[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN PAK SLAAG.

„Ik heb van mijn vroegere werkzaamheden een kistje vol prachtige damesringen overgehouden”, sprak Lord Lister, terwijl hij een zwart étui op tafel zette en het opende.

„Je moogt geen heerenringen dragen, want je zoudt wel eens in de noodzakelijkheid kunnen komen om je handschoenen uit te moeten trekken en een dergelijke kleinigheid zou je verdacht maken.

Men moet de rol, die men speelt, tot in de geringste bijzonderheden doorvoeren. Slechts dan kan men eenig resultaat verwachten. Kies dus hier eenige uit.”

Charly Brand zocht uit de ringen eenige exemplaren, die hem bevielen en schoof ze aan zijn vingers.

Raffles bekeek de hand van zijn vriend en sprak:

„Je bent werkelijk door de natuur ruimschoots bedeeld met vrouwelijk schoon, daarom heb je ook een eenigszins week en zenuwachtig karakter.

Hedenavond ben ik van plan met je naar een schouwburg te gaan, om eens te beproeven, welken indruk je maakt als dame.”

„Het is mij zeer onaangenaam”, sprak Charly Brand, „in deze kleeren te loopen. Ik zal blij zijn, als ik er weer van verlost ben. Ik ben al tweemaal uitgeweest en herhaaldelijk door heeren lastig gevallen.”

„Zoo, zoo”, sprak zijn vriend, „de gentlemen hebben dus een goed oogje op je. Nu, wij zullen vanavond eens zien.”

Het was tegen half elf des avonds, toen zij, uit een schouwburg komend, een deftig restaurant binnengingen en aan een klein tafeltje plaats namen, dat keurig voor een souper gedekt was.

John Raffles had zich gestoken in de uniform van een Engelsch marine-officier en zijn gelaat onkenbaar gemaakt door een zwarten, kortgeknipten ringbaard.

Charly Brand droeg een gedistingeerd avondtoilet en een grooten, modernen hoed vol struisveeren.

Zij hadden juist hun soep gegeten, toen Raffles Charly Brand onder de tafel op den voet trapte en sprak:

„Wij krijgen interessante buren.”

Charly keek in de aangeduide richting en ontdekte inspecteur Baxter met twee jongere heeren.

Zoowel hij als de beide heeren waren in avondtoilet, hadden witte orchideeën in de zijden opslagen van hun smokings en waren in uiterst vroolijke stemming.

„Zij zullen in een schouwburg zijn geweest”, fluisterde Raffles. „De inspecteur schijnt vrij van dienst te zijn en zijn tijd te besteden met eens flink te boemelen. Ik heb hem altijd voor een ouden zwierbol gehouden, maar ik betrap hem nu voor den eersten keer.”

De groote onbekende verloor Baxter geen oogenblik uit het oog.

De secretaris zag, hoe af en toe een vroolijk glimlachje over Raffles’ gelaat vloog.

„Waarom lach je?” vroeg Charly Brand.

„Ik amuseer mij over onzen vriend Baxter. Hij tracht tevergeefs een gesprek aan te knoopen met een paar opzichtig gekleede dames, die met eenige heeren dichtbij hem zitten. Luister eens, Charly, ik heb een prachtig idee!

Wij zullen vannacht niet naar ons vossehol teruggaan, maar in ons klein kwartier in de Holbornstraat overnachten.

Hier heb je een sleutel. Ik heb zelf een tweede exemplaar.

En nu, let op:

De inspecteur zoekt, naar ik merk, damesgezelschap. De gentleman vindt het vervelend om den nacht alleen met een flesch wijn door te brengen.

Ik zal nu het restaurant verlaten en ik durf mijn gewone weddenschap aangaan: tien pond tegen een pruimepit, dat, zoodra ik ben heengegaan, onze lieve, beste vriend met je begint te praten en je het hof gaat maken. Daarvoor zal hij voorbeeldig gestraft worden.” [13]

Charly Brand trommelde nerveus met zijn vingers op tafel.

„Is het werkelijk waar, moet ik met den inspecteur van politie coquetteeren?”

„Niet alleen dat,” antwoordde Raffles, „maar alles wat daarbij behoort en daarna laat je je door hem naar huis brengen.

Het zal een grap worden, om nooit te vergeten. Je kunt volkomen onbezorgd zijn. Je ziet er echter uit dan alle dames, die hier zitten, en geen sterveling zoekt achter je melkgezicht, dat je iets anders bent dan een dame.

Zelfs je stem is zeldzaam vrouwelijk.

Misschien is dat de reden, waarom ik je zoo graag bij me heb.

Een vrouw zou ik om haar onverstandigheid en nieuwsgierigheid nooit als vertrouwde kunnen gebruiken.

Luister dus eens, mijn jongen:

Ik verlaat het restaurant, laat het verdere aan den inspecteur van politie over.

Onthoud echter nog één ding: Zeg vier keer „neen”, voordat je éénmaal „ja” zegt.”

John Raffles betaalde het souper, kuste galant de hand van Charly Brand, zooals hij het een dame zou hebben gedaan en verliet het restaurant.


Alle aanwezigen keken den rijzigen zee-officier, wien de uniform kranig stond, na.

Zoo ook inspecteur Baxter en diens vrienden.

Nauwelijks was Lord Lister verdwenen, of de inspecteur van politie sprak tot den jongen koopman Webster, die naast hem zat:

„Waarvoor houdt gij de dame, die met den marine-officier soupeerde?”

Mr. Webster keek naar het door Raffles verlaten tafeltje en, terwijl hij Charly Brand fixeerde, antwoordde hij:

„Voor een dame uit de beste kringen.”

„Natuurlijk”, antwoordde Baxter, „maar ik bedoel, of zij met hem gehuwd is?”

„Daar valt niet veel van te zeggen.”

„Gij schijnt u sterk voor die dame te interesseeren, inspecteur.”

„Dat wil ik niet ontkennen. Zij is ontegenzeggelijk een schoonheid. Ik zou dolgraag den avond met haar doorbrengen.”

„Nonsens!” meende Mr. Webster, „dat zult gij u moeten ontzeggen.”

„Oho!” lachte Baxter, „mannen zooals wij, breed van gestalte en met een knap uiterlijk, hebben bij iedere vrouw succes.

Ik wed om drie flesschen champagne, dat het mij zal gelukken, binnen eenige minuten gehoor te krijgen bij de dame. Zij zal het prettig vinden, niet meer alleen aan de tafel te zitten.”

„Vertel toch geen nonsens”, antwoordde Mr. Webster, „als de officier terugkwam, zou het wel eens oorvijgen kunnen regenen.”

„Dat zou de vraag zijn”, sprak Baxter, „zoo gauw geeft men mij geen oorvijgen. Overigens ben ik tegen iedereen opgewassen, dat brengt mijn beroep mee.”

„Daaraan twijfel ik niet”, antwoordde de ander op drogen toon, „als gij geluk hebt, vertel mij dan morgen hoe het avontuur u is bekomen.”

Inspecteur Baxter hoorde nauwelijks nog de woorden, die de jonge man tot hem sprak.

Hij liep rechtstreeks op het tafeltje toe, waaraan Charly Brand zat, die zich blijkbaar verveelde en in een klein notitieboekje las.

„Pardon, dame”, sprak Baxter tot hem met een onberispelijke buiging, „ik bemerk reeds sinds een half uur, dat gij alleen zit. Misschien is het mij mogelijk, u den tijd, gedurende welken gij op uw gezelschap moet wachten, te bekorten.”

„Pardon, ik wacht niet”, antwoordde Charly Brand met zachte stem, terwijl een kokette blik onder den breeden rand van den struisveerenhoed naar den inspecteur werd geworpen.

„Ah, wacht gij niet?”

„Neen. Ik lijd een beetje aan slapeloosheid en ben daarom nog hier gebleven, terwijl mijn echtgenoot zich naar het departement van marine heeft begeven, waar hij nachtdienst heeft.”

„Jammer!” sprak Baxter.

„In hoeverre?”

„Staat gij toe?” vroeg de inspecteur en zonder een antwoord af te wachten, nam hij plaats op den stoel, dien Raffles had verlaten.

Hij voelde zich reeds als overwinnaar en, terwijl hij de wijnkaart opnam, vervolgde hij:

„Wat mag ik voor u bestellen, mevrouw?”

„Ik drink nog koffie.”

„Dat zal niet bevorderlijk zijn voor uw slapeloosheid.”

„Och”, antwoordde Charly Brand lachend en Baxter was in verrukking over het prachtige gebit der mooie dame, „ik ben aan koffie en sigaretten gewoon, [14]maar als gij u iets te drinken wilt bestellen, ga dan gerust uw gang.”

„Gewonnen”, dacht de inspecteur, „zij heeft mij niet afgewezen.”

Hij keek naar zijn verlaten stoel en bemerkte, dat zijn beide vrienden over hem spraken.

„Afgunstig!” mompelde hij, „zoo zie je weer, den dappere behoort de wereld!”

Hij bestelde een halve flesch champagne en het gesprek tusschen hem en Charly Brand werd al vertrouwelijker en geanimeerder.

Zijn beide vrienden stonden net een uurtje op en namen afscheid van hem.

Baxter glimlachte vol trots, toen hij de bewonderende blikken zag, welke zij op de schoone jonge dame wierpen.

Nauwelijks hadden de beide heeren het restaurant verlaten, of Charly Brand begon te geeuwen en ging zijn handschoenen aantrekken.

„Wilt gij heengaan?” vroeg Baxter op teleurgestelden toon.

„Ja”, antwoordde Charly Brand, „ik begin vermoeid te worden en, hoe aangenaam mij uw gezelschap ook was, toch moet ik nu afscheid nemen”.

„Zou mijn verder gezelschap u niet aangenaam zijn?” vroeg Baxter met verlangenden blik.

Charly Brand sloeg koket de oogen neer, zooals hij dat dikwijls van dames had gezien:

„Ik weet het niet, ik ben bang”.

Baxter waagde het, zijn hand op den arm der mooie, jonge vrouw te leggen.

Op overredenden toon sprak hij:

„Mevrouw, voor mij behoeft geen enkele dame bang te zijn.”

„Dat komt uit”, dacht Charly Brand en hij antwoordde:

„Meent gij dat werkelijk?”

„Ik zal u het bewijs geven”, sprak Baxter. „Gij kunt bij uw echtgenoot niet onder veiliger hoede zijn dan bij mij”.

Zonder iets te antwoorden, liet de jonge secretaris zich den avondmantel om de schouders leggen, Baxter trok snel zijn overjas aan en beide verlieten het lokaal.

*   *   *

Het waren behaaglijke, prachtvol ingerichte appartementen, die Raffles zich in de Holbornstreet had ingericht.

Hierheen begaven zich na een korten autotocht Mr. Baxter en zijn schoone.

„Wij moeten voorzichtig zijn”, fluisterde Charly Brand tot den inspecteur, toen zij de woning binnen gingen, „opdat mijn kamermeisje niet wakker wordt”.

Op de punten van zijn teenen volgde Baxter de mooie vrouw naar een klein, in rococostijl ingericht salon, waar hij haar den mantel afnam en eveneens zijn overjas uittrok.

„Neen, mijnheer”, beduidde Charly Brand hem, „gij moogt hier niet blijven. Ik heb mij door u naar huis laten brengen, omdat ik het u had beloofd, maar nu moet gij gaan”.

Maar Baxter had door den wijn en door den betooverenden indruk, dien Charly Brand op hem maakte, alle zelfbeheersching verloren.

„Neen”, riep hij, „niets kan mij uit dit boudoir verdrijven, ik trotseer alles”.

Charly Brand, die juist zijn hoed vol struisveeren had afgezet, keek Baxter schijnbaar verschrikt aan.

„Een uurtje wil ik blijven”, sprak de inspecteur, „daarna zal ik dit heerlijke nestje verlaten. Niemand zal het bemerkt hebben.”

„Het is hier vreeselijk warm”, sprak Charly Brand, „vindt gij ook niet?”

„Ja”, antwoordde Baxter, zich het zweet van het voorhoofd vegend. „Als gij het toestaat, trek ik mijn smoking uit.”

De Engelsche dames zijn het, evenals de Amerikaansche, gewend, dat de heeren uit de beste kringen zich ongegeneerd van dit kleedingstuk ontdoen.

Zoo deed ook Baxter.

Charly Brand had in achtelooze houding op een divan, die met een ijsberenvel was bedekt, plaats genomen en liet het mooie hoofd in de hand rusten.

Nu knielde Baxter voor hem neer en met zijn rechterhand op het hart, sprak hij:

„Ik kan niet nalaten u van mijn gevoelens jegens u te spreken. Ik bemin u, schoone onbekende, ik bemin u, zooals slechts een man beminnen kan; verhoor mij en geef mij een kus van uw schoone lippen.”

Hij wilde den arm om Charly’s hals slaan, toen hij plotseling bij den kraag werd gegrepen, een paar klinkende oorvijgen kreeg en languit op het tapijt rolde.

„Ellendeling, wat doet gij hier bij mijn vrouw?” schreeuwde Raffles.

De inspecteur van politie keek met angstige blikken op naar den marine-officier.

Hij zag, dat Raffles in de eene hand een revolver hield, waarvan hij den loop op hem richtte. [15]

„Om ’s Hemels wil, schiet niet!” schreeuwde Baxter, „ik zal onmiddellijk het huis verlaten—er is niets gebeurd.”

„Neen”, riep Lord Lister met donderende stem, terwijl hij inwendig lachte, „levend komt gij, schurk, niet uit deze kamer. Nu zullen wij afrekenen. Na u komt mijn vrouw aan de beurt.”

„Heb medelijden!” smeekte de inspecteur, „ik ben onschuldig, dat zweer ik u. Ik wist niet, dat gij getrouwd zijt, dan zou ik het niet hebben gewaagd dit huis binnen te gaan. Aan de dame alleen is het te wijten, dat ik hier gekomen ben.”

Met een minachtenden blik nam Raffles den lafaard op.

Daarop gaf hij hem een schop, wees met zijn hand naar de deur en riep:

„Er uit! Gij zijt niet waard, dat ik een kogel aan u verspil. Maar gij zult voor uw lafheid met de rijzweep gestraft worden.”

Eerst nu zag Baxter dat zijn tegenstander een dergelijk instrument aan zijn pols had hangen.

Terwijl de Lord de revolver bij zich stak, nam hij de zweep ter hand en liet die op den inspecteur neerkomen.

„Begrijp goed”, sprak Raffles, „dat gij deze zweepslagen krijgt, omdat gij het hebt gewaagd, de Lady op schandelijke wijze in den steek te laten door alle schuld op haar te laden.”

Baxter beschermde zijn gelaat met beide handen en snelde, gevolgd door Raffles, de kamer uit, de gang door en de donkere trap af tot aan de voordeur.

Raffles had moeite om niet in luid gelach los te barsten. Hij ging langzaam weer naar boven, nadat hij Baxter nog een eindweegs op straat had achtervolgd.

Toen hij tegenover Charly Brand stond, sprak hij:

„Ik heb onzen vriend nog een eindje begeleid, opdat hij het nummer niet kon opnemen van het huis waar hij is geweest.

Hij loopt als een haas, zonder overjas, hoed en smoking. Deze zweepslagen had ik hem al lang toebedacht.

Nu zal ik den smoking eens gaan onderzoeken.”

Uit den borstzak van het kleedingstuk haalde Raffles de portefeuille van den inspecteur te voorschijn.

Hij vond daarin zeer waardevolle documenten.

In de eerste plaats de aanstellingsoorkonde van den inspecteur en diens ambtspenning.

Dan een groot aantal minnebrieven, die Raffles bewezen, dat de inspecteur in zijn vrije uren zich zooveel mogelijk met vrouwen ophield.

„Daarom kan die man niet flink werken”, sprak Lord Lister lachend. „De politie-inspecteur is voor mij werkelijk onbetaalbaar. Voortaan zal ik nog veel rustiger slapen.”

Ook Charly Brand amuseerde zich kostelijk over de kool, die zij den inspecteur hadden gestoofd en zei:

„Ik hoop, dat het pak slaag hem goed zal bekomen.”

„Ik ook!” antwoordde zijn vriend. „Hier zijn wel een tiental brieven in zijn portefeuille, waarin vrouwen of jonge meisjes, aan wie deze Don Juan zijn liefde heeft verklaard, hem met bittere verwijten overladen.

Hij heeft ze allen laten zitten. Wel, daarvoor is zoo’n pak slaag uitstekend.”

Den volgenden morgen kwam inspecteur Baxter niet in dienst.

De vloo moest zijn chef vervangen.

Het was reeds tegen den middag, toen de telefoonbel klonk.

„Hier politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard,” sprak Marholm door de telefoon.

„Doet mij genoegen u te spreken. Hier John Raffles,” klonk het antwoord.

„Wat wenscht gij?”

„Ik zou inspecteur Baxter graag spreken.”

„Het spijt mij, hij is ziek. Kan ik de boodschap overbrengen?”

„Ja, groet hem van mij en zeg hem, dat hij de Raffles-slagen niet moet vergeten.”

„Raffles-slagen?” vroeg de vloo verbaasd.

„Ja,” klonk het weer, „hij kreeg gisterennacht een flinke dosis van mij. Als hij ervan bekomen is, deel mij dat dan, alstublieft, mede?”

„Maar dat is al te gek,” sprak Marholm lachend tot zichzelf, „zou de inspecteur werkelijk een pak slaag van Raffles hebben gehad?”

Om zich hiervan te overtuigen, ging hij zijn chef in diens woning opzoeken.

Baxter lag te bed en had een paar dikke compressen om zijn gezicht.

„Ik zal de eerstvolgende dagen niet op kantoor kunnen komen,” sprak hij. „Ik heb den afgeloopen nacht een wanhopig gevecht gehad aan de Theems met misdadigers en heb er ternauwernood het leven afgebracht.”

„Wat hadt gij dan aan de Theems te doen? Gij hadt immers geen dienst, inspecteur?” [16]

„Ik gebruik altijd mijn vrije uren om op eigen gelegenheid de misdadigers in Londen na te speuren. Als alle beambten zooveel plichtsbesef hadden als ik, dan zouden wij het misdrijf in Londen spoedig den kop hebben ingedrukt.”

„En Raffles gevangen,” voegde de vloo er aan toe.

„Maak mij niet zenuwachtig,” sprak de inspecteur van politie, „ik wil van dien man niets hooren.”

De vloo wist nu genoeg en ging innig vergenoegd naar het hoofdbureau van politie terug.

John Raffles was tezelfdertijd Lord Landsdale gaan opzoeken, die hem onder den naam van Lord Talhome kende.

Raffles liet zich door hem de geschiedenis met den bediende vertellen en deelde den Lord daarop mee, welke wanhoopsdaad die man uit gekrenkt eergevoel had gepleegd.

De Lord was een streng en driftig man, maar had een edel karakter.

Het deed hem leed, den ouden bediende zoo ver te hebben gedreven.

Hij sprak, na een langdurig onderhoud over het geval met zijn bezoeker:

„Zeg aan mijn bediende, dat hij bij mij terug moet komen en dat ik hem geloof. Maar wat kan ik doen om weer in het bezit te komen van den kostbaren diamanten collier van mijn vrouw?

De juwelier zal hem niet uit handen geven.”

„In geen geval!” antwoordde Raffles. „Het valt ook niet te bewijzen, dat hij den diamanten collier heeft achtergehouden. Kunt u mij een nauwkeurige beschrijving ervan geven?”

„Jawel!” gaf de Lord ten antwoord. „Ik heb hier een photografie van mijn vrouw, waarop zij den collier om den hals draagt.”

„Mag ik die photo eenige oogenblikken behouden?” vroeg de bezoeker na deze mededeeling.

Verbaasd keek Lord Landsdale den clubvriend aan.

„Wilt gij voor detective spelen?”

„Ja”, lachte deze, „en ik geloof wel, met goed gevolg.” [17]