappen. Wij weten, dat hij zich hier in huis bevindt.”

„Wien zoekt gij?” vroeg Charly Brand met goedgespeelde verbazing.

„Raffles!” schreeuwde Baxter. „Wilt gij ons soms voor den gek houden en beweren, dat gij hem niet kent?”

„Het spijt mij,” antwoordde Charly Brand, „ik zou niet weten, wat die man in mijn landhuis te doen had. Maar als gij er lust in hebt, zoek dan.”

„Dat zullen wij doen,” riep Baxter uit, „en wij zullen hem vinden.”

Daarop beval hij de hem vergezellende detectives:

„Vooruit, mannen! Alle vertrekken moeten worden doorgekeken, goed opgelet, of gij geheime deuren vindt, alle schilderijen afgenomen, de schoorsteenen onderzocht, de tapijten opgenomen!”

„Gij vergeet, de behangsels van de muren te laten nemen,” spotte Marholm, „misschien zou het Raffles zeer aangenaam zijn, op onze kosten nieuwe wandbekleedingen te krijgen.”

„Gij wilt mij weer nerveus maken,” schreeuwde Baxter, „houd uw opmerkingen voor u, de zaak is te ernstig.

Deze meening scheen de vloo niet te deelen, hij lachte vroolijk.— — —

Urenlang duurde de huiszoeking, maar de detectives konden niets vinden.

Tevergeefs stak Miss Ethel Prince haar spitsen speurhondenneus in alle kasten.

Alleen Marholm deed niet mee.

Hij had in een gemakkelijken stoel plaats genomen in de met waaierpalmen versierde vestibule en rookte de eene pijp tabak na de andere.

Op eenigen afstand van hem stond op een voetstuk het levensgroote marmeren beeld van een Grieksch worstelaar.

Reeds herhaaldelijk had Marholm het prachtige marmeren beeld bekeken.

Plotseling sperde hij zijn kleine oogen zoover mogelijk open, nam de tabakspijp uit den mond en sprak tot zichzelf:

„Droom ik of waak ik? Hield het marmeren beeld eenige oogenblikken geleden niet den rechter-—inplaats van den linkerarm in de hoogte?”

Maar hij moest zich wel vergist hebben, het was immers een onmogelijkheid!— —

Vier uur lang duurde het doorzoeken van het huis, totdat inspecteur Baxter het eindelijk opgaf.

Miss Ethel Prince, hij en alle detectives kwamen samen in de vestibule en toen Marholm zijn chef zag, wien de zweetdroppels langs het gelaat liepen, sprak hij:

„Gij behoeft dit jaar geen vermageringskuur in Mariënbad te gaan doen.”

Baxter antwoordde met een woedenden blik:

„Gij hebt natuurlijk weer niets gedaan en ons alleen laten arbeiden.”

De vloo haalde de schouders op en antwoordde:

„Gij weet, dat ik secretaris ben. Ik heb alleen maar op te schrijven, wat gij mij dicteert. Wat moet ik noteeren?

Hebt gij Raffles gevonden?”

Inspecteur Baxter schuimbekte van woede.

„Hij is niet te vinden!”

Allright!” antwoordde Marholm, „ik heb het protocol reeds opgemaakt, voordat wij van Scotland Yard vertrokken:

„Nasporingen betreffende Raffles vruchteloos!”

„Maar hij moet hier zijn, hij kan niet weg zijn! Als ik maar wist, waar hij zich heeft verborgen.”

„Misschien in den bloempot van een dier palmen als een regenworm,” riep Marholm lachend uit, „of hij heeft zich in een marmeren beeld veranderd. Bij Raffles is alles mogelijk.”

Inspecteur Baxter wilde niet verder luisteren naar [29]de hoonende opmerkingen van zijn secretaris en gaf het bevel tot vertrekken.

Eenige minuten later reden vier automobielen langs den landweg naar de stad terug:

„Een onaangenaam gevoel,” sprak Marholm, die naast Baxter zat, „om te weten, dat Raffles ons misschien uit de ramen van zijn villa nakijkt en den spot met ons drijft.”


De vloo had niet geheel en al ongelijk.

De groote onbekende stond inderdaad aan het venster der eetzaal en keek de automobielen na.

Intusschen pijnigden Miss Ethel Prince en inspecteur Baxter hun hersens met de vraag, hoe het Raffles was gelukt, te ontsnappen.

Een paar weken later, toen Lord Lister „het vossenhol” aan een liefhebber had verkocht, kreeg politie-inspecteur Baxter de oplossing van het raadsel.

Raffles zond hem een photo van de vestibule met het levensgroote beeld van den Griekschen worstelaar.

Daaronder stond geschreven:

Waar is Raffles?

Baxter had de oplossing ook nu nog niet gevonden, als Marholm niet had opgemerkt, dat het beeld op de photo in een geheel andere houding stond dan zooals hij het kende.

Met zijn vinger erop wijzend, sprak hij:

„Ik had gelijk! Raffles was veranderd in een marmeren beeld.”

Baxter zette een gezicht, alsof hij zelf verstijfd was tot een steenen beeld.

[Inhoud]

Titel van het volgende nummer (No. 35):

„De man die veertig draken doodde.” [30]

[Inhoud]

De kolonisator als menscheneter.

In een koloniaal blad vertelt een oude Kongo-soldaat de geschiedenis van zijn zwarten knecht Musso.

Musso was een zeer bewegelijke jongen, een heel geschikte, veertienjarige knaap, waarvan zijn meester groot pleizier had.

Musso leerde heel spoedig het geweer grondig schoonmaken, zoodat de kogel op geen enkel stofje stiet.

Verder leerde Musso knoopen te naaien aan een wit linnen buis en hij deed dat zoo handig als de beste kleermaker.

Musso kon laarzen repareeren, een gebarsten ketel soldeeren, vogelstrikken vlechten, om kort te gaan, hij verstond de kunst om alle mogelijke knutselwerk te verrichten en was daardoor een groote steun in de huishouding van zijn heer.

Toen viel Musso een buitengewone eer ten deel.

Hij werd naar de keuken gestuurd en daar zou hij van een eenvoudig knechtje worden bevorderd tot kok.

Maar sinds den dag van zijn geweldige bevordering werd hij bedroefd.

Terwijl hij de blikjes met conserven openmaakte, huilde hij als een waakhond.

Hij keek zelfs niet vroolijk, toen hij al de mooie bonte, vroolijke plaatsjes zag, waarmede de fabrikanten der geconserveerde vleezen en groenten de blikjes hadden versierd.

Die plaatjes stelden allerlei aardige, lieve en soms ook leelijke, plompe dames voor.

Er waren ook blondgelokte engelenkopjes op de busjesplaatjes gekleefd.

De Kongo-soldaat dacht, dat Musso schreide en huilde en lamenteerde uit louter bescheidenheid. Hij meende, dat Musso bang was, de verantwoordelijkheid van kok aan te nemen en zijn verdriet en boosheid telkens weer luchtte in veel tranen en luide jammerklachten.

En hij riep den jongen bij zich en sprak tot hem op bemoedigenden toon:

„Kom, jongen, wees niet laf, je zult dat beetje braden en bakken wel gauw genoeg kunnen. Zet je ooren maar flink open en kijk goed uit je doppen, dan zal het wel gaan!”

En Musso werd na deze vriendelijke, opbeurende woorden naar de keuken teruggestuurd.

Maar terwijl de opperkok hoe langer hoe dikker, hoe langer hoe ronder werd, kwamen de akelige, magere knokels steeds meer door Musso’s vel steken.

Werktuigelijk en met totale afwezigheid van gedachten maakte hij de blikjes met groenten en met geconserveerd vleesch open.

Zorgvuldig weekte hij de bonte plaatjes los aan het blik.

Hij bewaarde ze zorgvuldig, bekeek ze nauwkeurig en begon telkens opnieuw te huilen of het klaarlichten dag of wel midden in den nacht was.

Maar zijn meester stoorde zich er niets aan en Musso moest kalm bij den kok in de leer blijven. [31]

Op zekeren dag was de geheele blikjesvoorraad opgebruikt.

Toen viel Musso zijn heer te voet.

Hij sloeg de armen om de knieën van zijn meester en smeekte:

„Alstublieft—Och—alstublieft—lieve—lieve—meester—laat—mij—niet—slachten!—Toe—laat—mij—niet—slachten!”

De Kongosoldaat keek zijn knechtje in de grootste verbazing aan.

Toen vroeg hij:

„Maar jongen, wat heb je! Ben je gek geworden?”

En Musso begon opnieuw te weeklagen:

„Musso niet gek!— —O, neen—Musso heelemaal niet gek!— —Musso heel goed weet, heer Musso slachten wil— — —om Musso te eten, als menschen in blikjes!”

En hij haalde uit zijn koksboezelaar al de zorgvuldig opgespaarde papiertje te voorschijn en jammerde luid:

„Allemaal dood— — —Dood en in stukken gesneden— — —en in busjes verpakt!— — —Musso niet zoo wil—niet zoo dood—lieve—lieve—meester—alstublieft!”

Nu ging den Kongosoldaat een licht op.

Hij begreep dat Musso gedacht had, dat al het geconserveerde vleesch in de blikjes van geslachte menschen afkomstig was. En opdat die beestachtige Europeanen echt lekker konden genieten, bekeken ze met het grootste welgevallen, voordat ze aan den maaltijd gingen, eerst nog eens de portretten van de slachtoffers die naar hun maag gingen verhuizen.

De arme jongen kon maar heel langzaam van den geweldigen schrik bekomen, die hem had aangegrepen maar er verliepen nog eerst verscheiden dagen, voordat hij niet meer voor zijn leven vreesde.

[Inhoud]

Schoenzolen en karakters.

Een Fransch geleerde, zekere professor Jean Dégrès, heeft een nieuwe theorie vastgesteld omtrent de beteekenis van het karakter.

De zóóveelste!

Niet meer uit de lijnen van de hand worden de aanknoopingspunten vastgesteld, die moeten lijden tot de juiste beoordeeling van de ziel en van het karakter des menschen.

Professor Dégrès heeft na studies van vele tientallen jaren een nieuwe wetenschap vastgesteld.

Deze luidt:

Het karakter wordt afgeleid uit de schoenzolen.

Een der medewerkers van een Engelsch weekblad heeft den geleerden zonderling in Parijs opgezocht.

De journalist schildert den professor aldus:

„Hij is een rustig, scherpdenkend man, in wiens gelaat de arbeid van het denken diepe voren heeft geploegd.”

„De studie van een leven,” aldus verklaarde professor Dégrès, „heeft mij er toe gebracht om het nauwste verband te brengen tusschen ziel en zool van den mensch.

Zijn eigenschappen, zijn gansche wezen weerspiegelt zich in de schoenzolen die mij den weg wijzen naar zijn innigste gedachten.

Een man bijvoorbeeld, die zijn zolen zeer sterk afslijt aan de toppen van de teenen, terwijl het overige gedeelte van de zool niet het minste slijt, is iemand bij wien voorzichtigheid is geraden.

De drager van deze schoenen is licht geneigd om zich in gevaarlijke, onwettige ondernemingen te steken en behoort tot degenen, die terstond naar de wapens grijpen, als men hen een voet dwars zet.

Als bij iemand het eerst de zool gaat slijten onder den bal van den voet en daar het ergst wordt afgedragen, beteekent dit volgens den professor, dat deze persoon een nauwgezet, arbeidzaam mensch is, een harde werker, een zwoeger, iemand, die van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat slooft en niet beschikt over al te sterke wilskracht. [32]

Waar alleen de rechterkant van den rechterschoen is afgesleten, kan men aannemen, dat de drager dikwijls over heel gewichtige, diepgaande en ernstige vragen heeft na te denken; hij is waarschijnlijk een advocaat of een geleerde.

Lieden, die met dicht aaneengesloten voeten gaan of met naar buiten gerichte voettoppen, moet men met wantrouwende blikken bekijken, want zij zijn brutaal en kennen geen gewetensbezwaren.

In de een of andere zaak zullen zij hun tegenpartij steeds te slim, maar vooral ook te sluw af zijn.

De optimist slijt zool en teentoppen gelijkmatig af.

Hij springt vroolijk en gelukkig over de aarde.

Ook voor alcoholmisbruikers heeft professor Dégrès zijn kenteekenen.

Natuurlijk hebben wij slechts in zeer grove trekken verhaald, wat de geleerde zooal heeft opgemaakt uit de schoenzool.

Behalve genoemde kenteekens zijn er nog duizend kleine, nauwelijks merkbare aanwijzingen, die den professor weer een bron van aanwijzingen zijn omtrent het karakter van den drager dier min of meer kapotte zolen.

De professor heeft jarenlange studie gemaakt van een en ander.

In Parijs trekt de studie van professor Dégrès de aandacht van velen.

Nieuwsgierigen zoeken hem op, maar hij denkt er niet aan om anderen in te lichten en laat niets los.

Of professor Dégrès het bij het rechte eind heeft?

Of zijn karakterstudies eenige waarde hebben?

Hoevelen niet waren er reeds vóór hem, die het menschelijk karakter bestudeerden.

En hoevelen zullen er nog na hem komen?

Wie weet het!!! [33]