Nauwelijks was Raffles eenige schreden voortgeloopen langs het Strand, waar het op dit oogenblik druk was van schouwburgbezoekers en menschen die afleiding zochten, toen vlak bij hem politie-inspecteur Baxter met de vloo, zooals detective Marholm, de secretaris van Baxter, werd genoemd, opdoken.
Lord Lister, die zijn zeemansmuts diep over het voorhoofd had getrokken, een dikken doek om den hals had geknoopt, welken hij wegens de avondlucht zoo hoog ophaalde, dat hij zijn mond geheel bedekte, liep rakelings langs den inspecteur van politie, zoodat hun mouwen elkaar aanraakten.
Raffles lachte in stilte.
Daarop overlegde hij, of hij niet een grap met Baxter kon uithalen.
Hij ging een sigarenwinkel binnen, liet zich een groot stuk papier en blauw potlood geven en schreef daarop haastig eenige regels.
Hierna verliet hij den winkel.
De inspecteur van politie was nog niet ver weg, toen Raffles reeds weer achter hem liep.
Hij bemerkte niets van hetgeen de groote onbekende achter zijn rug uitvoerde.
Weer liep hij dicht langs Baxter heen en bleef toen op kleinen afstand voor dezen loopen, den loop van een zeeman nabootsend.
Na eenige minuten bemerkte hij, dat de voorbijgangers, die achter Baxter liepen, hartelijk lachten.
„Ik weet niet,” sprak de inspecteur tot Marholm, „wat de menschen toch te lachen hebben”.
Op dit oogenblik trad een jonge man, die naar het uiterlijk een winkelier moest zijn, naar hem toe en sprak:
„Goeden avond, Sir!”
„Wat wilt gij van mij?” vroeg Baxter op norschen toon.
„Ik wil een weddenschap met u aangaan”, antwoordde de ander lachend.
„Wat voor een weddenschap?”
„Ik weet, wie gij zijt?”
De inspecteur van politie keek zeer verbaasd.
Hij kende den koopman niet.
„Ik wed niet”, antwoordde hij met afwijzend gebaar.
„Allright!” sprak de koopman, „dan zal ik ’t u zoo zeggen. Gij zijt politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard. Hebt gij Raffles gevonden?”
Hij nam zijn hoed af, lachte en ging verder.
Nauwelijks was hij weg, of een paar jongens grijnsden den inspecteur aan en de een zei tot den ander:
„Dat is inspecteur Baxter van Scotland Yard, die John Raffles niet kan te pakken krijgen”.
„Vervloekte bengels”, bromde de beambte en wilde met zijn stok naar hen slaan, toen een luid gelach van het publiek hem deed aarzelen.
Waarheen hij keek, overal zag hij lachende gezichten.
„Ben ik betooverd?” vroeg hij aan Marholm, „laten wij het eerste café binnengaan”.
Haastig verdween het tweetal in het bierlokaal.
Maar vreemd, ook hier, toen zij bij de toonbank stonden, begonnen de bezoekers luide te lachen, wezen met de vingers naar den inspecteur, totdat een der gasten op hen toetrad en sprak:
„Goeden avond, inspecteur—hebt gij Raffles al?”
Nu was Baxter’s geduld ten einde.
„Hoe kent gij mij?” vroeg hij den bezoeker.
„Hoe?” riep deze lachend uit.
„Ik wed, dat vanavond iedereen in Londen u kent”.
„Wel alle duivels!” riep de inspecteur buiten zichzelf uit, „niemand kent mij behalve mijn beambten!” [11]
„Dat is onmogelijk”, antwoordde de cafébezoeker, „maar ik zal u helpen. Onder den kraag van uw overjas is op uw rug een groot stuk papier vastgestoken. Lees dat eens!”
De vloo keek snel naar den rug van zijn chef, om op het volgende oogenblik een groot stuk wit papier te voorschijn te halen, dat met een hoek onder den kraag van de overjas was geschoven.
Hij hield Baxter het papier voor den neus.
Alle bezoekers van het lokaal kwamen om hem heen staan en lazen.
Met dikke letters in blauw potlood stond er op geschreven:
Let op!
Dit is mijn Sandwichman, politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard, die onbekend wil blijven! Men vrage hem naar mij.
Veel groeten van
JOHN C. RAFFLES.
Terwijl de bezoekers in een luid gelach uitbarstten, draaide alles voor de oogen van inspecteur Baxter in het rond.
Daarop pakte hij als een razende stier het plakkaat beet om het in flarden te scheuren.
Maar de eigenaar van het café greep het met een snelle beweging uit Baxters hand en riep:
„Laat mij dat papier, heer inspecteur!”
Nu wendde de van woede brieschende beambte zich tot Marholm en overlaadde dezen met een vloed van scheldwoorden, omdat hij niet had gezien, hoe het plakkaat op den rug van zijn chef was gekomen.
„Raffles maakt mij gek en jouw domheid erbij!” schreeuwde Baxter.
Daarop verlieten zij het lokaal.
Eenige oogenblikken later reeds werd het restaurant bestormd door verslaggevers, die van het geval hadden gehoord en spoedig verdrong zich een dichte menschenmassa voor het venster, waarvoor de eigenaar het plakkaat had opgehangen.
John Raffles zou hebben genoten bij het zien van al die menschen, die de grootste pret hadden.
Hij was intusschen per spoor naar zijn vossenhol teruggekeerd.
Charly Brand verbaasde zich er over, hoe zijn vriend aan het zeemanspakje was gekomen en luisterde vol verbazing naar de verhalen over den schurkachtigen juwelier, den ongelukkigen bediende en den inspecteur van politie, die voor sandwichman had gespeeld. [12]