Inspecteur Baxter was juist, om vier uur in den namiddag, zijn bureau binnengegaan en had den groet van zijn secretaris, detective Marholm, of de vloo, zooals hij spottend werd genoemd, met een onverstaanbaar gebrom beantwoord, daar hij vermoeid was.
Weliswaar niet vermoeid van het vele werken, maar omdat hij met verscheiden kooplieden in de city een diner had gehad, dat wel een beetje overdadig was geweest.
„Is er nieuws?” vroeg hij, zich van zijn overjas ontdoende.
„Geen nieuws van Raffles!” antwoordde de vloo.
Baxter fronste zijn voorhoofd en keek zijn secretaris met woedende blikken aan.
„Wel alle drommels! Ik heb u niet gevraagd, of ge nieuws wist van Raffles. Ik ben maar al te blij, dat hij gedurende de laatste maanden niets van zich heeft laten hooren.”
„Des te erger,” antwoordde Marholm.
„Waarom? Wilt gij mij zenuwachtig maken? Gij weet, dat de naam Raffles op mij werkt als het roode doek op een stier. Jarenlang heeft hij mij het leven moeilijk gemaakt, ik hoop, dat hij nu eindelijk zijn onzalig werk heeft geëindigd.”
„Dat geloof ik niet,” sprak detective Marholm en legde de pen, waarmee hij geschreven had, zorgvuldig naast het document, waaraan hij bezig was.
„Houd nu verder uw meening voor u en laat mij met rust. Gij schijnt mij graag in prikkelbare stemming te brengen.”
Detective Marholm onderdrukte een lachje en sprak:
„Het zou mij veel aangenamer zijn, als ik elken dag iets van Raffles hoorde.
„In de eerste plaats zorgt hij ervoor, dat de eentonigheid van onzen dienst nu en dan eens wordt verbroken.
„In de tweede plaats voel ik mij gedurende den tijd, waarin we niets van Raffles hooren, altijd onbehaaglijk.
„Tot dusverre volgde op een dergelijke pauze altijd een groote truc van hem. De een of andere daad, waarvoor gij verantwoordelijk wordt gesteld.”
„Zwijg, voor den duivel!” schreeuwde Baxter, „als er iets gebeurt, is het nog vroeg genoeg om ervan te spreken.
„Ik wil nu rust hebben en gij moogt mij alleen voor dringende aangelegenheden storen.”
Hij begaf zich naar het aangrenzende vertrek, dat voor hem als particuliere rustkamer was ingericht en dat hij speciaal voor nachtdienst gebruikte.
Hier stond een leeren chaise longue, waarop hij ging liggen en weldra insliep.
Terwijl hij rustig sluimerde en detective Marholm verder werkte, werd er aan de deur geklopt. De dienstdoende beambte meldde:
„Juwelier Brill van de firma gebroeders Brill, Oxfordstraat, wenscht den heer inspecteur te spreken.”
„De inspecteur is nu niet te spreken, breng den man bij mij!”
De beambte verdween en liet den bezoeker binnen.
Na een korte begroeting vroeg Marholm:
„Wat wenscht gij?”
„De inspecteur van politie heeft mij persoonlijk op dit uur hier besteld.”
„Zoo?” vroeg de vloo op langgerekten toon, „dan moet ik den inspecteur wekken. Is het gewichtig?”
„Zeer zeker,” antwoordde de juwelier.
De detective stond op en ging naar de kamer, waar Baxter sliep.
Eerst nadat Marholm hem herhaaldelijk heen en weer had geschud, keek Baxter zijn secretaris slaapdronken aan en bromde:
„Wat is er? Wat is er gebeurd?”
„Juwelier Brill wenscht u te spreken.” [22]
„Hij moet mij met rust laten. Ik ken hem niet. Laat hij u vertellen, wat hij wil.”
Hij draaide zich op de andere zijde en wilde doorslapen.
Marholm stiet hem opnieuw aan.
„Gij hebt den juwelier persoonlijk hier besteld. De zaak is dringend, naar de man beweert.”
„Ik heb hem niet besteld,” sprak de inspecteur op ontevreden toon, „ik ken den man in ’t geheel niet. Vraag hem, wat er gebeurd is.”
Detective Marholm verliet de kamer en vroeg den juwelier:
„De inspecteur laat u weten, dat er hem niets van bekend is, dat gij hier zoudt komen.”
„Wat?” riep Brill, „wat bezielt mijnheer den inspecteur? Drie uur geleden heeft hij mij gezegd, dat ik mij om zes uur bij hem in Scotland Yard, kamer 32, moest bevinden.”
De vloo begreep er niets van.
Maar hij dacht, dat de inspecteur misschien ten gevolge van groote vermoeidheid de zaak had vergeten en daarom ging hij nogmaals naar zijn chef.
Baxter sliep al weer.
Marholm volgde nu een andere taktiek.
Hij boog zich over den slapende heen en schreeuwde:
„Brand!”
De politie-inspecteur, die ook chef van de Londensche brandweer was, sprong verschrikt op en vroeg, met slaapdronken oogen den detective aanziende:
„Brand? Brand? Waar is brand?”
Marholm lachte.
„Juwelier Brill wacht op u.”
„Vervloekt, laat mij toch met rust. Waar is hij?”
„Bij mij aan de schrijftafel.”
Ten gevolge van zijn gestoord middagdutje woedend als een stier, die geplaagd is, stormde inspecteur Baxter het bureau binnen en riep op barschen toon:
„Wat wilt gij van mij?”
Juwelier Brill staarde wezenloos den inspecteur aan en antwoordde:
„Van u niets! Ik ken u in ’t geheel niet.”
„Als gij mij niet kent, hoe durft gij dan op deze manier mij lastig te komen vallen en te zeggen, dat ik u persoonlijk heb besteld?”
„Pardon,” sprak de juwelier, „ik heb u niet bedoeld, ik wensch den inspecteur van politie Baxter te spreken.”
„Wel, nu nog mooier! Maar mijn naam is immers Baxter!”
Juwelier Brill staarde den inspecteur met wijd geopende oogen aan.
Eindelijk stamelde hij:
„Gij—gij—gij zijt—de—inspecteur van politie?”
„Ja!” schreeuwde Baxter. „Twijfelt gij daar soms aan? Vraag het dan mijn secretaris of mijn beambten!”
De juwelier keek herhaaldelijk van den inspecteur naar detective Marholm.
„Gij—gij—gij zaagt er echter—een paar uur geleden geheel anders uit.”
„Zijt gij dronken?” schreeuwde Baxter, denkend, dat de man zich een scherts veroorloofde.
„Ik drink niet,” antwoordde de juwelier op beleedigden toon. „Maar het schijnt, dat gijzelf wat op hebt. Gij ruikt er tenminste naar!”
„Zwijg!” beval de inspecteur. „Waarmee bemoeit gij u?”
De juwelier haalde de schouders op en gaf ten antwoord:
„Ik bemoei mij evenveel met u als gij dat met mij doet.”
„Als gij hier brutaal wordt, laat ik u er door mijn beambten uitgooien. Wat wenscht gij eigenlijk van mij?”
„Mijn brillanten, die hier bij u zijn.”
Inspecteur Baxter zette de handen in de zijden en schreeuwde:
„Wat wilt gij?”
„Mijn brillanten, die hier bij u zijn!”
„Wat gaan mij uw brillanten aan?”
„O, heel veel. Gij hebt ze in bewaring genomen.”
Inspecteur Baxter hield den adem in.
Dat was meer dan hij kon verdragen.
Deze man was ongetwijfeld krankzinnig.
Baxter bedwong zich derhalve, hoewel zijn vingers jeukten om den onbeschaamden kerel eruit te gooien.
„Zeg eens, mijn waarde,” zoo begon hij, „zijt gij al eens in een koudwaterinrichting geweest?”
Juwelier Brill, die zich heel gauw beleedigd gevoelde, keek den inspecteur met een verachtelijken blik aan en antwoordde: [23]
„Ik zou u raden, eens in een dergelijke inrichting te gaan. Gij schijnt zeer zenuwachtig te zijn.”
„Wilt gij een beambte beleedigen?”
De politie-inspecteur werd purperrood.
„Beleedig mij niet, dan kom ik niet in de verzoeking u te grieven.”
Detective Marholm, die tot nu toe belangstellend naar de beide kemphanen had gekeken, kwam nu naderbij om opheldering te geven.
„Wie heeft u hier besteld?” vroeg hij den juwelier.
„Ik zei u reeds,” antwoordde Brill, „de inspecteur van politie uit Scotland Yard, teneinde mij de brillanten weder ter hand te stellen.”
„De man is stapelgek,” zuchtte inspecteur Baxter. „Misschien vertelt hij straks nog, dat ik ze hem ontstolen heb.”
„Pardon,” antwoordde de juwelier, „ik zal in geen geval beweren, dat u degene geweest is, die zich aan mij als inspecteur van politie Baxter heeft voorgesteld.”
„Dus ik was het niet?” riep Baxter uit.
„Neen, u was het niet!” gaf de juwelier ten antwoord. „Die persoon zag er heel anders uit.”
Nu ontwaakte in Baxter de detective.
Hij werd wakker.
Met een handbeweging noodigde hij den juwelier uit, plaats te nemen, nam aan de schrijftafel plaats en begon:
„Laat ons eens van voren af aan beginnen. Hier schijnt een misverstand plaats te vinden.
„Gij zijt de juwelier Brill?”
De gevraagde boog en antwoordde:
„Ik ben James Brill, eigenaar van de juweliersfirma gebroeders Brill in de Oxfordstraat.”
„Mooi,” sprak Baxter, „en men heeft u om zes uur hier besteld?”
„Zoo is het. Ik moest bij den inspecteur van politie Baxter komen op kamer 32.”
„Allright,” antwoordde de inspecteur. „Kamer 32 is het vertrek, waarin gij u bevindt, het is een paar minuten over zessen en politie-inspecteur Baxter ben ik. Wat wenscht gij van mij?”
„Mijn brillanten!” klonk het uit den mond van den juwelier.
„Welke brillanten?”
„De brillanten, die door een van uw beambten, of liever door twee, ontnomen zijn aan een oplichter, die ze bij mij voor valsch geld heeft gekocht.”
Baxter liet een langgerekt „hm” hooren.
Hij begreep er niets van.
„Bij mij zijn geen brillanten,” sprak hij, „en geen enkele van mijn beambten heeft ze tot op dit oogenblik bij mij ingeleverd.”
„Dat begrijp ik niet.”
Nu mengde zich de vloo in het gesprek met de opmerking:
„Verschillende van onze beambten zijn nog niet van hun dienst terug.
„Misschien wordt straks het misverstand nog opgehelderd.”
„Dat is heel waarschijnlijk.”
„Om welk soort van brillanten handelt het?”
„Om een paarlencollier ter waarde van 14,000 pond sterling, een brillanten broche en twee ringen. Alles te zamen over de 16,000 pond sterling.”
„Een reusachtige prijs,” riep de inspecteur van politie Baxter uit, „maar wat drommel, wie van mijn beambten zou de brillanten bij zich dragen? Dat is toch onzin. Hoe zag die man er uit?”
„Groot, smal gezicht, slank, zeer elegant gekleed—”
„En zijn begeleider?”
„Klein, dat wil zeggen van middelbare grootte, nette gestalte, baardeloos, frisch gezicht.”
De inspecteur van politie Baxter wendde zich tot de vloo en zei:
„Wie van ons kan dat zijn?”
Detective Marholm trok zijn schouders op en antwoordde:
„Ik kan geen oplossing geven, meneer de inspecteur.”
„Vertelt u mij nog eens de heele geschiedenis.”
Juwelier Brill begon nu, vanaf het verschijnen der dame tot de aankomst der beide detectives alles mee te deelen.
Toen het verhaal ten einde was, steunde inspecteur van politie Baxter zijn hoofd tusschen zijn handen en dacht na om een verklaring voor het voorgevallene te vinden.
Op dat oogenblik kwam de vloo naderbij, boog zich omlaag en fluisterde hem in ’t oor:
„Het moet beslist Raffles zijn.” [24]
Een wespensteek had geen dollere uitwerking kunnen hebben dan deze woorden.
Baxter sprong op, liep een paar maal de kamer op en neer en riep:
„Dat geloof ik niet”.
„Zeg liever,” sprak de vloo, „dat u het niet gelooven wilt.”
Na een paar minuten was Baxter in zooverre gekalmeerd, dat hij zich weer tot zijn bezoeker kon wenden met de woorden:
„Ons is van de geheele geschiedenis niets bekend. Ik vermoed, dat u het slachtoffer is geworden van een schurkenstreek. Geen van mijn beambten zou zulke waardevolle voorwerpen zoo lang onder zijn berusting houden, zonder mij daaromtrent eenige mededeeling te doen.
„Hier in Scotland Yard zit geen in hechtenis genomen dame, ook heb ik geen brillanten voor u in bewaring en evenmin is mij van valsche bankbiljetten iets bekend.
„Ik vrees, dat gij bedrogen zijt, meneer Brill.”
De juwelier werd doodsbleek. Het verlies was aanzienlijk.
„Dat is niet mogelijk, ik kan niet denken, dat gij gelijk hebt!”
„Gij zult het toch moeten aannemen.”
Op dit oogenblik kwam de dienstdoende beambte binnen en overhandigde den inspecteur van politie een brief, dien een loopjongen juist gebracht had.
Uit zijn humeur over deze stoornis, scheurde inspecteur Baxter hem open. Een visitekaartje viel in zijn handen, dat hij, nauwelijks gelezen, met een vloek op den grond slingerde.
„Wat is er?” vroeg detective Marholm.
„Daar hebben wij de oplossing,” riep de inspecteur van politie Baxter uit, „John Raffles zendt ons zijn visitekaartje en draagt ons op, den juwelier Brill weer aan zijn brillanten te helpen. Een onbeschaamdheid zonder weerga.”
De juwelier, die deze woorden mee aangehoord had, trad naar de beide beambten toe en zei:
„Gij noemdet daar juist den naam Raffles. Gelooft u, dat hij het was, die mij met de juweelen heeft bedrogen?”
„Juist,” antwoordde de vloo, „het is Raffles. Ik geloof niet, dat het iemand, wien ook, gelukken zal, hem de sieraden weer afhandig te maken.”
„Hoe zag die man er uit?” vroeg nu de inspecteur van politie Baxter.
„Als hoedanig had hij zich vermomd?”
„Hij verscheen als dame. Blonde pruik, grijs zijden mantel, donkerblauwe rok, zijden blouse en een parasol. De handschoenen waren parelgrijs.”
„Schrijf het signalement op, detective Marholm,” beval Baxter, „geef het direct op aan alle politieposten. De detectives moeten op straat scherp op zulk eene dame letten, want het zou kunnen zijn, dat Raffles in dit costuum een nieuwen truc trachtte uit te voeren.”
„Ik zou dat bevel niet geven,” antwoordde de vloo, „het zou eene massa onaangenaamheden voor u ten gevolge kunnen hebben.”
„Bemoei u daar niet mee en doe, wat ik u beveel!” riep Baxter.
De juwelier, die niet wist, wat hij hier verder nog zou doen, nam afscheid en inspecteur Baxter uitte op beleefden toon zijn leedwezen. Baxter nam aan zijn schrijftafel plaats en dacht na over het signalement, dat de juwelier hem had gegeven.
Hij had de onaangename gewaarwording, alsof deze zaak hem meer aanging dan hem lief was.
De vloo keek naar het peinzende gelaat van zijn chef en daar hij niet kon nalaten dezen man, die volgens Marholms overtuiging alleen door protectie de betrekking als inspecteur van politie had gekregen, te plagen, sprak hij:
„Gedurende uw afwezigheid is een zekere mijnheer Webster hier geweest om te vragen, of gij al weer in dienst waart.
„Toen ik dit bevestigde, meende hij, dat het nachtelijke verlof u niet goed bekomen was.
„De blonde dame was u waarschijnlijk niet meegevallen.”
Baxter fronste het voorhoofd en keek den secretaris met woedende blikken aan.
„Wat is dat voor nonsens? Wat voor een blonde dame? Ik ben met geen enkele dame in gezelschap geweest.”
„Maar Mister Webster zei het toch. Hij dacht dat gij een ontmoeting hadt gehad met den echtgenoot van die dame.”
„Zwijg!” bulderde de inspecteur, „ik wil er niet van hooren!”
De vloo lachte ironisch.
„Ik geloof toch wel, dat die blonde dame u moet interesseeren!” [25]
Nu keek Baxter den detective met onzekeren blik aan.
Hij voelde plotseling den bodem onder zich wankelen.
Zou Marholm soms iets weten van zijn nachtelijk avontuur in de Holbornstraat?
Duivels! Dat kon hem zijn betrekking kosten, hier moest dus gehandeld worden.
„Ik begrijp u niet, Marholm, zelfs al was ik in gezelschap van een dame geweest, wat heeft dat dan volgens uwe meening met deze zaak te maken?”
Een langgerekt, veelbeteekenend „Wel” van Marholm volgde, hij keek eenige oogenblikken met bijzondere belangstelling naar de tabakswolken van zijn pijp en antwoordde:
„Ik weet het niet. Hier bij den juwelier Brill was het een blonde jongedame en wel, naar wij nu begrijpen, de adsistent van Raffles, en bij u was het eveneens een blonde dame. Ik zou als detective alles durven verwedden, dat het niet de echtgenoot van de dame was, met wien gij een ontmoeting hebt gehad, maar Raffles.”
Inspecteur Baxter keek zijn ondergeschikte met open mond aan.
Zijn hand omknelde krampachtig de leuning van zijn stoel en met een blik vol ontzetting staarde hij naar de vloo.
Daarop stamelde hij:
„Maar—dat—zou immers—de grootste brutaliteit zijn—die men mij kon aandoen!
„Als gij werkelijk gelijk hebt, schiet ik dien kerel bij de eerstvolgende gelegenheid een kogel door de hersens.”
Marholm lachte.
„Daartoe is in de eerste plaats noodig, dat gij hem hebt. Maar gij hebt het zeldzame geluk, hem te hebben, zonder dat gij het weet.”
„Hij maakt mij gek, die man,” kermde Baxter, zijn hoofd met beide handen vasthoudend. „Ik word werkelijk krankzinnig, als dit alles waar is.”
Marholm legde vertrouwelijk zijn hand op den schouder van zijn chef en sprak:
„Hebt gij veel slaag gehad?”
Een nieuwe blik vol ontzetting trof den detective.
Nu werd het den inspecteur duidelijk, dat zijn ondergeschikte meer wist dan hij kon vermoeden.
„Ik zweer u,” riep Baxter, „dat niemand mij heeft aangeraakt. Ieder, die het gewaagd zou hebben was een kind des doods geweest.”
„Nu, nu,” lachte de vloo en de spottende uitdrukking op zijn gelaat deed Baxter alle kalmte verliezen. „Ik heb bewijzen van het tegendeel.”
Woedend sprong Baxter op en stiet den stoel omver, zoodat deze op den vloer viel.
„Wat vermeet gij u,” barstte hij los. „Wilt gij uw superieur van lafhartigheid beschuldigen? Wilt gij deze woorden onmiddellijk terugnemen? Wilt gij—of ik bega een ongeluk aan u!”
Met woedende oogen keek Baxter den detective aan.
Maar deze bleef kalm.
Op hem maakte de razende en scheldende inspecteur geen indruk meer.
Hij was voor hem niets anders dan een dondermachine, die achter de schermen een kunstmatig onweer voorstelt.
„Gij zult opnieuw ziek worden, inspecteur. Wind u toch niet zoo op. Gij moet een beetje meer op uw gezondheid letten.”
„Ja, dat is waar!” zuchtte Baxter, die altijd allerlei denkbeeldige kwalen had. „Wat moet ik doen?”
„Dat weet ik ook niet,” antwoordde Marholm, schouderophalend.
„Gij weet nooit iets!” barstte Baxter opnieuw los, „gij zijt een geboren idioot. Alleen uit domheid zijt gij detective geworden.”
„Zeker,” lachte de vloo, „ik neem een voorbeeld aan mijn chef.”
De inspecteur zuchtte diep, tilde den stoel weer op en nam erop plaats.
Met Marholm schoot hij niet op, die was hem te slim.
Om echter uiting te geven aan zijn woede, sloeg hij met de vuist op de schrijftafel, zoodat de inkt uit den koker spatte en schreeuwde:
„Weet gij, hoe de collega’s en de misdadigers van Eastend u noemen?”
„Ja,” gaf Marholm lachend ten antwoord, „de Vloo— —”
„Zoo,” riep Baxter uit, „de vloo en gij zijt een echte vloo! Door uw vervloekte steken verstoort gij dag en nacht mijn rust. Men moest u kunnen dooddrukken.”
„Komaan,” sprak Marholm schaterend van lachen, terwijl hij zijn armen uitbreidde, „druk de vloo aan uw hart. Ik vind alles goed, wat mijn chef wenscht.
„Slechts op een enkel gebied hebben wij verschil van meening, namelijk waar het betreft:
„Raffles!”— —
„Zwijg!” schreeuwde Baxter, hem in de rede vallend. [26]
„Raffles! De duivel moge u en hem halen.”
„Raffles hebt gij altijd, als gij het zelf niet weet. En als gij hem te pakken hebt en het wel weet, dan kunt gij hem niet vasthouden!”
„Ik zal krankzinnig worden!” kermde Baxter en met een wanhopigen blik, als iemand, die werkelijk op het punt is om zijn verstand te verliezen, verzocht hij Marholm hem een glas water te halen.
De vloo ging naar een kast, opende deze en nam er een groote flesch brandewijn uit.
Daarop schonk hij een glas vol en gaf dit aan zijn chef, die het in één teug leegdronk en daarna met zichtbare verlichting sprak:
„Dat doet iemand goed!”
Nu nam Marholm eveneens een glas vol en de vrede was weer geteekend tusschen chef en ondergeschikte. [27]