[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

EEN WELGESLAAGDE TRUC.

„Je kunt me een genoegen doen”, sprak Raffles een paar dagen later tot Charly Brand, „met te beproeven of je voor tienduizend pond sterling op de Engelsche Bank geheel nieuwe banknoten van honderd pond kunt krijgen.

Ik verzoek je, nauwkeurig toe te zien, dat de banknoten inderdaad nieuw en door niemand gebruikt zijn. Ik hoop, dat je begrijpt wat ik wensch.”

„Zeer zeker. Maar ik weet niet, welke bijzondere waarde die nieuwe banknoten voor je kunnen hebben. Het is volgens mijn meening precies hetzelfde of ze nieuw of oud zijn; de hoofdzaak is, dat ze echt zijn.”

Een glimlach vloog over Raffles’ gelaat, zooals altijd, wanneer Charly Brand zijn bedoeling niet snapte.

„Ik hoop schitterende zaken met de banknoten te maken”, antwoordde hij.

„Hoe bedoel je dat, zijn nieuwe meer waard dan oude?

„Zeker”, schertste Raffles, „ik zou bijna zeggen het dubbele. Je zult je daarvan zelf kunnen overtuigen. Ga nu naar de bank en haal 10,000 pond sterling van ons tegoed.”

Charly Brand stond op en daar hij in dameskleeren was vroeg hij:

„Je zult hopelijk niet verlangen, dat ik in dit toilet ga.”

„Wel neen, verkleed je en breng de zaak zoo gauw mogelijk in orde.”

Des avonds keerde Charly Brand in het vossehol terug en overhandigde Raffles een pakje fonkelnieuwe, nog niet in omloop geweest zijnde banknoten van de Engelsche Bank. De helft was in biljetten van vijfhonderd pond, de rest in biljetten van honderd pond.


Den volgenden dag ging Raffles, vermomd als een zestigjarig heer en versierd met eenige ordeteekenen, in gezelschap van Charly Brand als dame, naar Londen.

Onderweg—zij reden in de auto, die bestuurd werd door Joe, den kamerdienaar—onderrichtte hij Charly Brand.

„Ik zal nu”, sprak hij, „met je in een juwelierszaak gaan en je zult daar een diamanten collier met paarlen ter waarde van negen à tienduizend pond sterling, volgens een photographie uitzoeken.”

„Volgens een photographie?”

„Ja, naar deze”.

Raffles haalde het portret te voorschijn, dat Lord Landsdale hem had gegeven.

„Bekijk het nauwkeurig. De juwelier is een gauwdief en heeft het collier verduisterd. Je moet je best doen om het van hem te koopen”.

„Ik hoop, dat het mij gelukt”, antwoordde Charly Brand, en bekeek het collier met scherpen blik. „Waarom probeer je het echter zelf niet?”

„Wel, omdat dergelijke menschen tegenover dames niet zoo voorzichtig zijn. Ik zal niet bij je blijven, maar voorwenden, dat ik weinig tijd heb, en je dadelijk verlaten.

Je moet het sieraad niet onmiddellijk koopen en per trein naar huis terugkeeren”.

Zij gingen den deftigen winkel van gebroeders Brill binnen.

De oude heer vergezelde zijn dochter, totdat zij in een der fauteuils had plaats genomen en nam toen afscheid.

Voordat hij wegging, sprak hij tot den juwelier:

„Ik heb weinig tijd. Wij zijn slechts voor een paar dagen uit New-York hier. Ik moet nu naar het parlement. Mijn dochter wenscht voor haar zuster een huwelijkscadeau te koopen ten bedrage van 9 à 10,000 pond sterling.

Laat haar eens zien, wat gij hebt.”

Daarop wendde hij zich tot Charly Brand, kuste [18]hem op vaderlijke wijze op het voorhoofd en sprak:

„Tot ziens, mijn kind.”

Met wantrouwende blikken keken de juwelier en zijn bediende naar de jonge dame, die zich kostbare diamant-colliers liet voorleggen. Geen enkele ervan beviel haar, totdat de juwelier het door Raffles bedoelde collier te voorschijn haalde. Maar ook dit beantwoordde blijkbaar niet aan de bedoeling.

Na een half uur gekeken te hebben, duidde de vreemdelinge eindelijk het diamant-collier aan als dat, wat haar het beste beviel.

De juwelier sprak:

„Het kost 14,000 pond sterling.”

„Ik zal het aan papa vertellen, tot weerziens.”

Charly Brand stond op, verliet trotsch als een dame uit den hoogsten stand het magazijn, nam een rijtuig en reed naar het station.

In het vossenhol teruggekomen, vertelde hij Raffles, dat het collier werkelijk aanwezig was.

De Groote Onbekende sprak:

„Dus je moet er morgen nog voor 4000 pond aan nieuwe banknoten bijhalen.”

Plotseling echter, alsof een nieuw plan bliksemsnel in zijn brein opkwam, riep hij uit:

„Hoe groot is ons bankconto?”

Charly Brand haalde zijn chequeboek te voorschijn, tekende eenige oogenblikken en antwoordde:

„Wij hebben nog een tegoed van 17,000 pond sterling.”

„Dus het wordt tijd, het conto een beetje te verhoogen.

Laat je de rest van ons tegoed in nieuwe banknoten uitbetalen en koop in den winkel nog een juweelen broche en een paar ringen met diamanten.”— —

Den volgenden middag omstreeks twee uur begaf zich Charly Brand, weer als dame verkleed, naar den winkel.

„Ik moet helaas weer alleen komen”, sprak hij, „papa is ook heden naar het parlement en ik moet dus alleen handelen.”

Dit wekte het wantrouwen van den juwelier op.

Het was voor den eersten keer, dat een jonge dame een dergelijken inkoop alleen kwam doen.

„Ik wensch nog”, ging Charly Brand verder, „een juweelen broche en dito ringen te koopen. Het bedrag, dat papa mij heeft toegestaan, bedraagt 17,000 pond; wees dus zoo goed, daarmee rekening te houden.”

De juwelier boog beleefd en liet de dame het verlangde zien.

Na eenige minuten had Charly Brand zijn keus gedaan en sprak:

„Pak de voorwerpen dadelijk voor mij in, ik wil ze meenemen.”

Daarop haalde hij uit zijn handtaschje een portefeuille en begon, voor de verbaasde blikken van den juwelier, de eene banknoot van 500 pond na de andere op tafel te leggen.

Nu werd de juwelier nog achterdochtiger.

Nog nooit had een zijner klanten zulk een hoog bedrag contant betaald, maar altijd hadden zij hem een cheque gegeven.

Ook de bediende keek met verbaasden blik naar de zeldzame wijze van betalen van deze jonge dame.

„Papa gaf mij een cheque”, sprak Charly Brand, precies zooals Raffles het hem had voorgezegd, „maar daar ik het gekochte dadelijk mee wilde nemen, heb ik die onderweg op de Engelsche Bank ingewisseld.”

De verklaring stelde den juwelier gerust.

Maar toch kon hij een zeker wantrouwen niet van zich afzetten en vooral de absolute nieuwheid der banknoten verbaasde hem.

Met zijn kassier telde hij het bedrag na, verontschuldigde zich bij Charly Brand en begaf zich naar het kantoor, dat zich achter den winkel bevond.

„Wat denkt gij van die jonge dame?” vroeg hij den kassier.

„Zij komt mij verdacht voor”, antwoordde deze, „maar ik zou niet kunnen zeggen, waarom.”

„Houdt gij dit geld voor echt? Het is splinternieuw en nog niet in omloop geweest.”

De kassier nam een der banknoten van 500 pond, bekeek deze nauwkeurig en sprak:

„Ik houd ze voor echter dan echt. Er is niets verdachts aan te ontdekken.”

„Zeer vreemd! Zeer vreemd!” mompelde de juwelier, „begeef u zoo snel mogelijk met de banknoot van 500 pond naar het filiaal der Engelsche Bank hiernaast om deze in te wisselen. Zeg tegen den kassier, dat gij de banknoot niet voor echt houdt.”

„Een zeer goed idee”, knikte de kassier en verdween met de banknoot uit het bureau.

Vijf minuten later kwam hij terug en legde voor den juwelier een stapeltje vuile, gekreukte bankpapiertjes, tot een gezamenlijk bedrag van 500 pond, op tafel.

„Wat zei de kassier van de Bank?” vroeg de juwelier.

„Hij lachte mij uit, zei, dat de banknoten onberispelijk [19]waren en vroeg, of we zulke idioten waren, dat we valsch geld niet meer van echt konden onderscheiden.”

„Zoo, zoo”, mompelde de juwelier, „berg dan het geld maar op, we hebben ons heel erg vergist.”

Met bijna onderdanige voorkomendheid ging hij naar Charly Brand terug, boog eenige malen en verontschuldigde zich over zijn wegblijven, daar een dringende zakelijke aangelegenheid hem in beslag had genomen.

Hij reikte Charly Brand de gekochte sieraden over, geleidde de deftige klant persoonlijk naar de deur, liet een rijtuig voorkomen en maakte zelf het portier open, waarna Charly Brand den koetsier, zoodat de juwelier het moest hooren, het bevel gaf:

„Naar het Parlement.”

Peinzend trad de juwelier zijn magazijn weer binnen.

Wie zou toch die voorname klant zijn? Hij had niet naar haren naam durven vragen, daar dit zeer onbeleefd zou zijn geweest.

Een vreemdeling was het in ieder geval, en daarom ook had hij haar, zonder eenige vrees, het briljanten sieraad van Lord Landsdale verkocht.

Een paar uur later hield voor den winkel van den juwelier een gesloten auto stil, waaruit twee heeren, volgens hunne kleeding blijkbaar geheime agenten van politie, de zaak binnentraden.

De oudste der twee wendde zich tot den juwelier en zei:

„Zijt gij de eigenaar van de zaak?”

De juwelier boog en knikte bevestigend.

De vreemdeling sloeg zijn overjas wat terug, en juwelier Brill herkende den zilveren ambtspenning, die de detectives in Londen als bewijs bij zich dragen.

„Ik ben de inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard”, stelde de vreemdeling zich voor, „en dit is mijn beambte Wilson. Hier is bovendien mijn diploma.”

„Zeer aangenaam,” antwoordde de juwelier, „wat verschaft mij de eer, mijne heeren?”

„Gij moogt den hemel danken, dat het mij gelukt is, na dagenlang onderzoek, een paar oplichters in hechtenis te nemen.

Bevond zich in uwe zaak vandaag of gisteren een oudachtig heer met witten baard en gouden bril, die zich voor Amerikaan uitgaf?”

„Ja”, antwoordde de juwelier, „die heer was gisteren bij mij en weliswaar in gezelschap van zijn dochter.”

De inspecteur van politie Baxter stiet een zacht gefluit uit.

„Geef mij de juweelen eens, meneer Wilson”, wendde hij zich tot den begeleidenden detective.

De beambte opende de handtasch en overhandigde den inspecteur van politie eenige met fluweel overtrokken doozen, die de juwelier direct als de zijne herkende.

De inspecteur van politie Baxter hield de grootste doos den juwelier geopend voor.

„Heeft de oude heer met den witten baard gisteren bij u een brillanten collier gekocht?”

„Neen,” antwoordde de juwelier.

Verbaasd keek Baxter den eigenaar der zaak aan.

„Hoe moet ik dat begrijpen?”

„Pardon, meneer de inspecteur, niet de oude heer kocht het sieraad, doch de jonge dame en weliswaar niet gisteren, doch een paar uur geleden.”

„Aha,” gaf inspecteur van politie Baxter ten antwoord, „daarom droeg zij het ook bij zich, toen ik haar voor het Parlementsgebouw in hechtenis nam.”

„Dat klopt,” sprak de juwelier, „de dame ging van hier met het sieraad daar naar toe.”

„Waar ik haar afwachtte en gevangen nam,” lachte de inspecteur. „Gij moogt van geluk spreken, meneer Brill. Ik had gedacht, dat de ouwe schurk, nadat hij u de dingen afhandig had gemaakt, ze alleen aan zijn medeplichtige in bewaring had gegeven, opdat men ze niet bij eventueele in hechtenisneming op hem zou vinden.”

De juwelier verbleekte.

„Hoezoo, meneer de inspecteur, ben ik opgelicht geworden?”

„Heel eenvoudig, meneer Brill,” lachte de inspecteur van politie en haalde zijn portefeuille te voorschijn.

Langzaam opende hij deze, en haalde er een fonkelnieuwe, ongebruikte banknoot van 100 pond uit te voorschijn van de Engelsche bank.

Hij legde haar op de toonbank en zei:

„Mij dunkt, dat geld komt u bekend voor.”

„Jawel,” antwoordde de juwelier. „Is het—valsch?”

„Ik zou u op het hoofdbureau van politie eene collectie van deze banknoten tot een bedrag van verscheidene millioenen kunnen voorleggen. De bankbiljetten zijn valsch. Ze zijn weliswaar volgens de nieuwste techniek uitmuntend vervaardigd en hebben alleen de fout, dat men, in weerwil van de geniale uitvoering, [20]met behulp van een loupe de vervalsching ontdekt in verscheidene technische fouten.

Het zijn Amerikanen, die met speciaal ingerichte machines de biljetten vervaardigden en zich er nu op toeleggen ze door hooge inkoopen van juweelen in omloop te brengen.”

„Dat heb ik dadelijk al gedacht,” riep de juwelier luid en wendde zich tot zijn kassier.

„Ziet ge wel, dat ik gelijk had? Het was eene oplichtster. Mijn hemel, wat moeten we nu doen?”

„Ik zei u immers al,” antwoordde de inspecteur van politie, „dat u van geluk mocht spreken. Hier zijn uwe juweelen en geen steen ontbreekt er aan. Kom binnen twee uur bij mij op het hoofdbureau van politie in Scotland Yard, kamer no. 32, dan kunt ge uwe juweelen mee naar huis nemen. Tot op dat oogenblik moeten ze bij de politie in bewaring blijven.

Ik heb ze noodig ter overtuiging, als bewijs tegen de oplichters.

Tegelijkertijd verzoek ik u, mij het gezamenlijke valsche geld, dat u ontving, ter hand te stellen.”

„Onmiddellijk, heer inspecteur! Mijn hemel, hoe gelukkig voor mij, dat ik daar zoo goed en zonder schade afkom!”

De juwelier snelde naar zijn brandkast en nam er de aan hem betaalde 16,800 pond sterling uit.

Zonder dat de inspecteur van politie het merkte, gaf hij den kassier de ingewisselde 500 pond en fluisterde hem toe:

„Snel naar de Bank en haal, zonder dat iemand het hier merkt, de banknoot van 500 pond terug.”

Terwijl de kassier dat deed, telde de inspecteur met zijn beambte het geld zorgvuldig na en verklaarde eindelijk:

„Het bedrag klopt niet geheel en al. Volgens de aanteekening, die ik bij de juweelen heb gevonden, ontbreken nog 500 pond.

Hebt gij dat biljet soms uitgegeven? Daaruit zouden veel moeilijkheden kunnen ontstaan.”

„Neen,” stelde de juwelier den politie-inspecteur gerust, „mijn kassier heeft dat biljet en zal het dadelijk brengen.”

Hij had dit nauwelijks gezegd of de kassier kwam reeds binnen en overhandigde zijn chef de banknoot van 500 pond.

Nu nam de inspecteur van politie het geld, bond het tot een pakje te zamen, stak het in een couvert en overhandigde het zijn beambte, die het in zijn tasch bij de juweelen legde.

Zich tot heengaan gereedmakend, sprak hij:

„Het is nu drie uur. Wees precies om zes uur bij mij in Scotland Yard, kamer 32.”

„Ik zal stipt op tijd zijn.”

Zeer beleefd opende de juwelier de deur voor den politie-inspecteur en diens ondergeschikte en hij hoorde hoe deze den chauffeur toeriep:

„Scotland Yard.” [21]