[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

HET SPOOR VAN HET WILD.

Den daaropvolgenden dag ging Raffles alleen naar Londen om, zooals hij Charly vertelde, eenige inkoopen te doen.

Inderdaad echter ging hij een bepaald plan uitvoeren.

Hij zocht als een jachthond het spoor van wild, dat hij hoopte neer te vellen.

Hij had tot nu toe steeds het blinde toeval gevolgd en dit was hem altijd gunstig geweest.

Langzaam slenterend als een nietsdoener liep hij door het drukke gewoel van de Oxfordstraat, bleef hier en daar voor een winkel staan, bekeek schijnbaar belangstellend de uitstallingen, terwijl hij in werkelijkheid de gesprekken van menschen trachtte af te luisteren.

Hij bleef voor de bekende juwelierszaak van Gebroeders Brill staan.

Een oudachtige bediende in livrei kwam er juist uit met een pakje in de hand en de uitdrukking van wanhoop op diens gelaat boezemde Raffles belang in.

Onmerkbaar volgde hij den bediende, die langzaam, bijna wankelend als een beschonkene, den weg insloeg naar het Strand, hier en daar bleef staan en zacht in zichzelf praatte.

Dikwijls hoorde Raffles, dat de bediende zei: „Ik ben een verloren man. Mijn God, wat moet ik toch doen!”

Deze woorden boezemden Lord Lister veel belang in.

Hij besloot, den man niet uit het oog te verliezen.

Met dezen man moest iets bijzonders zijn gebeurd.

Weldra sloeg de bediende een kleine zijstraat in, die naar de Theems leidde en ging een restaurant binnen, dat uitsluitend door kooplieden en ambtenaren werd bezocht.

Daar bestelde hij een flesch wijn.

Ook dit trok Raffles’ aandacht.

Hij begreep, dat die man, die overigens nuchter scheen, zich in groote ongerustheid moest bevinden, welke hij door wijn trachtte te verjagen.

Raffles, die zich een glas bier liet brengen en eenige sandwiches at, bemerkte, dat de bediende verscheiden glazen wijn snel achter elkaar leegdronk en starend voor zich uitkeek.

Eindelijk opende hij het pakket, dat hij in de hand hield en haalde een ketting te voorschijn, die schijnbaar met kleine briljanten, paarlen en robijnen was bezet en waaraan een medaillon hing.

„Aha!” dacht Raffles, „de arme kerel heeft geldzorgen. De ketting behoort niet aan hem, maar aan zijn meester. Hij wil zich het sieraad toeëigenen en zoodoende diefstal plegen.”

De bediende scheen steen voor steen te onderzoeken, nu en dan hardnekkig het hoofd schuddend en zelfs eens met de vuist op tafel slaand.

„Het sieraad schijnt hem niet genoeg waarde te hebben”, dacht Raffles, „of misschien is het niet voldoende om er het geld, dat hij noodig heeft, voor te krijgen.”

Na eenigen tijd stond de bediende op, betaalde en verliet het lokaal. Bijna op den voet volgde Lord Lister hem naar buiten, waar het reeds schemerdonker was.

Met haastige schreden snelde de man voort en sloeg den weg in naar de Theems.

Raffles dacht, dat hij òf naar huis zou gaan, òf een bank van leening opzoeken.

In plaats hiervan, liep de bediende dicht langs het hek, dat den wandelweg van de Theems afscheidt. Af en toe keek hij schuw om zich heen, totdat hij plotseling op een plaats, waar zich op dat oogenblik niemand bevond, nog eens als een krankzinnige om zich heen keek en, voordat Raffles het kon verhinderen, over het hek in de rivier sprong.

Deze wanhoopsdaad van den ongelukkige deed Raffles onmiddellijk begrijpen, dat deze man geen dief was. [8]

Zonder zich een oogenblik te bedenken, wierp Lord Lister zijn overjas af en sprong eveneens in de Theems.

Het stroomende water had den zelfmoordenaar reeds tamelijk ver van den oever meegevoerd.

Met krachtige slagen gelukte het Raffles om den ongelukkige, die reeds den dood nabij was en wiens hoofd juist als een zwarte bal boven water verscheen, te bereiken.

Reeds wilde hij toegrijpen, toen de drenkeling wederom verdween.

Tegelijkertijd dook ook Raffles; het gelukte hem den zelfmoordenaar in den rug te grijpen en met een krachtigen stoot boven water te brengen.

De bediende had het bewustzijn nog niet verloren en, toen hij bemerkte, dat hij gered zou worden, begon hij zich als een wanhopige te verdedigen en te schreeuwen:

„Laat mij los! Ik wil sterven.”

Maar Raffles hield hem met ijzeren vuist vast, toen de bediende hem plotseling bij de keel greep.

Lord Lister, die met de eene hand den ongelukkige vasthield en de andere noodig had om te zwemmen, kon zich niet verdedigen.

Als met stalen schroeven omspande de hand van den bediende den hals van zijn redder en sneed dezen bijna de lucht af.

Raffles begreep, dat deze strijd hem het leven zou kosten en er bleef hem niets anders over dan met een vuistslag den zelfmoordenaar onschadelijk te maken.

Reeds dreigden de krachten Raffles te begeven. De stroom had hem reeds meegevoerd tot in het midden der rivier.

Daar daagde plotseling redding op.

Van af een koopvaardijschip, dat in de Theems voor anker lag, hadden eenige matrozen de worsteling aangezien en een boot vlot gemaakt. Met snelle roeislagen waren zij naderbij gekomen en trokken nu Raffles en den bediende in de boot.

„Bravo, jongens”, riep de Groote Onbekende. „Een paar seconden later, en de visschen in den Oceaan hadden zich aan mij te goed gedaan.”

Het duurde niet lang of het tweetal lag in warme dekens gehuld in hangmatten in eene verwarmde kajuit, terwijl de matrozen hun grog brachten.

De natte kleeren werden in de machinekamer te drogen opgehangen.

Nadat Raffles en de ongelukkige op hun verhaal waren gekomen, sprak Raffles tot den stuurman, die den afwezigen kapitein verving:

„Laat ons nu eenige oogenblikken alleen, ik wil dien man iets vragen.”

Gehoor gevend aan dien wensch, verlieten de matrozen en de stuurlieden de kajuit.

„Ik geloof niet”, sprak Lord Lister tot den geredde, „dat gij mij erg dankbaar zult zijn voor uwe redding.”

„Vervloekt, Sir”, antwoordde de ongelukkige, „ik zou niet weten, waarom ik u zou moeten bedanken, want gij hebt mij voor de gevangenis uit het water gehaald.”

„Dat is nog zeer de vraag”, antwoordde Raffles, „er zijn middelen genoeg om een mensch zelfs van de galg te redden.

Ik ben bereid, om u, zoover het in mijn macht ligt, te helpen.

Natuurlijk moet ge mij vertellen, wat u tot den zelfmoord heeft gedreven.”

„Gij maakt mij beschaamd, Sir”, antwoordde de bediende, „maar ik stel vertrouwen in u.

Gij hebt uw leven voor mij gewaagd, en wie dat doet, helpt den ander ook in een minder moeilijke positie.”

„Ik help u”, herhaalde Raffles, „en als gij u sterk genoeg gevoelt, vertel mij dan nu, waarom gij in de Theems zijt gesprongen.”

De bediende richtte zich een weinig op in de hangmat, keek Raffles aan en vertelde:

„Ik ben sinds een half jaar bediende van Lord Landsdale.”

„Aha”, mompelde Raffles, „de president van de Cros-Club.”

„Juist”, antwoordde de bediende, „kent gij mijn meester?”

„Zeker”, klonk het antwoord, „ik ben zelf lid van die Club.”

„Om ’s Hemels wil”, fluisterde de ongelukkige, „dan heeft een Lord mij het leven gered?”

„Yes, mijn vriend”, glimlachte Raffles, „een echte Lord sprong je na in de Theems om je armzalig leven te redden. En tot dank daarvoor heb je je vingers gelegd om den hals van dezen pear van Engeland, die blauw bloed in zijn aderen heeft en je hebt hem willen vermoorden.”

„Vergiffenis heer”, stamelde de bediende, „het was de wanhoop, die mij daartoe dreef.”

„Stel je gerust”, antwoordde Raffles lachend, „ik [9]heb maling aan mijn Lords-titel. Ik ben precies zulk een mensch als jij. Mijn opmerking was slechts scherts en spot. Vertel nu verder.”

Met zachte stem vervolgde de bediende:

„Uwe Lordschap kent mijn meester als een uitermate driftig en zeer opvliegend mensch.”

„Jawel”, lachte Raffles, „ik weet, dat hij er met de rijzweep op inslaat, wanneer zijn bevelen niet precies worden opgevolgd.

Had je straf te wachten?”

„Veel erger. Zijn Lordschap zond mij naar den juwelier Brill in de Oxfordstraat om een sieraad van zijn echtgenoote, dat zich daar ter reparatie bevond, terug te halen.

Ik had deze opdracht uitgevoerd, doch nauwelijks had de Lord het étui geopend, of hij brak in een vloed van scheldwoorden los en riep in de grootste opgewondenheid:

„Dat is niet het sieraad, dat ik den juwelier heb gegeven!”

Hij beval mij, dadelijk terug te keeren en het juiste voorwerp mee te brengen.

De goudsmid echter verklaarde mij het goede sieraad te hebben ter hand gesteld. Dat, hetwelk ik hem nu liet zien, kende hij in ’t geheel niet.

Ik wist niet, wat ik daarvan moest gelooven. Ik snelde naar Zijn Lordschap terug en deelde hem mede, wat de man had gezegd.

Daarop wierp Zijn Lordschap mij de grofste beleedigingen naar het hoofd en schreeuwde, dat ik een dief, een bedrieger was en bij Raffles thuis behoorde.”

„Dat is prachtig!” lachte de groote onbekende bij de laatste woorden, zoodat de bediende verbaasd stond, waarom zijn redder plotseling zoo hartelijk lachte.

„Gij steekt den draak met mij?” vroeg de ongelukkige bedroefd.

„In geen geval”, antwoordde de groote onbekende. „Ik amuseer mij alleen over je Lord, omdat hij je verdenkt. Ge zijt een eerlijke kerel! Wat gebeurde er verder?”

„Zijn Lordschap dreigde mij, mij aan de politie te zullen overleveren wanneer ik niet binnen het uur het sieraad terugbracht, dat, naar hij beweerde, een uiterst kostbare briljanten halsketting was van de Lady. Ik ging naar den juwelier Brill terug en bezwoer hem, mij het goede sieraad ter hand te stellen, daar ik anders in de gevangenis zou komen.

Ik kan met den heiligsten eed bezweren, dat ik het pakket, dat de heer Brill mij gaf, niet uit handen heb gegeven of opengemaakt, zoodat ik het had kunnen verruilen.

Maar de juwelier zette mij uit den winkel en telefoneerde tegelijkertijd aan Zijn Lordschap, dat hij mij het goede sieraad had meegegeven.

Ik wist geen andere uitkomst dan mij van kant te maken.”

„Dat is eigenlijk geen uitkomst”, gaf Raffles ten antwoord, „het leven beneemt men zich niet, want het is het kostbaarste, wat wij bezitten.

Daarom wordt ook op zelfmoord de zwaarste straf gesteld, namelijk eeuwige gevangenschap in een donkere cel. Maar hoe kom je tot zulke gedachten? Het eene oogenblik voelt men zich zoo ellendig en wanhopig, dat er geen andere uitweg schijnt te bestaan en het volgende oogenblik kan het leven weer in helderen zonneschijn voor ons liggen.”

„Maar wat moet ik dan doen?”

„Wel, niets!” antwoordde Raffles.

„Ik zal persoonlijk Lord Landsdale bezoeken en met hem deze aangelegenheid in orde brengen.

De juwelier is een groote schurk, maar ik zal het hem betaald zetten, daar kun je van opaan.”


Het zou nog verscheidene uren duren, voordat de kleeren van Lord Lister weer droog waren geworden.

Daar hij echter niet zooveel tijd wilde verzuimen, vroeg hij den stuurman, of deze hem een pak kon leenen.

De stuurman stemde toe en weldra stond de groote onbekende in zeemanskleeren gereed om aan land te gaan.

Daar Raffles veel geld bij zich had, schonk hij aan de matrozen een vorstelijke gift en liet zich door eenige van hen aan land roeien.

Tegelijkertijd gaf hij hun de opdracht den bediende niet te laten vertrekken voordat hij zijn toestemming had gegeven.

Hij beloofde den stuurman, te zullen schrijven waarheen deze den ongelukkige moest zenden. [10]