Precies om elf uur bevond Lord Landsdale zich den volgenden morgen voor den winkel van juwelier Brill en ontmoette Raffles, in wiens gezelschap zich een beeldschoone jonge dame bevond.
John Raffles stelde de dame voor als miss Hurryup, een actrice.
Lord Landsdale boog beleefd en daarop ging hij op Raffles’ verzoek den winkel binnen om den juwelier nadere opheldering te vragen omtrent de geschiedenis met het diamantencollier.
Juwelier Brill ontving den Lord met koele afgemetenheid en vroeg naar diens wensch.
„Gij zult wel weten, mr. Brill, voor welke zaak ik hier kom,” sprak Lord Landsdale.
„Ach zoo, die zaak met uw misdadigen bediende,” antwoordde de juwelier. „Hopenlijk hebt gij dat sujet zonder veel plichtplegingen gevangen laten nemen.”
De aderen op het voorhoofd van Lord Landsdale zwollen op tot koorden.
Zijn oogen vlamden van eerlijke woede.
„Neen,” antwoordde hij op barschen toon, „ik heb gelukkig zoo niet gehandeld tegenover een onschuldig, eerlijk mensch!”
„Onschuldig?—Onschuldig?” vroeg de juwelier, „wilt gij daarmede soms zeggen, dat ik medeplichtig ben aan den diefstal?”
„Ja!” klonk een metalen stem bij de voordeur van den winkel en juwelier Brill keek in het hem welbekende gelaat van den juweelendief, Raffles!
Een oogenblik verbleekte hij, maar onmiddellijk herwon hij zijn koelbloedigheid en vroeg:
„Wat wilt gij?”
De kalmte, waarmede de juwelier deze woorden sprak, verbaasde zelfs Raffles.
Hij trad naar de toonbank en, terwijl hij den man scherp aankeek, vroeg hij:
„Ik denk, dat gij mij wel kent?”
Juwelier Brill veinsde groote verbazing.
„Zou ik u kennen? Ik weet niet, dat ik u ooit in mijn leven heb gezien. Ik verzoek u, mij te verklaren, waarom gij op een dergelijke beleedigende wijze mijn winkel binnenkomt.”
Raffles’ vingers jeukten om den koelbloedigen schurk een oorvijg te geven.
Maar hij bedwong zijn woede.
„Uw ontkennen helpt u niet, juwelier Brill. Gij hebt een domheid begaan en zijt erin gevlogen, toen gij u naar politie-inspecteur Baxter in kamer no. 32 hebt begeven. Dat wil zeggen, gij meendet uw brillanten terug te krijgen en hebt inplaats daarvan mij een paar onpartijdige getuigen van uw daad bezorgd.
„Overigens was uw plan zeer goed bedacht.
„Ik zelf had immers op straat den bediende bestolen kunnen hebben—en daarmee wildet gij de schuld op mij schuiven.
„Mis, mijn waarde juweelendief!
„Ik heb getuigen, dat ik de brillanten van Lord Landsdale bij u heb gekocht!”
Nu was het gedaan met de koelbloedigheid van den juwelier.
John Raffles had hem doorzien.
Een vale bleekheid trok over zijn gelaat.
Maar een laatste poging tot redding wagende, sprak hij:
„Ik wil toegeven, dat er een verwisseling plaats heeft gehad in mijn reparatiewerkplaats. Ik heb het te laat ontdekt en vreesde, de schade te moeten bijpassen.”
„Neen!” riep Raffles lachend uit, „dan hadt gij Lord Landsdale niet eerst uw leugens moeten vertellen, maar, zooals een eerlijk mensch betaamt, de waarheid moeten bekennen. Lord Landsdale zal wel weten, welken schurk hij moet laten gevangen nemen.”
Juwelier Brill werd beurtelings bleek en rood. [31]
Nu kreeg de zaak een bedenkelijk karakter voor hem. Het begon gevaarlijk te worden.
Hij vertrok zijn gelaat tot een smeekende, deemoedige uitdrukking en sprak:
„Lord Landsdale zal een eerlijk, oud koopman niet gevangen laten nemen.”
„Schurk,” viel Raffles hem in de rede.
„Dat zal ik toch doen,” voegde Lord Landsdale er aan toe.
„Heb medelijden,” smeekte de juwelier, „ik ben bereid u alle schade te vergoeden, en verzoek u tegelijkertijd om dien dief daar—en hij wees op Raffles—gevangen te laten nemen. Hij heeft mij het diamantcollier door een gemeene truc ontstolen.”
Lord Landsdale hief zijn hand op als om den juwelier een slag te geven en riep vol toorn uit:
„Die heer is mijn vriend, bedenk dat wel ellendeling. En gij zelf—gij verdient een flinke straf.”
Maar John Raffles hield den arm van Lord Landsdale tegen.
„Hij zal gestraft worden, Lord Landsdale, en veel gevoeliger dan door een oorvijg. Jou nietswaardige kerel, we zullen je laten kiezen.
„Of je geeft Lord Landsdale een cheque van 5000 pond sterling, die de Lord kan aanwenden ten behoeve van arme, zieke actrices, of je vliegt voor een paar jaar achter de tralies. Wij geven je vijf minuten bedenktijd.”
Juwelier Brill dacht eenige seconden na, daarop vroeg hij toestemming om zich naar zijn kantoor te begeven teneinde met zijn kassier na te rekenen of hij de gevraagde som zou kunnen betalen.
John Raffles stond dit toe en de juwelier verdween.
„Waarom wenscht gij, Lord Lister, dat ik het geld voor arme actrices zal gebruiken?”
„Heel eenvoudig, Lord Landsdale. De brillanten en andere kostbaarheden zijn de valstrikken, waardoor de meeste actrices tot ellende en armoede worden gebracht.
„In vurig verlangen naar opschik verliezen zij haar zedelijkheid, en menschen als Brill worden daardoor rijk. Ik houd ervan, de slachtoffers van een huichelachtige moraal gelukkig te maken.”
„Een nobele sport,” sprak Lord Landsdale, „bij u vergeleken komt men zichzelf voor als een boom, die geen vruchten draagt.”
„Ik doe slechts mijn menschelijken plicht, en moet helaas daarvoor dikwijls in conflict komen met de zoogenaamde wetten.”
Nauwelijks was juwelier Brill in zijn kantoor gekomen of zijn gierigheid dreef hem tot een wanhopige daad.
Hij wilde het uiterste beproeven.
Haastig nam hij de telefoon op en vroeg aansluiting met Scotland Yard.
Het geluk was hem dienstig.
Baxter antwoordde hem zelf.
„Hier Brill,” sprak de juwelier met opgewonden stem, „in mijn winkel bevindt zich Raffles en probeert afzetting!”
„Wat?” schreeuwde Baxter, „is dat een feit?—Vergist gij u niet?”
„Neen, neen, kom zoo snel mogelijk, voor hij mijn huis verlaat.”
Als een aeroplane schoot Baxter van de telefoon naar Marholm toe:
„Alles alarmeeren! Raffles is in de zaak van juwelier Brill!”
De vloo trok bedaard aan zijn korte tabakspijp, blies een dikke rookwolk uit en antwoordde:
„Vreemd, dat u dat zooveel genoegen doet.”
Baxter staarde Marholm aan, alsof hij aan diens verstand twijfelde.
„Zijt ge gek, Marholm?”
„Ik hoop het niet, maar ge denkt het zelf immers altijd te worden. Misschien vindt gij er bij juwelier Brill aanleiding voor.”
Marholm glimlachte veelbeteekenend.
Baxter echter was als door den duivel bezeten. Hij trok zijn overjas van den kapstok en riep:
„Doe dadelijk wat ik u beval, groot alarm!”
De vloo stond op en liep op zijn gemak de kamer uit.
Met woedende blikken keek zijn chef hem na.
Verscheiden minuten later reden twee met detectives volgepropte auto’s de Oxfordstraat in.
De juwelier was intusschen naar den winkel teruggekeerd en had Lord Landsdale de cheque gegeven.
Charly Brand, die aan Lord Landsdale als Miss Hurryup was voorgesteld, zat gedurende de onderhandeling zich te vervelen in zijn stoel en keek naar de voorbijgangers.
Op het oogenblik, dat de Lord en Raffles aanstalten maakten om den winkel te verlaten, schrok de secretaris en wilde uit zijn stoel opspringen.
Hij had inspecteur Baxter herkend, die, gevolgd door Marholm en verscheiden andere beambten, de deur openstiet en riep:
„In naam der wet verklaar ik— —” [32]
Verder kwam hij niet. (Zie titelblad.)
Met groote oogen staarde hij de hem welbekende dame, alias Charly Brand, aan, die in zijn verbeelding als beschermengel van Raffles optrad.
Het vertrek begon plotseling voor zijn oogen rond te draaien, zijn knieën knikten en de vloo moest hem ondersteunen.
„Hallo! inspecteur van politie!” riep Raffles uit.
„Wat is er voor nieuws? Wilt gij uw portefeuille terug komen halen?”
Baxter begreep direct, wat Raffles bedoelde.
De portefeuille met de ontelbare, hem compromitteerende liefdesbrieven zou hem zijn baantje kosten, als zijn superieuren ze in handen kregen.
Verbaasd keken de beambten hun chef aan.
Alleen Marholm had hetzelfde merkwaardige glimlachje op zijn gelaat als altijd.
„Wat moet dit beteekenen?” vroeg Lord Landsdale.
John Raffles lachte vergenoegd.
„Onze goede inspecteur van politie heeft ons blijkbaar voor Raffles aangezien!”
„Ja, ja, zoo is het!” stamelde Baxter. „Een vergissing …!”
„Gij zijt zenuwachtig, inspecteur Baxter,” sprak Raffles, terwijl hij hem op den schouder klopte. „Ik zal u tegen den avond de portefeuille op uw bureau bezorgen.
„Tot weerziens, inspecteur!”
Daarop verliet hij met Lord Landsdale en Charly Brand den winkel.
Eerbiedig maakten de voor de deur staande detectives plaats voor de deftig gekleede heeren, terwijl in den winkel hun chef wanhopig voor zich uitstaarde.
De vloo gaf bevel, naar Scotland Yard terug te keeren.
Onderdanig verlieten de beambten den winkel.
Toen zij weg waren, stopte de vloo zich een nieuw pijp tabak en met welbehagen rookend, sprak hij:
„Ik waarschuwde u immers, inspecteur! Nu hadt gij Raffles en ge hebt hem weer niet in hechtenis kunnen nemen. Zeer merkwaardig voor dengene, die niet weet, wat hiervan de reden is.”
„Ik word gek,” kermde Baxter. „Wat weet gij er dan van?”
„De geschiedenis van een verlof, een blonde dame en een portefeuille!”
Baxter stopte zijn ooren dicht en haastte zich huiswaarts.
Marholm echter vleide zich behagelijk op den breeden ruststoel van zijn chef in Scotland Yard en ging een dutje doen.