Oom, die juist binnenkwam op ’t tijdstip, dat zij de kamer wilde verlaten—hij zag er in z’n zwart jacquet kostuum uit als moest hij zóó naar een receptie—gaf Mieke een paar tramkaartjes om des te gauwer terug te kunnen zijn. Hij deed dit zenuwachtig, scheurde er eentje bijna door midden.
Mieke monsterde hem eens tersluiks: hij zag er, hoewel zeer gesoigneerd, toch slecht uit, mager en vermoeid. Maar hij trachtte zich een air te geven van losse welgemoedheid, voegzaam ingetoomd evenwel door deftige geposeerdheid, want oom Egbert leek wel zeer in één zijner voorname buien.
Met een „dank u” de kaartjes aannemende, haastte Mieke zich thans om weg te komen, de drie hooge verdiepingen opstijgend om boven uit haar kast heur ouden, langen wintermantel te krijgen, dien ze hier alleen des avonds droeg maar vroeger altijd op de fiets had gebruikt als ze haar rit van ’t dorp naar de school in de kleine provinciestad maakte. Hoog trok zij den kraag tot aan de ooren op en diep drukte zij het kleine mutsje in de oogen, zoodat ze, op straat gekomen, geen koude voelde dan [164]op het onbedekte plekje van haar gezichtje tusschen jaskraag en mutsrand.
Het was venijnig koud, afschuwelijk weer. Een regenachtige mist maakte—het had de vorige dagen en ook des morgens een weinig gevroren—de straten glad en niet-ongevaarlijk begaanbaar. Mieke echter gleed, de handen in de zakken, vast ter been, langs dooiende, maar spiegelgladde baantjes naar de tram en bevond zich zoo tevreden en welgemoed als sedert langen tijd. De vermoeienis van ’t nageloop tijdens tante’s ziekte wilde zij glad vergeten. Het dood-gewone gesprekje met Olga, dat eigenlijk toch niets belangrijks bevatte om zich op te verheugen, deed haar plotseling veel dingen lichter dragen … Aan moe-zijn moest men nooit denken! Eén avondje op ’t scheeve kamertje tezamen met Loes in gezellig nietsdoen, en dat leed was glansrijk geleden. Zij was immers gezond en krachtig; zachts, dat zij bijsprong in moeilijkheden, waar men haar een tehuis verleende! Zij moest zich schamen zich, al deed ze ’t dan ook slechts heimelijk, beklaagd te hebben. Olga was werkelijk alleraardigst voor haar geweest, zóó aardig!
Maar nu pauzeerden haar gedachten, kwam er een terugduwtje … Was het niet slaafsch, daar zoo blijde mee te zijn? Was het niet laf nu maar dadelijk de hand te grijpen, die haar kort geleden nog tik op tik gaf?… Haar stap hield ze in. Zij gleed niet meer langs de baantjes, een sterke windvlaag joeg haar snerpend den hagelregen in ’t gezicht, en ze vond het [165]toch wel èrg guur … maar ze sjorde den mantelkraag hooger, ze drukte het dopje dieper over ’t hoofd, en ze gleed weer!… Kom, nu niet zwaarhoofdig wezen, nu niet herkauwen, alleen maar dankbaar zijn omdat Olga wellicht inzag minder lief te zijn geweest.
Ze negeerde het kleine pessimistje in haar en kwam, na een langen glij met een overmoedigen zwaai, op een reeds in beweging gaande tram terecht, alsof ze van haar wieg af op rijdende trams sprong en nooit anders gewend was dan in een groote stad, terwijl ze met een zekere gemakkelijkheid in de overvolle coupé stapte alsof ook dit haar heele leven dagelijksch werk was. Tot-nu-toe beklemde haar in volle tramwagens, in drukke winkels, in uitgebreid gezelschap steeds toch nog een gevoel van schroom, van blooheid, thans echter voelde zij zich frank en ongedwongen, bijna had ze maling aan de menschen, iets wat ze zich vroeger als een onverschilligheid zou verweten hebben, als een brutaliteit, een lompheid, maar wat, in haar stemming van ’t oogenblik, haar nu de eenig normale verhouding scheen, verstandig, leuk. Ze zat rechtop en zeer vergenoegd te kijken, vindend, dat Olga toch ook wel een beetje gelijk had gehad haar vroeger een onbeholpen provinciaaltje te hebben genoemd. Nu eerst voelde ze hoeveel ze wel gewonnen had aan onbevangenheid.
In deze aangename sensatie reed ze tot de halte mee ’t dichtst bij Tenback, en met een even groote vaardigheid als daarstraks eróp wilde ze nu van den [166]tramwagen àfspringen, iets wat echter minder goed gelukte. De glibberigheid speelde haar parten en ze zou uitgegleden zijn, had niet een jongen, die voorbijging, haar staande gehouden.
Ze ontnuchterde een weinig uit haar blij-soezige stemming. Al de opgedragen boodschappen schoten haar weer te binnen en waarschuwden haar om wat meer op haar qui-vive te zijn. Zij repte zich naar den banketbakker. Juist stond de knecht klaar het gebak te bezorgen en behoefde zij dus de fiolen van tante’s en Olga’s toorn niet over de juffrouw uit te storten;—trouwens, volgens deze was de taart ook pas tegen zevenen besteld. Mieke was hier dus spoedig klaar en met oplettendheid om vooral de meegenomen koekjes niet te breken, vervolgde ze haar boodschappenlijstje, dat voor ’t overige deel meer tijd in beslag nam dan die eerste commissie, en maakte, dat zij zich wat reppen moest naar de tram om tegen zevenen thuis te zijn, wat haar dan ook wel niet zou gelukken, meende ze, en wat haar min-of-meer verontrustte.
Tegenover haar zat een klein, oud dametje met een allerliefst vriendelijk, rimpelig gezichtje. Zij droeg een zwart fluweelen manteltje en een voorwereldlijk kapothoedje, een klein rond handmofje niet grooter dan een rollade en een zijden parapluie met een wit beenen handvat. De menschen van den tegenwoordigen tijd in zwierige, modieuze kleedij, bevracht met bont en wuivende paradies, getooid met kostbare sieraden en zware zilveren tasschen, met handschoenen [167]van wit glacé en laarzen van glanzend lakwerk, dergelijke menschen zien met spottend medelijden zulke kleine dametjes aan,—àls zij ze aanzien. Meestal kijken zij ze over ’t hoofd,—evenals zulke oude dametjes die anderen. Het oude dametje, van wie ik spreek, was ook zoo’n ouderwetschje. Je zag dat al dadelijk aan haar wijze van groeten: de minzame hoofdneiging, vergezeld van een glimlachje, waarmede ze Mieke vereerde, was van een bekoorlijke hoofschheid … Heel beleefd en vriendelijk groette Mieke terug, zich afvragend, wie zij toch wel wezen mocht; zij had haar meer gezien.
Het kleine dametje met het fluweelen manteltje, het voorwereldlijk hoedje, het ronde handmofje en de parapluie met het wit beenen handvat, was een kwiek vrouwtje. Nog vóór de tram halt had gehouden stond zij reeds aan den uitgang. Zij scheen, evenals Mieke, haast te hebben; wellicht ook dreef het onaangename weer haar tot spoed aan naar huis. De tram stond nauwelijks stil of het kleine dametje daalde reeds de treeplank af,—maar of het kwam dat zij te vlug den zijstang der tram losliet, dan wel of ze niet verdacht was op de gladheid der straat, men hoorde een luiden angstkreet en daar lag, heur mofje hier en heur parapluie daar, het oude dametje op den half bevroren, bemodderden weg.
Reeds kwam de condukteur van ’t achterbalkon haar te hulp en sprong ook Mieke haastig af, om haar mede op de been te helpen, maar dit bleek gemakkelijker [168]gedacht dan gedaan, vooral ook omdat Mieke zelve bepakt was. De juffrouw zou weer zijn neergestort indien de condukteur en het meisje haar niet waren blijven steunen; heur voet scheen zóó pijnlijk, dat ’t onmogelijk bleek erop te staan.
Ondertusschen vertraagde de tramloop. De condukteur sprak met een jongmensch achterop den wagen. Zóó kon men de oude dame niet achterlaten, alleen met het meisje; en niemand anders was er aan de verlaten halte. Het jongmensch bood nu verdere hulp aan, de condukteur steeg weer op, belde af,—en voort reed de tram, het dametje, Mieke en het jongmensch achterlatend aan den open windhoek, waar snerpend de hagelregen je in ’t gezicht sloeg.
Men beraadslaagde hoe de juffrouw te transporteeren … Waar moest ze heen?
Ze noemde haar adres, en nu herkende Mieke haar opeens: één der dames Ravenhorst. Hoe dom haar niet onmiddellijk te hebben kunnen thuisbrengen … Zij was één der buurdametjes op het bovenhuis naast-an Van der Hoeve. Nu wist ze vanwaar ze dat aardig, vriendelijk gezichtje kende. Een enkele maal stond er wel eens één der beide dametjes voor ’t raam, en laatst, toen Mieke naar boven keek, werd zij deftigjes-lief teruggegroet.
Nu, bij het herkennen kreeg ze dubbel medelijden met de arme gevallene. Zij probeerde de ergste modder wat van den fluweelen mantel af te wrijven, terwijl het hulpvaardige jongmensch de juffrouw ondersteunen bleef en het handmofje en de parapluie [169]van Mieke overnam, want zóó belast was deze, dat het onmogelijk bleek met zulke volle handen juffrouw Ravenhorst ook loopende te assisteeren. Zij stopte nu wat van haar pakjes in haar zakken voor zoover dit mogelijk werd bevonden, maar de koekjes moest ze toch maar zien in de hand te houden. Wie weet wàren ze niet reeds in de verdrukking geweest … In vredesnaam moest men dat maar voor lief nemen, tante zou het toch ook wel begrijpen; men kon een oud dametje, dat een ongeluk overkwam, toch niet zoo-maar aan haar lot overlaten!… Toch, heelemaal gerust was Mieke niet. Doch die ongerustheid betrof alleen het zakje,—de tijd vergat zij in overloop van medelijden en hulpvaardigheid.
„Kunt u heelemaal niet op uw voet staan?” vroeg Mieke, toen ze zich nu goed geprepareerd had voor den terugtocht.
„Onmogelijk,” de juffrouw probeerde het nog eens, maar ze kon ’t wel uitgillen van de pijn.
„De voet zal ontwricht zijn,” veronderstelde het jongmensch, dat nu niet zoo héél erg met zijn baantje ingenomen scheen, vooral toen van medewerking der oude dame geen sprake kon zijn. Maar hij bleek iemand van praktischen aard. „Wij zullen u ieder onder een arm nemen, mevrouw. Hinkelt u dan op uw linkervoet verder. Dat is de eenige manier.”
„Hinkelen? Komaan!” trachtte juffrouw Ravenhorst te schertsen en kordaat te zijn, ofschoon haar klein, gerimpeld gezichtje spierwit zag en weggetrokken [170]van pijn. „Er zal niet anders opzitten.”
En aldus toog men op weg langs de gladde straat, waar verraderlijker nog dan straks de wind om de hoeken loerde.
Hoe kort ook anders de afstand mocht wezen van de halte naar haar woning, nu de gevaarlijke gladheid ook de helpers tot behoedzaamheid aanspoorde, vorderde men slechts voetje voor voetje en dan met kleine pasjes. Juffrouw Ravenhorst hield zich dapper ondanks de hevige pijn, die ze leed,—maar eindelijk toch kwam men thuis, „bijna goed en wel” bleef zij quasi opgewekt doen.
Zoo sprak echter niet juffrouw Hermance, toen ze haar arme zuster, ontdaan en met nog de zichtbare sporen van den val in de modder aan haar toilet, onderaan de trap zag zitten tusschen de onbekende jongelui, die nat en verwaaid haar flankeerden, en toen het lastig probleem ontstond haar naar boven te krijgen. Niet zoodra hoorde het behulpzame jongmensch van die mogelijke, nieuwe corvée of hij pakte op hoffelijke wijze z’n biezen, zonder zelfs den dank der oude dames in ontvangst te hebben genomen. De twee-en-dertig treden hooge trap lokte hem blijkbaar alles-behalve aan.
Mieke daarentegen kon ’t niet over haar hart verkrijgen de gansch veraltereerde juffrouwtjes nu eveneens in den steek te laten. Guurtje, het dienstmeisje, werd er thans bij te pas gehaald en men besloot ten einde raad maar wederom het hinkeltoertje te baat te nemen. De beide meisjes namen nu tezamen [171]juffrouw Ravenhorst onder den arm, haar telkens met den eenen voet een sprong de trap opsjorrend, iets wat voor alle drie op die vrij smalle ruimte een moeilijke en lang niet ongevaarlijke onderneming was. Wanneer Mieke en Guurtje niet zoo hijgend van inspanning, juffrouw Hermance niet zoo als de dood voor achterover zwikken, en juffrouw Roosje niet bang voor nogmaals bezeeren waren geweest, zouden allen misschien om de dwaze vertooning gelachen hebben, want ’t was een mal gezicht dat gespring en getrek van ’t drietal telkens na een „hup”-signaal, met juffrouw Hermance in de achterhoede, gewapend met de parapluie, het handmofje en Mieke’s pakjes, welke ze had overgenomen.
Ten langen leste kwam men al springende en trekkende boven. Nu nóg een hinkeltoer, die kinderspel werd bij de twee vorige, en juffrouw Roosje liet zich met een hartgrondig: „Goddank” neer op een in allerijl aangeschoven stoel in de huiskamer, nu echter niet meer quasi schertsend maar doodop, bij flauwvallen af.
Juffrouw Hermance, een dergelijk type als haar zuster, even petiterig, met hetzelfde fijne gezichtje als deze, misschien iets gezetter dan de ander, maar onweersprekelijk van een eender soort, getoiletteerd in een grijs-en-zwart japonnetje, het kleine hoofdje omlijst door dun, kroezig, wit haar, de geaderde, oude handjes met korte, zenuwachtige gebaartjes,—juffrouw Hermance, geheel in de war, liep maar van het kastje naar den muur, zonder iets anders uit te [172]richten dan allen nog meer van haar stuk te brengen. Ook Guurtje, ’t dienstmeisje, stond met de handen in ’t haar, en hoewel Mieke popelde om weg te komen, want eensklaps schemerde er door haar brein een begrip van tijd bij de groote alteratie, besloot zij toch maar èventjes te blijven om de anderen op streek te helpen. Zóó kon juffrouw Roosje toch onmogelijk blijven zitten, want steeds heviger werd de pijn aan den voet, de schoen moest worden uitgetrokken, en noch juffrouw Hermance, noch Guurtje waren daartoe in staat.
Het zweet parelde Mieke op ’t voorhoofd, binnenin jachtte ’t steeds meer om weg te komen, en zij kon onmogelijk zoo spoedig voortmaken als zij wenschte, omdat iedere aanraking van den geblesseerden voet het de oude juffrouw deed uitschreeuwen, terwijl de beide anderen om haar heendraaiden en in den weg liepen zéér tot Mieke’s ongerief.
De voet bleek gezwollen te zijn en waarschijnlijk verstuikt, maar wie kon zeggen of ze misschien niet gebroken was?… Juffrouw Hermance, die deze veronderstelling opperde, trilde ervan.
„De dokter moet gehaald! Guurtje, loop onmiddellijk naar den dokter.” Zij schreeuwde het bijna uit, geheel buiten zichzelf, nog veel meer van streek dan het andere dametje, dat nu, achterover leunend in den grooten armstoel, weer wat tot rust kwam.
Guurtje, eindelijk in de gelegenheid ook iets te mogen doen, repte zich weg, maar toen ook Mieke nu gejaagd zei niet langer te kunnen blijven, sméékten [173]beiden haar nog niet heen te gaan vóór het meisje terug was of de dokter gekomen.
„Als … als er nog soms iets gebeurt … als … als mijn zuster héél naar mocht worden …” sidderde juffrouw Hermance, „en ik ben alléén …”
Mieke, niet sterk genoeg om weerstand te bieden en de dametjes in angst en beven achter te laten, liet zich op een stoel zacht neerdrukken. Ook juffrouw Hermance ging nu zitten en ’t werd eenige minuten heel stil in de kamer met de ouderwetsche meubelen, waar men nu in meerdere kalmte de komst van den dokter afwachtte. Een pendule met een dikken cherubijn, een groot, leelijk ding onder een hooge stolp, tikte met klankrijken tik. Een open haard brandde op aangename temperatuur, de poes lag op het haardkleedje ervoor genoeglijk te spinnen. De bruin damasten gordijnen waren gesloten, een sterk getemperd licht hield de donkere kamerhoeken in schaduw; ’t geheel had iets intiems. Over de ronde tafel spreidde een velvet kleed van warm rood, kleurig vlak middenin ’t vertrek, het grootste deel van het licht der laag hangende lamp voor zich concentreerend, slechts weinig ervan mededeelend aan ’t Deventer karpet met z’n verschoten kleuren, maar met z’n onmiskenbaar stempel van edele afkomst. De brons pluchen zittingen der stoelen waren verouderd tot grijzerig beige, maar hun vorm dateerde uit den tijd, toen de meubelmakers nog zelf meubelen maakten en men zich nog niet „installeerde”. Bij de gesloten gordijnen stond een groote bloementafel met welverzorgde [174]planten en afhangende klimopranken; erboven hing in een verguld kooitje een kanarie, die droomend van een liedje vertelde. De hooge boekenkast met de groene gordijnen liet haar inventaris slechts vermoeden; een antieke porceleinkast met vierkante ruitjes verborg haar innerlijk minder schroomvallig en geleek eenigszins op die van juffrouw Wije, al zou zij, wat de inhoud aanging, wel niet met dien der boerin kunnen wedijveren.
Nauwelijks zat Mieke, of zij ondervond, hoe de inspanning van den zwaren tocht de hooge trap op, de kroon zette op de vermoeienissen, die zich dagen achtereen voor haar hadden opgehoopt, en nu juffrouw Hermance haar gedwongen had nog even te blijven, voelde zij, ook al wist zij nu zeker te laat te zullen thuiskomen, de rust van het oude-dametjes intérieur als een langzame weldaad over zich heenkomen. Zóó plotseling werd zij daarstraks door juffrouw Roosje’s val, door te moeten handelen, uit haar vorigen gedachtengang gerukt, dat ze met geen benadering besef had hoe lang dit ongeval nu wel precies geduurd had. Daarbij—al wilde zij ’t zichzelve verheelen—was zij lichamelijk werkelijk àf, vandaar dat, tóén ze eenmaal zat, de rust haar pakte zonder op haar weerstand acht te slaan. Zij kreeg een gewaarwording van innige behaaglijkheid, doch ook van plotse slapte, doch Mieke vond dit eenige oogenblikken heerlijk. Heel de sfeer, nu die twee dametjes zoo stil en gedempt spraken en gaandeweg weer tot kalmte kwamen, heel de sfeer ademde die vredige [175]bezonkenheid, welke jonge menschen zoovaak weldadig aandoet bij ouderen, zoo de jongeren die verworven rust tenminste niet als saai en bekrompen laken. Zoo’n gevoel van veiligheid heeft men bijwijlen in ’t milieu van bejaarde, vriendelijke menschen, die hun strijd óók eenmaal te strijden hadden, doch hem thans uitgevochten hebben, die welgemoed zich leerden tevreden stellen met het passieve geluk geen ongeluk meer te verwachten in stede van nog idealen te koesteren. Ook is daar, bij zulke oude menschen, een waas van stille wijsheid door die vertrouwende berusting … Was straks een dissonant getreden in de kalme harmonie binnen dit ouderwetsche huisvertrek, thans naderde daar weer de zachte, lieve stemming van allen dag, want mijn kleine dametjes waren lief en zachtzinnig en hadden een atmosfeer om zich als van een mooi, oud poortje op een mooi, oud grachtje bij ondergaande najaarszon … Heb ik onlangs niet gezegd, dat Mieke zooveel hield van hofjes?… Zou ze dan nu niet komen onder de lieve bekoring dezer beide antiquiteitjes?
Bijna vergat Mieke geheel den tijd!
Maar kleinigheden waarschuwen somtijds groote dingen.
Poes stond op, rekte zich.
Mieke lachte èven om h’r hoogen rug.
Juffrouw Hermance zei, zichzelve verwijtend: „’t Stomme dier. Bijna zou ik haar vergeten door al die consternatie.” [176]
„Heeft ze nóg geen melk gehad?” vroeg juffrouw Roosje op matten toon, waaraan je toch hooren kon dat ze nog niet gehéél de oude was. „Hoe laat is het?”
En daar sloeg met een melodieuzen ping de dikke cherubijn met een stokje op een trommeltje,—dat was ’t slagwerk der oude pendule.
Mieke keek op.
„Half negen!?” riep ze, geen moeheid meer voelende, geen behaaglijkheid, geen rust, geen invloed van antiquiteitjes. „Half negen!?”
„Maar kind? Maar kind!” schrok juffrouw Hermance van Mieke’s schrik. „Wat is er?”
„Ik moet weg! Ik moet weg! Mijn koekjes!”
De dametjes werden weer ontzettend zenuwachtig. Het najaarszonnetje op ’t oude poortje ging schuil achter een dreigend donker wolkje.
„Koekjes?”
„Het zakje! Mijn zakje?”
Juffrouw Roosje begreep haar, beduidde haar zuster welk pakje Mieke waarschijnlijk bedoelde. Juffrouw Hermance, die de bagage naar boven gedragen had, begreep het nu ook, reikte Mieke het zakje over.
Tegelijkertijd werd er gescheld: Guurtje met den dokter … Nu raakten de dametjes weer in de war … En Mieke, bezweet van zenuwachtigheid, vuurrood van ontsteltenis, nam haastig afscheid.
Juffrouw Roosje hield haar handje vast, stijf vast. Mieke popelde om weg te komen. [177]
„We zien je terug, nietwaar?” drong ze aan, het dametje. „En gauw? Je komt ons opzoeken, beloof je het?”
„Ja, ja,” beloofde Mieke, zich probeerende vrij te maken.
„Hartelijk, hartelijk bedankt.” Nu kwamen er waterlanders.
„’t Was niets, volstrekt niets,” weerde Mieke af.
„Wanneer kom je?” bleef juffrouw Roosje aandringen.
„Zoodra ik kan. Toe, laat me nu,” Mieke bad erom.
„God zegene je, kind,” en èven legde het dametje heur rimpelig wangetje tegen ’t warme handje van ’t meisje; toen liet ze het met een drukje los.
Ook juffrouw Hermance, die den dokter ontvangen had, wilde Mieke bedanken, maar zij was deze ditmaal te vlug af.
„Ik kom gauw weer,” beloofde ze nogmaals, naar boven roepend, terwijl ze de trap al afvloog, de deur uit, naar de woning ernaast.
Betje, om door een ringetje te halen, deed open. Ze trok onheilspellende, verstandhoudende gezichten.
„Ze zijn er al,” fluisterde ze, niet bemoedigend. „Johanna heeft koekjes in de buurt moeten halen; mevrouw weet niet waar u blijft.”
In allerijl hing Mieke haar hoed aan den kapstok, trok den ouden mantel uit. Heur haar ordende ze maar zoowat. Heur gezichtje zag rood, evenals heur handen, van warmte en agitatie. [178]
Wat zou ze doen? Zóó binnengaan of zich eerst verkleeden?… Maar dan bleef ze nóg langer weg …
„Wie zijn er?” vroeg ze gejaagd aan het dienstmeisje.
„Twee heeren Bogaerts, de jonge heer, die hier altijd komt, met z’n papa. Ze hebben een confarentie in ’t salon.”
Mieke lette niet op Betje’s Fransche uitspraak; ze herinnerde zich alleen bij ’t woord „salon” de gesloten suite-deuren.
„Waren de heeren dus in de voorkamer? De tusschendeuren dicht?”
„Zooeven; ja, juffrouw.”
„En mevrouw en juffrouw Olga zaten achter?”
„Jawel, met jongejuffrouw Loes.”
„Dan zal ik ze toch eerst even gaan vertellen, hoe ’t komt dat ik zoo laat …” en Mieke, in haar zenuwachtigheid, opende met een ruk de kamerdeur.
Rijk straalden de lichten van de kristallen prismakroon in het salon. De tusschendeuren stonden wagenwijd open; de heele suite leek in feeststemming. Middenin het helle schijnsel stond Mieke in heur simpele kleedij, bezweet, verwaaid, met bemodderde schoenen en vuilen rokrand. Wat ze tante Sophie had willen zeggen ontschoot haar totaal … Niets wist ze meer … Ze zag Olga, schitterend en mooi, als in een aureool van zelfbewuste pracht, in de hand, achteloos, een bouquet van witte seringen. Hoog opgericht stond ze, als een overwinnares op het toppunt van haar triomf. En naast haar Bogaerts, correkt, [179]glimlachend, met een glans van geluk op z’n bleek, knap gezicht, wat hem zeer sympathiek maakte. Zij waren het middelpunt. Men sprak en gesticuleerde druk. Oom Egbert deed zoo deftig-gewichtig en daarbij zóó bijzonder vroolijk als Mieke nog nooit in die mate van hem gezien had, en tante Sophie scheen een-en-al liefelijke minzaamheid tegen den ouderen, vormelijken heer, dien Mieke dadelijk als Bogaerts’ vader thuisbracht, en louter moederlijke teederheid tegen het jonge paar.
Ze zag Olga, schitterend en mooi.
Pag. 178.
Erik schudde z’n vriend herhaaldelijk de hand, en oom Egbert riep: „Zulke deugnieten! Niets wist ik ervan! Niets! U overrompelde mij, meneer Bogaerts, (tot den vader.) U overrompelde mij met dat aanzoek.”
Toen tolde het in Mieke’s hoofd, ofschoon zij nu alles begreep … Dit was dus de verrassing, dit was dus de oplossing van al die geheimzinnigheid: Olga verloofd met Bogaerts!… Dáár vandaan dus die ongebreidelde vreugde, die zelfs haar, Mieke, een oogenblik uitsloot van ironie en hoogmoed!… Ja, stralende geleek Olga een betooverde prinses, hautaine en onvergelijkelijk mooi,—maar Mieke voelde, bij een ademlooze bewondering, hoe in haar langzaam-aan een pijn ging schrijnen: was dit geluk? God, hoe anders leefde op den bodem van haar ziel het verlangen naar dien zegen. Niet één zachte, teedere blik ging van oog tot oog; alleen Bogaerts’ gelaat had een uitdrukking als van innerlijke verrukking … Heel de atmosfeer in ’t kwistig salon [180]baadde in rijkdom van schoone uiterlijkheden en van overmoedige zegeviering, maar niet van zaligheid … „Waarom,” doorflitste het Mieke, „waarom zegt oom nu, dat hij overrompeld werd?” Begreep niet iedereen in huis reeds wat er gaande was behalve zij en behalve Loes, die, niet nieuwsgierig genoeg om te visschen, zich alleen maar aan die fluisteringen ergerde?… Hoe kon oom dat nu dan zeggen, jokken, nu iedereen zoo vreeselijk blij moest zijn en iedereen ook zoo vreeselijk blij scheen,—en … en nu zij maar niet blij kon wezen …
Ze stond daar ontroerd, als vastgenageld tusschen de porte-brisée, het zakje kapotte koekjes in de hand. Niemand lette op haar … zelfs Loes niet, die toch zooeven nog telkens onrustig naar de deur had gekeken, nadat ze had hooren bellen. Loes hield zich wat achteraf; ze was perplex. Ze wist zelf niet wat haar beheerschte. Ze vond het heel prettig voor Olga, dat ze met Henri verloofd was—Bogaerts had haar een zoen gegeven, wat ze afschuwelijk vond, en gezegd nu in ’t vervolg hem „Henri” te noemen—o, ze vond ’t héérlijk voor Olga, maar ook zij was niet verheugd, niet verrukt, zooals de anderen, evenmin als Mieke.
Mieke! Weer keek zij, Loes, naar de deur, zich harer herinnerend … Hevig schrok zij.
Olga zàg dien schrik en volgde Loes’ blik … Ook zij verschoot … Moest zóó het nichtje haar nieuwe familie voorgesteld worden?… Fel straalden haar oogen een nijdigen, waarschuwenden blik naar het [181]eenzame, onooglijke figuurtje, zoo in desordre, zoo onpresentabel als ooit … En die oogen dwongen Mieke haar wil te volgen, de kamer te verlaten.
Mieke begreep.
Ze legde het verfomfaaide zakje, vet doorplekt, op de tafel in de huiskamer en sloop op de teenen de kamer uit, de deur behoedzaam en geruischloos achter zich sluitend.
En boven, in haar afgelegen heiligdom, viel ze neer op een stoel, opnieuw overmand door moeheid, niet wetende wat te doen: zich te kleeden en naar beneden gaan of boven blijven. Zij verweet zich haar domheden,—en ook weer had ze geen oogenblik spijt gehandeld te hebben als ze deed tegenover de dametjes. Zij had niet anders gekund … Maar wat hielp dit? Ze had ’t verbruid … Zij sloot de oogen en Olga’s blik pijnde door haar herinnering … Zóó kon een meisje op het toppunt van haar geluk een ander meisje aanzien?… Arme Olga!… Het nijpte zéér in Mieke’s gevoelig zieltje … Neen, de slagboomen scheidden nog immer beider wegen, het bruggetje over de kloof was slechts gezichtsbedrog geweest,—Mieke gaf ’t op! Nu gaf ze’t op: het zou nóóit anders worden tusschen haar en Olga. Het eenige verschil tusschen vroeger en nu was, dat ’t Mieke niet meer schèlen kon elkander nooit te zullen naderen. En die wetenschap deed haar opeens niet meer pijn als ze placht. Zij glimlachte zelfs om de hoop, het enthusiasme, waarmede zij kort geleden zoo gelukkig was geweest; ze vond haar hooge stemming van [182]daarstraks nu bijna mal … En ze dacht aan haar oude, dankbare, zachte dametjes … Eén voordeel kon zij dezen avond toch boeken: zij had nieuwe vriendschap gevonden, die op zou wegen tegen ’tgeen ze thans zeker van anderen kant verloren wist … Maar wat haar door alles heen bleef bezwaren was het komend onderhoud over haar vergrijp van zooeven, en toen Loes, laat nog, naar boven kwam geslopen, Mieke reeds in bed vindend, en zij elkander een omstandig verhaal deden van wederzijdsch gebeuren, kon ze Mieke niet geruststellen. Morgenochtend zou de bom stellig barsten. [183]