[Inhoud]
DE DIAMANTENKONINGIN

DE DIAMANTENKONINGIN

EERSTE HOOFDSTUK.

HET HEILIGDOM VAN ST. RIRE.

Ten noordoosten van Rouaan ligt aan den voet van een heuvel het stadje Marome, dat wegens zijn prachtige ligging dikwijls het doel van uitstapjes is, welke vanuit de hoofdstad van het departement aan de beneden-Seine worden gemaakt.

De avondschemering was over het landschap neergedaald, toen twee heeren het tusschen Rouaan en Marome liggende dorpje St. Rire passeerden.

Zij volgden een smal voetpad, vanwaar men een prachtig uitzicht op de omgeving had.

Op een hoogte ligt de kleine dorpskapel, welke schilderachtig afstak bij de reusachtige omtrekken van de rotsen.

Dat Godshuis verborg een schat, om wier bezit de bewoners van St. Rire algemeen benijd werden en waarop zij zeer trotsch waren.

Het was een ijzeren handschoen, waarvan verteld werd, dat de Jonkvrouw van Orleans hem had gedragen op haar roemrijken tocht tegen Talbot.

Dit heiligdom, blijkbaar afkomstig van een ouderwetsche wapenrusting, was zwaar verguld en werd in een stevige kast naast het altaar bewaard.

De kast was uit het een of andere eenvoudige materiaal gemaakt en de deur bestond uit gewoon spiegelglas.

Hoewel er vele vreemdelingen en bedevaartgangers kwamen om het reliquie te bewonderen, had het dorpje slechts weinig voordeel van deze bezoeken, omdat de meesten er de voorkeur aan gaven, in het naburige Rouaan te overnachten.

Alleen bij bijzonder plechtige gelegenheden werd de handschoen uit zijn bewaarplaats genomen en door den dienstdoenden geestelijke aan de verzamelde belangstellenden vertoond.

Dit heiligdom had in den laatsten tijd aan waarde gewonnen, want sinds de Jonkvrouw van Orleans heilig was verklaard, geloofde men aan de wonderdadige werking ervan.

Men had naast de kerk, die een beetje buiten het dorp lag, een klein huisje gebouwd, waarin een van de oudste dorpsbewoners, die als bewaker van den schat was aangesteld, met zijn familie woonde.

Deze man, iemand van ongeveer vijftigjarigen leeftijd, zat in zijn eenvoudig woonvertrek aan een wankelende tafel.

Hij leunde het hoofd in de hand en scheen in gedachten verzonken te zijn.

Tegenover hem, op een eenvoudigen, withouten stoel, bevond zich een andere man, die ongeveer even oud kon zijn. [2]

Terwijl de bewoner van het kleine huisje in een afgedragen, donkere jas was gekleed, zag de ander er opvallend elegant uit.

Een lichtgrijs, zeer modern costuum omsloot de eenigszins corpulente gestalte.

Over het zwart fluweelen vest, met roodzijden bloemen bestikt, hing een dubbele zware ketting, waaraan verscheidene sieraden prijkten, die een rustplaats vonden op het ronde buikje.

Aan den wijsvinger van de rechterhand prijkte een groote zegelring, terwijl twee ringen met vrij groote diamanten den vinger daarnaast versierden.

De schedel van het kleine heertje was kaal en blank als een biljardbal. Een sterk gebogen, groote neus gaf het gelaat, dat omgeven was door een kortgeknipt ringbaardje, een onmiskenbaar Oostersch type, wat nog versterkt werd door de dikke lippen.

De listige, kleine oogen keken over het gouden lorgnet heen, dat op den grooten neus stond en waren met scherpen blik op zijn overbuur gevestigd, toen hij sprak:

„Nu, vriend, laat ons zaken doen! Er zal u niets kwaads overkomen! Denk eens: Het is een ronde som en wie kan u iets bewijzen? Niemand!”

De aangesprokene wist blijkbaar niet, wat hij zou doen, want hij krabde zich verlegen op het hoofd en zweeg.

De tegenover hem zittende heer haalde nu zwijgend zijn beurs te voorschijn en begon een aantal goudstukken op tafel uit te tellen, elk der muntstukken langzaam op tafel latende vallen.

Hij zag wel, dat de ander telkens opschrikte bij den klank van het goud en met begeerige blikken ernaar keek.

Nu leunde hij in den stoel achterover, wees met de rechterhand naar de rij goudstukken, terwijl hij de linker in den oksel van zijn vest stak, en zei:

„Ziet gij, louter echte, waardevolle munten. Wie zou u nog meer zooveel geld ineens uitbetalen? Wees verstandig, neem het en geef mij den handschoen”.

De oude bewaker wist niet, wat hij doen zou.

De vonkelende goudstukken, die op de tafel lagen, lokten hem aan.

Hij zou ze zoo graag bezitten, maar aan den anderen kant vreesde hij voor de gevolgen, als het uit zou komen, hoe slecht hij zich van zijn taak als bewaker had gekweten.

Met een onvasten blik keek hij naar den kleinen heer en sprak met aarzelende stem:

„Ja, maar als nu eens …”

„Och kom, als, als … Ik heb u immers gezegd, dat ik voor u zal zorgen? Mijn lastgever zal u tot kamerheer benoemen, als hij verneemt, hoe goed gij mij bij de zaak hebt geholpen.

Ik verzeker u, dat hij een fijn mensch is.

Wat hebt gij als kamerheer te doen? Niets! Gij zult een leven hebben als God in Frankrijk”.

Met een onderdrukten zucht streek de oude man de goudstukken op, ging naar een kast en sloot daar den schat weg, waarvoor hij zijn eerlijkheid ten offer zou brengen.

Daarop nam hij een grooten sleutelbos van den wand en sprak:

„Kom mee! Maar zacht, voorzichtig!”

Toen de bewaker het geld opstreek, vloog een zegevierend glimlachje over het gefaat van den ander. Drie goudstukken, die hij nog in zijn hand had gehouden voor het geval, dat de man niet zou toebijten, liet hij ongemerkt weer in den zak glijden.

Hij stond op, zette zijn hoed op en volgde den bewaker.

Voorzichtig naar buiten kijkend, overtuigde deze zich er eerst van, of niemand in de nabijheid was.


De duisternis was ingevallen.

Stil en vredig was het in het dorpje geworden. De boeren waren teruggekeerd van de velden en de rook, die opsteeg uit de schoorsteenen, toonde aan, dat de hongerige magen weldra gevuld zouden worden met de avondsoep.

Met haastige schreden ging de oude man den weg langs naar de kapel, van tijd tot tijd omziende, of niet een der boeren, die zich had verlaat, zijn vreemde handeling zou opmerken. Maar nergens was een levend wezen te ontdekken.

De heer volgde vlak achter hem, hij had de handen in de broekzakken gestoken en glimlachte vergenoegd.

Op het oogenblik, waarop het tweetal de deur der kleine kapel binnengingen, kwamen de beide heeren, die zich op den terugweg naar Rouaan bevonden, den hoek om bij het huisje van den bewaker.

„Kijk eens, Charly”, sprak de grootste der beide wandelaars, „wat zouden die twee op dezen tijd in de kapel willen doen? Dat komt mij verdacht voor. Kom, wij zullen eens luisteren”.

Snel liepen zij voorwaarts en bevonden zich binnen een paar seconden onder de ramen van het kerkje.

Hij, die door zijn vriend als „Charly” was aangesproken, [3]nam een plankje, dat in het gras lag, en legde het dwars over eenige steenen, die op elkaar gestapeld lagen.

Op die manier ontstond een gemakkelijke staanplaats en de beide vrienden konden, door de gekleurde vensters kijkend, in de kerk zien.

Juist toen zij hun observatiepost hadden ingenomen, werd in de kerk een licht ontstoken, zoodat zij alles wat daar werd afgespeeld, nauwkeurig konden volgen.

Zij zagen den ouden bewaker, die de brandende lantaarn op het altaar had neergezet, een sleutelbos te voorschijn halen en de kast naast het altaar openen. Hieruit nam hij den ijzeren handschoen.

De andere persoon greep er snel naar en wikkelde het kleinood in een doek, dien hij had meegebracht.

Nadat hij het pakje zorgvuldig had dichtgebonden, verborg hij het onder zijn jas, die hij daarop dichtknoopte.

De bewaker wilde het kastje weder sluiten, maar de vreemdeling hield hem tegen met de woorden:

„Gij schijnt niet goed snik te zijn, mijn waarde. Wanneer gij de kast afsluit en de handschoen is weg, zal iedereen vragen: „Wie had den sleutel?” En gij wordt onmiddellijk verdacht. Draai den sleutel om en sla het glas stuk, dan zal iedereen denken, dat er ingebroken is”.

De bewaker knikte zwijgend, nam zijn lantaarn op en blies die uit. Daarop hoorden de beide vrienden, die stonden te luisteren, een doffen slag en het gerinkel van glasscherven.

De grootste van het tweetal fluisterde:

„Kom, Charly. Wij zullen ons rustig houden en den verderen loop der zaak afwachten”.

Zij slopen nu naar den hoek der kapel, zoodat zij den ingang in het oog konden houden.

Niet lang behoefden zij hier te wachten, want de deur werd geopend en de beide dieven traden naar buiten.

De bewaker sprak, terwijl hij de deur sloot:

„Het is mij zoo angstig te moede. Als mijn vrouw niet reeds langen tijd ziek was en als ik mij op een andere manier wist te helpen, had ik dat vervloekte geld niet aangenomen”.

De ander haalde de schouders op en antwoordde:

„Wat wilt gij? Gij hebt het geld; ik heb de handschoen. De zaak is dus in orde. Adieu!”

Zonder op de hand te letten, die de bewaker hem toestak, haastte hij zich den straatweg langs naar Rouaan.

„Heb je opgemerkt, Charly, hoe slecht die kerel het Fransch sprak?”

„Zeker, Edward, ik wed, dat hij een Engelschman is”.

„Ja, mijn beste jongen, hij is een landgenoot van ons”.

Zoodra de beide vrienden hadden gezien, dat de bewaker weer in zijn huisje was verdwenen, verlieten zij hun schuilhoek en begaven zich ook op weg naar Rouaan, want zij hadden dien middag een groote wandeling gemaakt en verlangden ernaar, spoedig in hun hotel te komen om van een welverdiende rust te genieten.

Intusschen was de maan opgegaan en liet haar zacht licht schijnen over de velden, die een heerlijken geur uitademden. De beide vrienden genoten met volle teugen van de verrukkelijke avondwandeling.