[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN VLUCHT.

Toen de beide heeren het „Hotel du Roi” te Rouaan betraden, waarin zij hun intrek hadden genomen, hoorden zij den man, dien zij reeds in de kapel te St. Rire hadden gezien, druk spreken met den hotelhouder.

Het scheen echter, dat deze de meening van zijn gast niet deelde, want hij sprak op beleefden, maar beslisten toon:

„Ik kan u stellig verzekeren, monsieur, dat gij zelfs [4]met de snelste paarden de aansluiting niet kunt halen”.

Lord Lister sprak tot zijn vriend:

„Het schijnt, dat de kerel haast heeft om het gestolene in veiligheid te brengen. Maar wat gaat het ons aan.”

„Weet je, Edward, ik heb eigenlijk medelijden met den bewaker. Je hebt immers zijn laatste woorden gehoord. Het kwam mij voor, alsof hij niet voor zijn pleizier de misdaad bedreef. Misschien heeft deze schurk misbruik gemaakt van zijn treurige omstandigheden.

„Dat kon wel eens waar zijn, Charly. Wij zullen in die geschiedenis dus een oogje in het zeil houden”.

De beide Londenaars gingen zich verfrisschen en begaven zich naar de eetzaal van het hotel om te soupeeren.

Toen zij den corridor doorgingen, zagen zij den reliquieëndief in een rijtuig stappen. De koetsier gaf den paarden een flinken zweepslag en in snellen draf ratelde het voertuig over het hobbelige plaveisel.

In de eetzaal namen zij plaats aan een klein tafeltje, deden een keus uit de welvoorziene spijskaart en bestelden een flesch wijn.

Op dit oogenblik ging de hotelier hun tafeltje voorbij.

Lord Lister riep hem en vroeg:

„Wanneer gaat morgen de eerste trein naar Dieppe?”

„Om 11 uur 26, monsieur”, antwoordde de hotelier en vervolgde:

„Het was van dien heer ook veel verstandiger geweest, als hij den nacht nog in mijn hotel had doorgebracht en dien trein van 11 uur had genomen. Hij haalt het toch niet meer!”

„Hij haalt het niet meer? Wat bedoelt gij daarmee?” vroeg Lord Lister.

„Een Engelschman, Mr. Levison, heeft drie dagen bij mij gelogeerd. Hedenmorgen informeerde hij ernaar, om hoe laat men des morgens het best naar Dieppe kon komen. Ik noemde hem denzelfden trein, dien ik u zooeven opgaf en hij scheen dat goed te vinden.

Na ongeveer 20 minuten geleden komt hij plotseling geheel buiten adem terug van een wandeling en vertelt mij, dat hij een telegram heeft ontvangen en onmiddellijk moet afreizen.

Dit kan echter onmogelijk waar zijn, want waar zou hij het telegram hebben ontvangen? Op straat? Onderweg? Hier is in elk geval niets voor hem bezorgd, hij heeft dus blijkbaar een uitvlucht gezocht. Ik liet echter niets merken en vertelde hem, dat vanavond geen enkele trein meer in die richting ging.

Hij was hierdoor erg teleurgesteld en verlangde een rijtuig, want hij wilde probeeren langs den rechten weg over Cleres den laatsten trein, die reeds 10 minuten geleden was vertrokken, nog te bereiken.

Ik maakte hem duidelijk, dat dit een absolute onmogelijkheid was, maar hij wilde mij niet gelooven. Nu, het laat mij verder onverschillig!”

„Misschien had die heer er reden voor om zoo overhaast te willen vertrekken?”

„Welke reden kon hij daarvoor hebben? In mijn hotel is hij uitstekend onderdak. Kamers en bedden zijn goed, het eten en drinken is voortreffelijk …”

De Lord brak den woordenstroom van den hotelier af door lachend te zeggen:

„Ik ben ervan overtuigd, dat hier alles uitmuntend is, maar die heer zou toch zeer goed een particuliere reden kunnen hebben, die het hem wenschelijk maakte om zoo spoedig mogelijk hier vandaan te komen.”

De hotelhouder scheen dit niet te willen inzien.

Hij schudde het hoofd.

Toen de vreemdelingen gesoupeerd hadden, sprak de Lord, terwijl hij op zijn gemak in een fauteuil achterover leunde en een sigaret opstak:

„Het schijnt bijna, alsof die nobele heer hetzelfde reisplan heeft als wij. Ook wij gaan naar Dieppe en van daar per boot naar Brighton. Ik durf wedden, dat Mr. Levison dezelfde reis wil maken.”

Charly antwoordde niet, maar sprak na een poosje op ernstigen toon:

„Zou het niet de moeite waard zijn, kennis te maken met dien gauwdief, Edward?”

„Eigenlijk wilde ik mij niet met de zaak bemoeien. Nu echter schijnt ze jou bijzonder te interesseeren. Begin je smaak voor dergelijke avonturen te krijgen?” vroeg Lord Lister lachend.

„Och Edward, ik moet voortdurend aan den ouden bewaker denken. Hij zag er zoo terneer geslagen en ongelukkig uit.”

Gedurende dit korte gesprek had het gelaat van den Lord een peinzende uitdrukking aangenomen. Men kon zien, dat hij over iets nadacht. Hij scheen een plan te hebben opgevat en sprak met vastberaden stem:

„Goed! Wij zullen morgen in alle vroegte je beschermeling opzoeken en naar zijn omstandigheden informeeren. Is het de moeite waard om iets voor den man [5]te doen, dan zullen wij hem goeden raad geven en verder zien.”

„Maar Edward”, sprak Charly op aarzelenden toon, „dan hebben wij het spoor van Mr. Levison verloren.”

„Maak je daar niet bezorgd over, mijn beste! Nu in den nacht kunnen wij toch niets doen. Ik vertrouw, als altijd, op mijn goed gesternte; wij zullen den eerbiedwaardigen Mr. Levison wel vinden. Maar laten wij nu gaan slapen.”

Zij gaven het bevel, om half acht gewekt te worden en gelastten om al hun bagage te bezorgen aan den trein, die om ongeveer 11 uur naar Dieppe vertrok.

Daarop begaven zij zich naar hun kamers.