[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

IN DE STAD EN DE NIEUWE OMGEVING.

Doch in de stad moest ze wel weer aktief worden. Geert kon het paard niet alleen laten, dus, nadat hij haar hielp uitstijgen en het valies overgaf, diende zij voor zichzelf te zorgen.

Heel hartelijk nam hij afscheid, haar nog allerlei goeden raad gevende voor haar aankomst in Amsterdam, wat haar echter allemaal gemakkelijker gezegd dan gedaan leek. Hulpeloos en onhandig voelde zij zich bij het binnengaan van het station; zenuwachtig frommelde zij in haar beursje bij het betalen van ’t spoorkaartje, en toen ze even daarna, van af het open perron, Geert in het wagentje zag wegrijden, zonk haar de moed in de schoenen.

Zij had nog ongeveer een kwartier den tijd, en zittend op een bank in de kleine wachtkamer, onwillekeurig afleiding vindend in het gaan en komen der reizigers, werd haar aandacht gaandeweg afgeleid van persoonlijke bezwaren. De noodzakelijkheid van het heilig moeten dwong haar wederom onherroepelijk tot meerdere innerlijke zelfbeheersching, en zij werd kalmer. Het verleden lag nu gansch-en-al achter haar … Nu niet weer week worden en lafhartig, nu [69]dapper zijn en willen… Rechter ging zij zitten; het hoofd richtte zij op. Zij deed er grootmoeder geen dienst mee te treuren en zich telkens terneer te laten slaan. Zag grootmoeder haar niet altijd gaarne opgewekt en hoopvol?… Wat hadden zij samen niet al plannen gemaakt! Nu ging zij die ten uitvoer brengen, alleen, maar tóch. Nu moest zij toonen wat grootmoeder haar geleerd had, wat ook dominee Rensen haar zeide: te vertrouwen… En was ’t onlangs onder juffrouw Wije’s invloed, dat zij haar vrees overwon, nu behaalde zijzelve een overwinning op haar wankelmoedigheid.

Daar stoof de trein binnen, dampend en snuivend. Zij zocht en vond een vrij goed plaatsje in een niet te volle coupé, en eenmaal op weg naar de plaats harer bestemming zag zij zóóveel, wat haar boeide, zóóveel wat afleidde, dat de reis haar veel draaglijker werd dan ze ooit had geloofd.

Maar toen in Amsterdam!

Als verdoofd stond ze middenop het stampvolle perron. Van alle kanten gedrongen en geduwd zag ze geen veilig heenkomen. Er was niemand, dien ze kende of die op haar lette, aan wien ze vragen kon waarheen ze gaan moest. Een onafgebroken stroom van menschen daalde de breede steenen trappen van de perrons af. Zwijgend vragend staarde ze rond,—geen sterveling, dien ze herkende. Zij was als verbijsterd.

Tot-nu-toe was haar voorstelling van Amsterdam geweest als van de provinciestad, waar ze schoolging, [70]op marktdag, en dan misschien iets drukker. Maar zoo!… En heel alleen stond ze te midden van die haastige menigte.

Daar voelde zij een tikje op den schouder. Een vriendelijk uitziend meisje, haar hulpeloosheid bemerkend, vroeg: „Naar den uitgang?”

„Ja,” knikte Mieke gretig.

„De trap af,” onderrichtte de ander, inmiddels zelf dalende en in een ommezien verdwijnend.

Mieke besloot dus maar den stroom, die reeds wat verminderde, te volgen, en, komende in het sousterrein van het station, liep ze denzelfden weg als de zich voortspoedende reizigers, de loketten langs, waar ze haar kaartje moest afgeven.

Zij voelde een tochtige lucht van buiten komen bij het open- en dichtflappen der groote glazen deuren, en zag daarachter het gewirwar van trams op de straat, ’t af- en aanrijden van karren, en nogmaals angstig rondkijkend hoorde zij zich opeens aanspreken door een bekende stem, die zei: „Welkom, Mieke, in Amsterdam.”

„Oom! Oom!” riep ze, zich met een ruk omkeerende.

Hij nam haar ’t zwarte valies uit de hand en zette haar wat op haar gemak, ziende hoe in de war zij was, rustig pratend met haar over de reis.

In de tram zat ze maar stil. Honderderlei gewaarwordingen bestormden haar, en af-en-toe keek ze naar het achterbalkon, waar oom Egbert, kalm een sigaar rookend, stond te praten met een paar heeren, [71]zich afvragend of hij, die blijkbaar in het minst niet op haar lette, haar bestaan niet vergat en zelf uit zou stappen zonder haar te waarschuwen. Ondertusschen verdrong het ééne na ’t andere zich om haar interesse, zoodat ze opschrok, toen oom Egbert haar onverwachts toeriep: „Hier uitstappen, Mieke.”

Haastig oprijzend, geagiteerd, eensklaps overdruk pratend, legde zij naast oom Egbert het korte eind af van de tram naar de woning der Van der Hoeves. Het was een tamelijk aanzienlijk huis, wel niet dien overweldigenden indruk makende op Mieke als de menschenmassa aan het station, de drukke, breede straten en pleinen en de hooge gebouwen, maar toch haar wederom intimideerend, wellicht meer door de gedachte aan de bewoners dan door het imponeerende van den gevel, die trouwens niet veel anders vertoonde dan wat men dienaangaande doorgaans in de nieuwere stadswijken te zien krijgt: een deur ter zijde en twee ramen ernaast, behoorende bij een suite gelijkvloers; daarboven twee étages, elk met drie vensters aan straat, en een zolderverdieping.

Slechts een oogenblik duurde voor Mieke deze overval van nieuwe beduusdheid. „Nu niet kinderachtig zijn,” dwong zij zichzelve, „maar beleefd en vriendelijk, niet schuw en linksch en kortaf,”—en ondanks een groote innerlijke spanning, gelukte het haar uiterlijk kalm en beheerscht te schijnen, veel meer dan bij aankomst, al beving haar ook een hevige ontroering bij het binnentreden.

Zij volgde oom Egbert in de breede, wit-marmeren [72]gang, waar een dikke looper de voetstappen dempte.

„Loop maar door, kind, loop maar door,” en oom Egbert opende, langs haar heen reikend, de deur der huiskamer.

Ofschoon het buiten nog dag was, brandde hier de elektrische lamp reeds en wierp haar vroolijk schijnsel door een hel-gebloemde kap op de druk geornamenteerde meubelen in ’t ruime vertrek met z’n vele glimplekjes van koper en kristal. De kamer stond overvol met kleinigheden, die echter geen van allen den smaak der huisvrouw deden vermoeden, zoo varieerden zij tusschen dansende Saksische poppetjes en streng belijnde moderne vazen, tusschen Rozenburgsch en fijn Deensch porcelein. Olga waren mama’s „bij-elkaar-raapsels” altijd een gruwel, maar mevrouw Van der Hoeve verkoos nu eenmaal, als op zoovele punten, haar zin door te drijven en wenschte haar huiskamer te versieren naar háár behagen en naar háár wil, zonder zich te storen aan kritiek.

Maar Mieke, onoordeelkundig, getroffen door het in haar oog zoo weelderige van het vertrek, overblufte deze impressie van glans zeer. ’t Flitste haar door ’t hoofd: „Hier moet je nu wonen in ’t vervolg,” en tegelijkertijd moest ze vechten tegen den overweldigenden angst: „Maar nooit zal je hier wennen. Nooit zal je je hier thuis voelen.”

Zij klemde de handen tot vuisten … Kom, nu moest ze zich groot houden, praten, vriendelijk begroeten, [73]glimlachen, niet bedeesd zijn, de tranen in je oogen terugdringen …

Uit den rechtschen kamerhoek verrees langzaam een slanke dame van middelbaren leeftijd, gekleed in een voyante blouse van gekleurde zijde en onberispelijk gecoiffeerd in keurig modernen trant. Zij had gemakkelijke, bevallige bewegingen en een mooi, hoewel reeds verwelkend gezicht. Haar stem klonk wat krakend en voor dengeen, die haar voor ’t eerst ontmoette, eenigermate geaffekteerd, maar daaraan wende men spoedig; de intonatie ervan was niet onvriendelijk.

„Zoo, Mieke,” begroette ze ’t meisje, deze de hand reikend, „hoe gaat het? Heb je een goede reis gehad?”

Wat haperend, zichzelf echter tot duidelijk spreken dwingend, antwoordde Mieke, ofschoon met snel kloppend hart, rustig en oogenschijnlijk op haar gemak.

Mevrouw Van der Hoeve, in de meening „aan het ongemanierde buitenkind vermoeiend veel te moeten polijsten” werd eensklaps, bij het zien van het volstrekt niet zóó ongeciviliseerd persoontje, als zij vreesde, milder gestemd. Erik overdreef werkelijk, toen hij haar „boersch” en „onbeschaafd” noemde. „Voorloopig onpresentabel,” was juister geweest. Maar er zou nog wel wat van te maken zijn, geloofde tante Sophie welwillend; en zij had meestal een goeden kijk op dergelijke situaties, naar zij meende.

Buitendien het voordeel aan Mieke’s verblijf hier [74]verbonden bleek niet onaannemelijk na de opgaaf van den notaris. Wel viel de nalatenschap van grootmoeder niet mee, maar ’tgeen Mieke van haar moeder erfde overtrof verre aller verwachting. Egbert’s voorstel om alles van grootmoeder maar aan Mieke te doen vervallen was dan ook te zot om op te antwoorden. Zij, tante, had uitgerekend, hoe, na aftrek van Mieke’s onderwijs- en kleedgeld, het overblijvende van ’s meisjes inkomen van dien aard was, dat ze het er graag voor over had ’t kind in huis te nemen, vooral wanneer ze tegelijkertijd hulp in de huishouding van haar krijgen zou. Egbert had een flink inkomen, zeer zeker, maar den laatsten tijd kostte het huishouden zooiets, en niet te vergeten de kinderen, tenminste de beide oudsten, die geen notie schenen te hebben van de waarde van geld, om te zwijgen van al de uitgaven, die mevrouws zwak gestel veroorzaakte.

Met dit al kon mama evenwel Olga’s grieven in zake Mieke wel plaatsen: natuurlijk was het niet plezierig elken dag aan tafel te moeten zitten met een onmogelijk burgerkind en haar aan je vriendinnen als je nichtje te presenteeren, maar je kon haar toch immers vervormen en er voorloopig een mouw aan passen?… Olga moest ten slotte ook eens bedenken, dat het nog vrij wat vervelender zou geweest zijn, wanneer Mieke geen sou had bezeten en ze dan óók genoodzaakt waren voor haar te zorgen. Maar dit zagen de kinderen geheel voorbij in hun zorgelooze weelderigheid,—behalve Louise dan, [75]die, hoe onbeteugeld ook somtijds in haar oordeel en manieren, in zulk soort kwesties gauw toegaf.

Tante Sophie had alles rijpelijk overwogen; zij was een praktische vrouw, namelijk waar het aankwam op eigen voordeel. Het deed haar daarom veel plezier het vooroordeel der oudsten in zooverre overwonnen te hebben, dat zij haar zin doordreef. En na het onderling gehaspel en gewik en geweeg aangaande Mieke’s komst, viel het te begrijpen, dat zij zich eenigszins triomfantelijk tegenover hen voelde bij de zooveel gunstiger impressie van Mieke’s persoontje dan zij verwachtte. Vervuld van deze tevredenheid werd ze voorkomend.

Wel week de beklemdheid daardoor niet van Mieke, doch haar bedeesdheid loste zich op in toenemende ongedwongenheid, door oom Egbert met blijde verrassing en een zucht van verlichting waargenomen, gevreesd als hij had voor een wederzijds verkeerden indruk.

Hij was er nu eenmaal de man niet naar de meening zijner vrouw te leiden, te weinig opgewassen als hij bleek te zijn tegen de handige wijze waarop zij z’n wil wist te vervormen naar haar eigen wenschen. Hij werd zelden weerstreefd, maar niettemin kreeg hij nooit, of bijna nooit, zijn plannen—tenminste door vrouw en kinderen—uitgevoerd. IJverig, begaafd met een flinke dosis gezond verstand en deugdelijke handelskennis, schoot hij te kort in krachtige doortastendheid, (wederom slechts in familieverband) en in z’n hart eenvoudig en onopgeschroefd leidde hij [76]voornamelijk in huiselijken- en familiekring, door z’n al te groote toegevendheid eigenlijk een gekunsteld leven, gansch anders dan waaraan zijn geaardheid behoefte had.

Hoevaak ook gebukt gaande onder den staat, dien zijn vrouw en kinderen voerden, onder hun begrippen omtrent huishouden, opvoeding, vormen, gemeenschapsverhoudingen en honderderlei kleinigheden, die hem menigmalen met een zorgelijk gezicht voor z’n brandkast deden staan,—heimelijk bepleitte hij dit alles toch in opgewekter oogenblikken, zichzelf onder ’t oog brengend dat hij, een gewone burgerjongen, dan ook maar niet zoo’n verwend, voornaam meisje als Sophie had moeten trouwen, al bracht ze ook nauwelijks een uitzet mee ten huwelijk. Men kon van haar niet verlangen haar leven sober in te richten, zooals hij dat gewend was; evenmin van de kinderen, die zij nu eenmaal had opgevoed naar ’tgeen zijzelf had geleerd.

Niet bij machte dus tegen den stroom op te roeien had hij, zij ’t somtijds zuchtend, offers gebracht aan eigen persoonlijkheid, meening en gevoel, wel niet steeds tot eigen best, vooral niet in moreelen zin, maar schaduwen van zelfbeschadigingen doezelt men gewoonlijk graag spoedig weg!… Sedert de vijf-en-twintig jaren van zijn huwelijk was dat min-of-meer verwringen van zichzelf hem langzamerhand tot een tweede natuur geworden, voornamelijk en ’t meest toen de kinderen grooter werden. O, noch Olga noch Erik brutaliseerden hem, zij respekteerden hem [77]ongetwijfeld zeer, de wederzijdsche verhouding in huis was die als van een geacht vader en tamelijk welopgevoede jongeren, maar niettegenstaande dit waren zij hem toch boven het hoofd gegroeid, stonden zij,—zij ’t correkt—zoo tegenover elkaar, dat er van kinderlijke afhankelijkheid en liefderijk vertrouwen nauwelijks sprake kon zijn.

Olga was z’n glorie, haar schoonheid z’n roem; Erik z’n trots;—maar zelden had hij hun bezit, vooral in later jaren, gevoeld als een diepe, onvergelijkelijke innigheid, hoezeer hij daarnaar soms ook hunkerde. Loes alleen gaf hem heur hart, geheel en zonder voorbehoud; Loes alleen bracht zonneschijn in zijn leven, al gold zij ook voor de minst begaafde zijner kinderen. Zij, het kleine bijdehandje, werd de eenige, die hem nader bracht tot zijn eigen, gaandeweg vergroeide natuur.

Oom Egbert in zijn omgeving scheen Mieke dan ook een heel andere man dan in grootmoeders huisje … Waar was zijn openlijke hartelijkheid?… Zij had zijn vormelijkheid met bevreemding waargenomen, tot plots, bij tante’s toeschietelijkheid, zijn van vroeger bekende, voorkomende manier-van-doen haar verheugd deed opzien.

„Kom, Mieke, doe eindelijk nu eens je manteltje uit. Je moet ’t je maar gemakkelijk maken, is ’t niet, tante?” het klonk opgewekt, alsof hij zich bevrijd voelde van iets, dat hem gehinderd had.

Tante Sophie keek lichtelijk verwonderd thans. „Ja zeker,” zei ze niettemin vriendelijk, „zet je hoed af.” [78]Haar groote, ronde, wat uitdrukkingslooze oogen gingen vragend naar haar echtgenoot.

„Zij moet zich hier heelemaal thuis voelen,” ging oom Egbert ijverig voort, zóó blij en enthusiast als gold het een feest, dat ’t nichtje gekomen was.

Dit hinderde mevrouw … Hemel, zóó gelukkig behoefde Egbert zich nu óók weer niet te toonen! Die overdreven familieziekte van dien man altijd!

„Tenminste,” antwoordde zij daarom, meer gereserveerd dan zooeven, „als Mieke ervan overtuigd is, dat dit thuis-voelen van haar eigen gedrag zal afhangen. Ze moet beginnen met niet eigenwijs te zijn, en buitenmenschen zijn op dat punt hardleersch.”

Deze woorden troffen Mieke onaangenaam en oom Egbert’s gezicht betrok een weinig. Hij hielp haar, zonder spreken nu, zich van haar mantel te ontdoen, toen onverwachts, van uit het aangrenzend vertrek, een jonge dame te voorschijn trad.

Oogenblikkelijk had Mieke haar herkend: Olga. Vele jaren waren sedert de laatste ontmoeting verloopen, doch precies zooals zij leefde in Mieke’s herinnering stond het meisje voor haar met al de overmoedige schoonheid van vroeger, met dezelfde spottende, koele oogen van toen zij kinderen waren. Verbluffend, evenals eertijds, werkte Olga’s blik, die haar van top tot teen opnam, en eenige oogenblikken overheerschte Mieke een bijna onoverwinnelijke verlegenheid. ’t Stereotiepe glimlachje om den mond van het groote, mooie meisje verwarde haar onbeschrijfelijk. [79]Zij kende dit gevoel. Dit was dezelfde gewaarwording als die, waarmee ze als klein kind reeds had geworsteld, toen tevergeefs. Nu streed ze opnieuw, ze spande al haar krachten in om niet als een dom, schuw wezentje het veld te ruimen voor de imponeerende verschijning tegenover haar. Haar trots om zichzelve te handhaven streed kort maar heftig en onverdroten. Zij wìlde zich niet in een hoek laten duwen als vroeger! Zij wenschte volstrekt niet Olga op zijde te streven, maar evenmin wilde ze onder den voet raken … En haar blik hield den stillen spot uit, die haar onafgebroken vasthield vanuit de mooie oogen harer schoone nicht.

Het ironisch lachschemertje op Olga’s fijn gezichtje werd intusschen duidelijker, toen Mieke ook haar hoed afzette en ’t glad naar achteren gestreken haar te zien kwam … Wat een coiffure!… En wat ’n chapeau, dat geel strooien modelletje met wit zijden strikjes en stijve margrietjes,—in Octòber!… Kon je je iets méér provinciaals denken? En die mantel, wat een snit!… ’t Kind had gelukkig géén groene-zeep-gezicht, dat op mijlen afstands al glom van de frisschigheid. De arme!… Ofschoon dat horlepijpsche, zwarte valies weer je reinste bagage was voor de Rivièra, andersom!… Eén voordeel echter dat ze klein was en wat bleek zag. Zoo’n groot, kleurig buitenmensch elken dag om je heen irriteerde ontzettend … Wat zij zich van Mieke herinnerde was akeliger dan dit. En onbewust met mama instemmend overzag ook zij: „Er viel misschien nog wel een snippertje [80]te fatsoeneeren aan ’t kind,”—want zóó zou ze in geen geval kunnen blijven.

„Hoe maak je ’t, Mieke?” vroeg ze, langzaam haar hand uitstekend, waar Mieke slap de hare inlegde. En op den haar eigen slependen toon vervolgde zij: „Wij hebben elkaar in lang niet gezien.”

In ’t eerst haar stem nauwelijks meester, vermande Mieke zich, en hoewel met moeite antwoordde ze vlot: „Ja, ’t is lang geleden. Ik maak ’t goed.”

„Zoo?” Met een wat loome beweging zette Olga zich in een lagen, grooten stoel, spelend met de kwasten van ’t koord om haar middel. Dat antwoord klonk niet praatziek! Zelfs geen wedervraag: „Hoe is ’t met jou?”—Zie je, daar kwam al dadelijk dat lichtelijk onwellevende te voorschijn … Toch vermakelijk ook, die blooheid, want daardoor ontstond dat kortaffe. En weer vlogen spottende blikken langs ’t tengere figuurtje aan den overkant der tafel.

Mieke had, ondanks zichzelf, Olga’s bewegingen gevolgd in open bewondering. Dit óók voelde Olga, en ’t streelde haar ijdelheid te zien hoe Mieke vocht tegen die bewondering, die haar zoo verlegen maakte.

O, dit rijzige, voorname meisje, mooier nog dan vroeger leek ze Mieke thans in die rijke japon van donkergroen fluweel! Doch bij deze bewondering ondervond zij niet de minste vreugde om ’t weerzien. Integendeel, de bezwaardheid, zooeven bij tante’s voorkomendheid wat lichter geworden, legde weer haar vollen last op haar van vrees voor de toekomst, [81]en het oude gevoel van vernedering en eigen kleinheid kwelde haar opnieuw grievend, toen ze Olga’s kritiek over haar simpele kleeding las in den voor-mal-houdenden blik, waarmede ze vroeg: „Of Mieke haar blousjes altijd zelf maakte?”

Oom Egbert, na hoed en mantel der logée in de gang gebracht te hebben, kwam weer binnen en schoof den stoel, waarvan Mieke bij Olga’s begroeting opstond, nogmaals aan. „Ga toch weer zitten, kind,” drong hij, moeite doende ’t gesprek, ’twelk dreigde te hokken, gaande te houden. „Misschien heb je nog wel een kop thee voor haar, mama?”

„Als ze wil?” informeerde mevrouw. „Maar de thee zal afgeschonken zijn.”

Mieke, strak nu ’t gezichtje, de lippen op elkaar geklemd, schudde ’t hoofd. „Neen, dank u,” antwoordde ze met een onverklaarbaren drang tot weigeren, ofschoon ze graag een kopje gedronken had.

„Dus niet?” verwonderde tante zich, vooral over de wijze van refuseeren.

„Dank u,” bleef Mieke volhouden, later spijt hebbend van haar gedrag, zich verwijtend, hoe dit weer dezelfde „stuursche koppigheid” was als waarover grootmoeder haar eens berispte ten aanzien van heur ander kleindochtertje. Deze „koppigheid” werd geboren uit dezelfde oorzaak. Zij was ’t innerlijk, instinktmatig verzet tegen de machtige, spottende bekoring, tegen de bevallige, laatdunkende ironie, die Olga zoo pijnigend kon toepassen op menschen, die niet geraffineerd genoeg waren om haar te doorzien of te [82]weerstreven, en voor wie ze het niet de moeite waard rekende haar gaven aan te wenden tot het kweeken van sympathie. „Zij was nu eenmaal geen gevoelsmensch,” zei ze vaak,—uitsluitend echter tot hen, die „buiten haar sfeer stonden,” zooals ze ’t noemde. En waar Mieke nog niet in de verste verte die „sfeer” benaderde, is ’t te begrijpen, dat Olga zich dus niet de geringste moeite gaf te bekoren door de tegemoetkoming en belangstellende vriendelijkheid, waarmede zij degenen, op wier oordeel zij prijs stelde, zoo spoorslags kon betooveren.

Mieke’s kalm, effen bestaantje, zonder eenige ingrijpende emotie, had haar levensontwikkeling in zeker opzicht tegengehouden. Des te forscher schokten haar daarom nu al deze aandoeningen van ziel en geest, deze ups en downs, maar ook des te sneller schoot haar zelfkritiek de hoogte in, (ook al omdat ze met zichzelf te worstelen had) evenals haar ontwakend begrip van anderer karakter-eigenschappen. Na uren van schemering doet het ontstoken licht de oogen pijn, maar ook worden ons de duistere hoekjes helderder dan ooit.

Tante Sophie schonk voor zich nu de thee, en oom Egbert ging juist weer zitten, toen allen opschrokken door een luid gebel. Even daarna brak een hooge meisjesstem de ingetreden, wat pijnlijke stilte. Olga’s wenkbrauwen fronsten. Een trek van kribberigheid, die haar gezicht overschaduwde, deed geen goed aan de schoonheid ervan.

„Dat onhebbelijke kind,” zei ze vinnig. „Aan mama [83]stoort ze niets en u, papa, is veel te toegevend … Hóór toch eens!… Wat is dat nu weer?”

Meneer Van der Hoeve opende de deur.

„Wat is er toch, Loes? Val je?”

„Welnee,” en de jongste, warm van ’t harde loopen, ’t haar slordig om de ooren, kwam in, klein, donker ding van een jaar of zestien, in de verste verte niet op schoonheid kunnende bogen, in niets gelijkend op haar zuster en wel ’t allerminst in voornaamheid. „Hè, die Betje laat je soms toch zóó lang aan de deur wachten vóór ze open doet. Geschrokken van me, vadertje?” en lachend, over z’n schouder heen: „Is ze dat nou, je nicht?”

„Louise,” ergerde mevrouw zich.

Maar ze hield zich Oost-Indisch doof en bleef vroolijk doorbabbelen, zoodat vader weer, ondanks zichzelf—wat Olga „gebrek aan prestige” noemde—lachte. Zijn bestudeerde waardigheid van bezadigd, deftig man moest het nu eenmaal herhaaldelijk afleggen tegen haar spontaniteit en onontkoombare liefkozingen, en hoewel Mieke zich verbaasde, dat een dochter zóó oneerbiedig als tegen een broertje tot haar vader spreken durfde, zij glimlachte erom en voelde bij den vriendelijken blik van ’t opgeheven, doodgewone meisjesgezichtje een straal van heerlijke warmte in zich vloeien, die ze zoo noodig, zoo broodnoodig had, en die geen van allen haar hier nog schonk.

Nu kwam de kleine druktemaakster op haar toe. [84]Haar lachende, ondeugende oogen hadden een zacht glansje, toen ze Mieke een stevige hand gaf.

„Ach,” zei ze, „ik vind ’t toch zoo naar voor je, dat grootmoeder gestorven is. Zal ik je in ’t vervolg nu es een beetje gaan vertroetelen?”

En opeens wist Mieke, dat ze hier één mensch in huis tenminste volkomen welkom was, en de drukkende veronderstelling er nooit te zullen aarden, verloor eensklaps voor haar de helft harer zwaarte. [85]