[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

RAFFLES ALS DETECTIVE.

Omstreeks dienzelfden tijd begaf Raffles zich met den bediende naar Lord Landsdale.

De ongelukkige, die de laatste dagen op het schip had doorgebracht, wilde absoluut niet weer naar den Lord terug. De Groote Onbekende had al zijn overredingskracht moeten aanwenden om hem tot den terugkeer over te halen.

„Wacht hier in de vestibule,” sprak Raffles tot zijn beschermeling, „totdat ik alles met Lord Landsdale heb besproken.”

Daarna begaf hij zich naar de studeerkamer.

„Ik breng u een goede tijding,” sprak Lord Lister tot Landsdale, toen hij tegenover dezen stond, „de zaak is beter afgeloopen dan ik dacht.”

„Brengt gij mij inderdaad het collier terug?”

„Ik kan het u teruggeven, mijn beste Lord,” antwoordde Raffles, „maar ik doe dit slechts op één voorwaarde.”

„En die is?”

„Indien gij het diamantcollier van mevrouw uw echtgenoote terug wilt hebben, dan moet gij mij duizend pond sterling in handen geven voor de armen van Londen.”

„Met genoegen,” klonk het antwoord, „het collier is 15 à 16000 pond sterling waard. Ik ben dus gaarne bereid, die som aan u te betalen.”

„Wees dan zoo goed, mij een cheque te geven.”

Lord Landsdale nam aan zijn schrijftafel plaats en wilde het formulier invullen.

Voordat hij er toe overging, wendde hij zich eerst nog eens tot Raffles.

„Mag ik mij een vraag veroorloven?”

„Zeker, zeker,” sprak Raffles, een sigaret aanstekend.

„Ik twijfel geen oogenblik aan uw woorden, ik ben er stellig van overtuigd, dat gij mij het diamantcollier weer ter hand zult stellen, maar ik zou er zeer veel belang in stellen om te weten, op welke wijze gij in het bezit zijt gekomen van het sieraad.”

De Groote Onbekende haalde eens flink aan zijn sigaret, liet de asch op een gouden aschbakje vallen, dat op de schrijftafel stond en antwoordde:

„Ik veronderstel, Lord Landsdale, dat gij evengoed als iedereen in Londen reeds eenige jarenlang de eigenaardige en interessante sport van iemand uit onzen stand volgt.”

Lord Landsdale dacht even na.

„Bedoelt gij soms Raffles?” vroeg hij daarna. [28]

„Ja, ik bedoel John Raffles of Lord Lister, zooals zijn familienaam is.”

Met een plotselingen ruk keerde Lord Landsdale zich om, keek zijn bezoeker scherp in de oogen en vroeg:

„Kent gij—den—den—dezen sportsman?”

De Groote Onbekende glimlachte en antwoordde op denzelfden toon:

„Ja, Lord Landsdale, ik ken den—den—dezen sportsman zoo goed als mij zelf!”

„Drommels, Sir!” riep Lord Landsdale, „hoe komt gij aan die kennismaking?”

„Op de allereenvoudigste wijze, Sir,” klonk het uit Raffles’ mond, „met dat doel ben ik geboren.”

Eerst begreep Landsdale dit antwoord niet.

Hoofdschuddend keek hij naar zijn bezoeker, totdat hij eindelijk zeide:

„Als ik goed begrijp, kent gij hem reeds sinds uw jeugd.”

„Vanaf mijn geboorte,” lachte Raffles.

„Vanaf uw geboorte?” herhaalde de Lord, „maar hebt gij dan dezelfde min gehad of zijt gij samen opgegroeid, of—ik begrijp er niets van!”

John Raffles antwoordde niet dadelijk.

Hij haalde uit zijn borstzak het in zijdepapier verpakte diamantcollier van de Lady, nam het uit zijn omhulsel en liet de prachtige steenen spelend door zijn vingers glijden.

Met wijdgeopende oogen keek Lord Landsdale naar het teruggevonden kleinood.

„Ziet gij, Lord Landsdale, ter wille van dit collier had een mensch bijna het leven ingeboet en wie weet, aan hoeveel menschen deze steenen het leven reeds hebben gekost.

Aan bijna elken steen van deze kostbare sieraden, waarmede onze dames zich tooien, kleeft een misdaad, dikwijls zelfs een moord.

Meermalen wensch ik, dat de duivel deze steenen niet in het binnenste van onze aarde had gezaaid.

Maar ik doe alle moeite om zooveel mogelijk er toe bij te dragen, de ellende, welke zij in het leven riepen, te verzachten en den vloek, die op hen rust, weg te nemen.

Ik geef niet om diamanten. Zij hebben voor mij niet meer waarde dan kiezelsteenen.

De sigaret, die ik rook, is mij meer waard dan de betooverende glans van die steentjes.

Zonder een oogenblik te aarzelen zou ik ze in de Theems werpen, als ik daarmede het leven van een enkelen ongelukkige zou kunnen redden.

Neem de steenen in ontvangst, die zonder mijn toedoen voor eeuwig voor u verloren zouden zijn geweest. Maar opdat gij zult weten, aan wien gij ze te danken hebt, moet gij eens lezen, wat er op het kleine gouden plaatje staat, dat ik aan den ketting heb laten bevestigen.”

En Lord Landsdale las:

Geschonken aan Lord Landsdale door John C. Raffles.

Met ingehouden adem staarde Lord Landsdale naar deze woorden.

Toen wendde hij zich tot Raffles en sprak:

„Vergis ik mij, of is het waar? Zijt gij Lord Edward Lister, genaamd John Raffles?”

„Zoo is het,” antwoordde Raffles met fieren blik, „ik ben John Raffles.”

Eerst scheen het, alsof Lord Landsdale van plan was, op te staan en zich eenige schreden van zijn bezoeker te verwijderen, alsof hij eenige aanraking met dezen vreesde. In het volgende oogenblik echter stak hij Raffles vol bewondering de hand toe en sprak:

„Ik dank u, Lord—Lord Lister!”

„Daarvoor is geen reden,” antwoordde Raffles, „het was niet om der wille van de diamanten, dat ik het collier redde uit de handen van dien schurk van een juwelier, maar ter wille van het leven van uw bediende.

Als gij mij nu nog de hand wilt reiken om mij er voor te danken, dat ik een mensch heb gered, die door een misdaad in den dood zou worden gedreven, dan wil ik die hand aannemen.”

De Lord trok zijn hand niet terug, maar stak ze nogmaals uit en sprak:

„Ik dank u, Lord Lister, dat gij dien armen man het leven hebt gered!”

„Bravo!” riep Raffles uit, „dat is ware adel! Haal den armen drommel hier; hij wacht in de vestibule en zeg hem, dat gij hem vergiffenis vraagt voor uw onrechtmatige verdenking.”

John Raffles zag, hoe bij deze woorden de trots van den Lord boven kwam.

Maar weldra zegevierde de edel denkende mensch in hem en hij riep den bediende, die vol spanning wachtte, binnen.

Aarzelend kwam de ongelukkige de kamer binnen.

„Ik bied u mijn verontschuldiging aan,” sprak Lord Landsdale, „omdat ik u onrechtvaardig heb verdacht. [29]Gij zijt een eerlijke kerel en ik verzoek u in mijn dienst te willen blijven.”

Hij reikte den ouden bediende de hand, welke deze vol eerbied aan zijn lippen bracht.

Daarop gaf hij den man een wenk om heen te gaan.

Nu stond Raffles op en, terwijl hij Lord Landsdale zijn hand toestak, sprak hij:

„Ik neem nu afscheid en verzoek u, morgenochtend om elf uur met mij naar juwelier Brill te gaan.

Die man moet voor de gemeene daad, die hij tegen uw bediende wilde volvoeren, worden gestraft.

Daarvoor verzoek ik uwe hulp.”

Lord Landsdale had Raffles’ hand gegrepen, hij drukte deze hartelijk en antwoordde:

„Ik zal mij stipt om elf uur bij juwelier Brill bevinden.”

Nogmaals drukten zij elkaar de hand en de groote onbekende verliet het huis. [30]