Alle plaatsen in het Penley-theater waren uitverkocht. De mooie Anna Fleuron trad heden voor den eersten keer weer op, nadat haar nummer gisteren, ten gevolge van den aanslag, welke op haar leven was gedaan, van het programma verwijderd was geworden.
Iedereen was nieuwsgierig om de interessante diva te zien, die bijna vermoord was geworden door een versmaden minnaar uit een der voornaamste Londensche families.
Dit alles was men te weten gekomen uit de berichten in de couranten, welke Fleuron, als machtige reclame, den journalisten zelf in de pen had gegeven.
Nadere bijzonderheden wist het groote publiek echter niet.
Zoo was het niet bekend, dat zij door haar hebzucht den jongen Lord niet alleen had geruïneerd, maar hem zelfs had gedreven tot een poging tot moord en zelfmoord.
Al werd ook hier en daar veel over dergelijke dingen gemompeld, toch wist men niets met zekerheid en in elk geval werd de belangstelling voor de schoone zangeres er niet minder door.
Anna Fleuron werd bij haar optreden overladen met bloemen.
De meest bevoorrechten onder de bezoekers verdrongen zich voor de kleedkamer der zangeres en elkeen trachtte door uitnoodigingen tot schitterende soupers de verlokkende sirene voor eenige uren aan zich te binden.
Alle pogingen waren echter heden te vergeefsch.
De diva bedankte voor de uitnoodigingen, want zij had graaf Armani beloofd, den avond met hem door te brengen.
Het was vreemd: deze vrouw, die, als het er op aankwam, ongevoelig bleef voor alle hulde, die men haar bracht, scheen door Armani betooverd te zijn en een oprechte, innige genegenheid voor hem te gevoelen.
Met groote handigheid wist zij het gedaan te krijgen, dat zij, zonder door haar vele vereerders te worden opgemerkt, de kleedkamer en den schouwburg kon verlaten.
Terwijl nog een groote menigte voor den hoofduitgang wachtte om de diva opnieuw een stormachtige hulde te brengen, had deze reeds lang het gebouw door een kleine zijdeur verlaten.
Er was afgesproken, dat graaf Armani haar in de donkere straat, waarop de zijdeur uitkwam, met zijn rijtuig zou wachten.
In een donkeren mantel gehuld, snelde zij de straat over, begaf zich naar het rijtuig en stapte in.
Graaf Armani ontving de schoone met een vurigen handkus, terwijl hij er haar voor bedankte, dat zij alle verdere uitnoodigingen had afgeslagen.
In snelle vaart ging het door de straten van Londen [31]en weldra waren zij in een voornaam restaurant in de City aangekomen, waar zij zich naar een gereserveerde chambre séparée begaven.
Met den goeden smaak van een fijnproever had Raffles een souper besteld en weldra werden de champagnekelken tegen elkaar gestooten.
De diva keek Raffles met een betooverenden blik aan, toen zij sprak:
„Welnu, graaf, heb ik niet een pluimpje verdiend, omdat ik gehoor heb gegeven aan uw wensch en mij heb getooid met alle diamanten en edelgesteenten, die ik bezit?”
„Ik ben verrukt, dat verzeker ik u. Het komt u misschien als een zonderlinge gril voor, maar ik dweep zoozeer met deze kostbare steenen, dat de meest bekoorlijke vrouw mij, getooid met die kostbaarheden, nog veel verleidelijker schijnt.”
„En dat wil ik gaarne,” antwoordde Anna Fleuron met een verleidelijk lachje, terwijl zij zich met een kokette beweging naar Raffles toeboog.
Van dit oogenblik maakte de groote onbekende gebruik om een wit poeder in het glas der zangeres te schudden.
Daarop vulde hij de champagneglazen opnieuw en dronk op de gezondheid der jonge schoone.
De diva had haar glas in een enkelen teug geledigd.
Plotseling leunde zij een weinig in haar stoel achterover en sprak met een glimlachje:
„Ik weet niet, wat mij mankeert, maar ik word op eens zoo moe.”
Met den mooi gevormden, blanken, met gouden slangen versierden arm streek zij zich langs de oogen, maar de arm viel slap neer en Anna Fleuron was ingeslapen.
Raffles had met voldoening de snelle uitwerking van het slaappoeder, dat hij in het glas had geschud, opgemerkt.
Glimlachend boog hij zich over de beeldschoone zangeres en sprak op halfluiden toon:
„Slaap maar, mijn dierbare! Over een uur ongeveer zal je weer wakker worden. Het is een onschuldig poedertje en het zal je slechts zoolang in een rustigen slaap houden, totdat ik mijn plan ten uitvoer heb kunnen brengen.”
Hij begon nu de diva van haar kostbare sieraden te ontlasten.
Een waarlijk vorstelijk vermogen werd door al deze juweelen vertegenwoordigd.
Onder de vele kostbaarheden, welke Raffles van zijn slachtoffer roofde, ontdekte hij ook den ring en het hartje, welke Levison haar ten geschenke had gegeven en die, zooals deze aan den graaf Armani had verteld, beide valsch waren.
Terwijl Lord Lister de andere kostbaarheden in zijn zakken borg, legde hij deze beide voorwerpen op tafel.
Daarop schreef hij het volgende briefje:
„Mijn dierbare vriendin!
Reeds voordat ik het genoegen had u persoonlijk te kennen, wist ik, dat gij even schoon als harteloos zijt.
Ik ben te weten gekomen, dat gij een jongen man, die u oprecht beminde en die zich ter wille van u bijna geheel heeft geruïneerd, koud en zonder mededoogen hebt verstooten.
Voor dezen jongen man gevoel ik veel vriendschap en daarom wil ik hem uit de netten van een hartelooze kokette bevrijden.
Bijna alle kostbaarheden, die gij draagt, en die u den naam „Diamantenkoningin” hebben bezorgd, komen voort uit het vermogen van dien verblinden jongen man.
Wanneer ik nu zoo vrij ben, u die sieraden weer af te nemen, dan behoudt gij nog genoeg, want er blijven u nog over: de kostbare inrichting, uw toiletten, uw rijtuigen en paarden. Dit alles kan en wil ik u niet afnemen.
De kostbaarheden echter zullen nog heden hun rechtmatigen eigenaar ter hand worden gesteld, opdat hij in het bezit is van de noodige middelen om naar het buitenland te gaan, want gij hebt u zelfs niet ontzien, den naam van dien jongen man, die het zoo trouw en oprecht met u meende, openlijk door het slijk te halen.
Als sieraad voor uw schoonheid, die, ik moet het u eerlijk bekennen, in het geheel geen juweelen noodig heeft, om tot haar volle recht te komen, blijven u nog over de geschenken van uw vriend Levison, die even echt zijn als zijn liefde voor u.
In uw eigen belang verzoek ik u nog, mijn beschermeling voortaan in geen enkel opzicht lastig te vallen, daar ik anders de noodige middelen zou vinden om hem te wreken.
Met besten dank voor de uren, die ik in uw bekoorlijk en aangenaam gezelschap heb mogen doorbrengen, ben ik uw
GRAAF ARMANI = JOHN C. RAFFLES”
Toen Raffles dezen brief gereed had, legde hij hem op tafel. Den ring en het hart, de geschenken van Levison, legde hij ter rechter- en linkerzijde van den brief.
Daarop legde hij de zangeres, die nog steeds rustig sliep, op een divan neer. [32]
Een oogenblik rustte zijn blik op de beeldschoone jonge vrouw, langs wier blanke schouders zwarte krullen neervielen, daarop verliet hij met een zegevierenden glimlach de kamer.….
Snel plaats nemend in een rijtuig, liet hij zich naar het station brengen. Daar ontmoette hij zijn vriend Charly, die reeds op hem wachtte.
Op het postkantoor van het station schreef Raffles een paar woorden aan Lord Clowdon, pakte de juweelen in en zond alles als aangeteekend pakket aan het adres van den jongen Lord.
Daarop namen de beide vrienden plaatskaarten en verlieten met den volgenden trein de hoofdstad.
Zoo had John Raffles weer eens als voorzienigheid gespeeld.
Clowdon ging naar het buitenland en geraakte door gelukkige ondernemingen tot welstand.