[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

DE HANDIGHEID VAN ZAKKENROLLERS.

De Engelsche stoomboot „Winchester” lag gereed om de terugreis naar Brighton te aanvaarden.

De sneltrein van Rouaan was aan het station aangekomen, en de beide vrienden begaven zich naar de aanlegplaats van de boot. Juist wilde Lord Lister passagebewijzen nemen voor zichzelf en zijn vriend, toen deze laatste uitriep:

„Kijk eens, Edward, onze vriend is er reeds!”

Zijn scherp oog had den gauwdief ontdekt, die over het dek van het schip wandelde.

De bagage der beide vrienden werd aan boord gebracht en korten tijd daarna weerklonk het sein tot de afvaart.

De machine zuchtte en kraakte, de boot begon te dreunen en fier stoomde de „Winchester” in de richting der Engelsche kust.

Raffles en Charly maakten een kleine wandeling op dek, gedurende welke zij een gesprek aanknoopten met Mr. Levison.

Deze voelde zich zeer gevleid, dat zulk een deftig, voornaam heer als de graaf Armani, onder welken naam Lord Lister zich aan hem had voorgesteld, hem met zijn gezelschap vereerde.

Graaf Armani wist door zijn schitterende welbespraaktheid en neerbuigende vriendelijkheid Levison al spoedig zoozeer voor zich in te nemen, dat deze erop gezworen zou hebben, dat er geen beminnelijker mensch kon bestaan.

De Groote Onbekende wist zeer boeiend te vertellen van zijn reizen en avonturen.

Terloops vertelde hij, dat hij met zijn vriend juist uit zijn vaderland, Italië, kwam om Londen te leeren kennen, dat hem tot dusverre vreemd was gebleven.

Onmiddellijk bood Levison zijn diensten als gids aan.

Dit was juist de bedoeling van Lord Lister. In elk geval wist hij nu zeker, dat ook zijn wild naar Londen reisde en het heiligdom van St. Rire dus daarheen verhuisde.

Door dit te weten kon hij echter ook vrij zeker zijn, [8]op de snelste en gemakkelijkste wijze een middel te vinden om de verblijfplaats van den handschoen uit te vinden.

De gauwdief, die graag voor man van de wereld wilde doorgaan en zich veel inbeeldde omtrent zijn succes bij het schoone geslacht, wist het gesprek handig op muziek en theaters te brengen.

„Weet gij, heer graaf, om treurspelen geef ik niet; die zijn altijd zoo treurig. Maar de operette met al die aardige meisjes in de koren, of een kwieke zangeres, dat is mijn genre”, beweerde hij in den loop van het gesprek.

Lord Lister verzekerde, hoewel hij het er totaal niet mee eens was, dat dit ook zijn meening was.

Blijkbaar gevleid door dezen bijval, glimlachte de kleine man vergenoegd en vroeg:

„Hebt gij de mooie Anna Fleuron reeds gehoord? Zij is nu voor vier weken bij ons in Londen. Ik ken haar zeer goed”.

Levison keek Lister van terzijde aan en deed zijn woorden vergezeld gaan van een veelbeteekenend knipoogje.

Hij had zijn linkerhand weer in het armsgat van zijn vest gestoken, maakte met de vingers van zijn rechterhand een klappend geluid en vervolgde:

„Ik verzeker u, prima, prima!” en hij deed een poging om zijn dikke lippen te spitsen.

Lord Lister antwoordde, dat hij te Parijs geen gelegenheid had gehad om die operette-koningin te zien.

„Het is een prachtvrouw, gij moet haar leeren kennen! Ik zal er wel voor zorgen. Maar gij moet u in acht nemen. Het is een heks. Zij dweept met brillanten, met echte natuurlijk!”

„Daar kan ik haar geen ongelijk in geven”, glimlachte de Lord. „Ik stel ook alleen belang in echte steenen”.

„Zeg geen kwaad van de nagemaakte. Ik zal u eens een grap vertellen, die ik met de kleine Fleuron heb gehad. Ik verzeker u, dat zij kieskeurig is; slechts brillanten kunnen haar verteederen”.

Hij lachte zelf met voldoening om deze geestigheid en vervolgde daarna zijn verhaal:

„Eerst beproefde ik, haar gouden hartje met bloemen te veroveren. Ik verzeker u, met kostbare bloemen—maar in elk geval goedkooper dan brillanten”.

Ook deze geestigheid maakte niet den gewenschten indruk op den Lord.

Levison echter liet zich zijn goed humeur niet bederven, maar wreef zich, vergenoegd lachend, de handen.

„Nu had ik een prachtigen, kostbaren ring gekocht. Heel goedkoop, want echt was hij niet!

Gij moet weten, heer graaf, dat ik handig ben in dergelijke zaken.

Ik koop namelijk veel antiquiteiten en zeldzaamheden en heb daarvoor in de voornaamste Londensche kringen altijd afnemers.

Dus, de ring, dien ik haar gaf, was heel mooi. Zij heeft hem voor echt aangenomen en draagt hem.

Ik zal niet zoo dom zijn als de jonge Lord Clowdon!”

„Wie is dat?” vroeg Lister, hoewel hij den naam zeer goed kende.

„Dat is een jonge man van de wereld, die zich reeds voor de mooie, kleine Fleuron heeft geruïneerd.

Hij heeft maandenlang met haar gereisd en haar met kostbaarheden overladen.

De kleine heks is echter onverzadelijk, zij wil altijd meer hebben. Korten tijd geleden zei ze tegen mij: „Brillanten kan men altijd gebruiken, het is een goede geldbelegging”. Gij ziet, welk een handelsgeest er in de kleine zit.

Omdat zij zoo met die juweelen dweept, en Lord Clowdon haar van top tot teen met dergelijke kostbaarheden heeft behangen, noemt men haar overal de diamantenkoningin.”

„Heel aardig! Maar gij wildet van Lord Clowdon vertellen.”

„Och, wat zal ik u daar veel van vertellen. Nu hij zich voor haar heeft geruïneerd en niets meer bezit, wil zij hem den bons geven, want zij is precies zoo als alle vrouwen van dat slag. En wat zal het eind zijn?—

Hij zal zich doodschieten om een ongelukkige liefde; dan heeft hij den dood en zij de brillanten.”

„Ik zou die kleine duivelin wel eens willen leeren kennen”, sprak Lord Lister plotseling, die reeds een plan had ontworpen.

„Dat kunt gij, waarde graaf. Het zal een eer voor mij zijn, u aan haar voor te stellen. Ik zei u reeds, de kleine Fleuron en ik kennen elkaar zeer goed.

Ik heb haar beloofd om haar iets van mijn reis mee te brengen. Ik zal het u eens laten zien. Verontschuldig mij een oogenblik, heeren, ik zal het uit mijn koffer halen.”

„Doe niet zooveel moeite. Als gij het goedvindt, gaan wij even mee naar uw hut.”

Haastig had de groote onbekende deze woorden gesproken. Het was hem alles waard, om nu uit te vinden, waar de kerel de reliquie had verborgen. [9]

„Het zal mij een hooge eer zijn, mijne heeren”, antwoordde Levison met een diepe buiging en met hun drieën begaven zij zich naar de hut.

Daar gekomen, opende hij een zwarten handkoffer en nam er een étui uit, waarin een klein gouden hart lag.

De antiquiteitenhandelaar liet het licht vallen op de door brillanten en saffieren gevormde arabesk; de steenen vonkelden en schitterden.

„Is dat inderdaad imitatie?” vroeg Lord Lister verbaasd.

„Zeker”, antwoordde Levison. „Ik heb niet meer dan twintig francs voor dit hartje gegeven.”

„Dan is het in elk geval prachtig nagemaakt. Als gij mij niet zelf verteldet, dat het onecht was, zou ik het sieraad zeer zeker voor echt houden.”

„Dat doet mij veel genoegen, heer graaf. Als gij het voor echt houdt, zal de kleine Fleuron dat ook doen en—zij zal er mij haar dankbaarheid voor toonen.”

De kleine man glimlachte innig verheugd en maakte aanstalten om het étui weer in den koffer te sluiten.

„Wilt gij deze kostbaarheid werkelijk op zulk een onvoldoende wijze bewaren? Ik houd dat voor eenigszins onvoorzichtig”, merkte Lord Lister op.

„Hoe meent gij dat, heer graaf?”

„Ik wil u niet angstig maken, mijn beste Mr. Levison, maar mij heeft men een paar maanden geleden op een zeereis uit een gesloten hut een voorwerp ontstolen, dat voor mij van onschatbare waarde was.

Alle zoeken bleef echter tevergeefs en ik moest in het verlies berusten.

Als dat gouden hart nu eens plotseling verdwenen was, zou misschien ook het hartje der kleine Fleuron voor u verloren zijn en dat zou u zeer zeker spijten”, vervolgde hij met een glimlach.

„Maak mij niet bang, heer graaf! Meent gij inderdaad, dat deze koffer geen veilige bewaarplaats is?”

„Ik kan u alleen vertellen wat ik zelf heb ondervonden. Maar gij behoeft niet zoo angstig te zijn. Daar het sieraad niet echt is, zou het geldelijke verlies niet zoo groot zijn.”

„Daarin hebt gij gelijk, heer graaf. Ik zou er mij ook niet ongerust over maken, als het alleen die 20 francs betrof, maar ik heb hier nog iets anders.”

Zijn stem daalde af tot een zacht gefluister, toen hij vervolgde:

„Ik heb voor heel veel geld in Rouaan een voorwerp van groote waarde gekocht. Een zakenvriend, die dergelijke antieke stukken gaarne heeft, betaalt er mij een hoogen prijs voor. Als ik dit zou verliezen, was ik een verloren man.”

„Dan zou ik u toch raden, dat kostbare voorwerp beter te bewaren.”

„Daarin hebt gij gelijk, heer graaf. Ik zal het bij mij steken, dan kan niemand het mij ontstelen.”

De antiquiteitenhandelaar had een klein pakje uit den koffer genomen.

Het was in gewoon bruin pakpapier gewikkeld en met een touwtje stevig vastgebonden. De uiteinden van het touw waren verzegeld.

John Raffles keek met scherpen blik naar het pakje.

Levison zag dit en sprak:

„Gij schijnt u ook voor dergelijke dingen te interesseeren. Ik zou u dit gaarne laten zien, maar gij hebt mij nu angstig gemaakt.

Het is zoo goed verpakt en verzegeld. Ik wil het hier aan boord liever niet openen. Misschien echter morgen, als wij samen naar Londen reizen.”

Raffles wist nu alles, wat hij wilde weten en zei daarom:

„O, dat behoeft niet, mijn waarde. Het is veel veiliger en beter als gij het pakje niet opent.”

De antiquiteitenhandelaar deed nu alle moeite om het waardevolle pakje in den borstzak van zijn jas te bergen.

Dit was echter onmogelijk, daar het te groot was en zoo moest hij er toe besluiten om het pakje een plaats te geven in een van de zakken, die zich achter in de panden van de jas bevonden.

De heeren zouden juist de hut verlaten, toen Lord Lister plotseling tot Charly en Levison sprak:

„Willen de heeren mij voor een oogenblik verontschuldigen? Gij kunt wel alvast naar boven gaan. Waar vinden wij elkaar?”

Charly begreep onmiddellijk, dat zijn vriend iets van plan was en zei:

„Zullen wij elkaar in het rooksalon ontmoeten?”

„Goed,” antwoordde de Lord, „ik kom daar straks ook.”

Bij deze woorden verwijderde hij zich, terwijl de beide heeren zich naar het salon begaven.

Daar gekomen, bestelde Charly, die de bedoeling, van zijn vriend vrijwel doorzag, een flesch wijn en het tweetal was in een geanimeerd gesprek, toen eenigen tijd later Raffles het salon binnenkwam en zich bij hen voegde.

Levison stelde voor, een partijtje kaart te spelen om den tijd te dooden, daar een vrij sterke wind was komen opzetten, die het verblijf op dek minder aangenaam maakte.

Lord Lister en Charly stemden toe en de antiquiteitenhandelaar [10]stond op om den steward te bellen en dezen een spel kaarten te vragen.

Van dit oogenblik maakte Raffles gebruik om zijn vriend een pakje in de hand te duwen en hem eenige woorden toe te fluisteren.

De steward bracht kaarten. Lord Lister bestelde een flesch champagne en dronk herhaaldelijk met Levison.

Het was er hem om te doen om den man in een vroolijke stemming te brengen.

Levison, die zich zeer vereerd voelde, dat de Italiaansche graaf en diens vriend zich bijna uitsluitend met hem bezighielden, voelde zich verplicht om, nadat de eerste flesch was geledigd, ook champagne te bestellen.

De heeren dronken samen en vroolijk stieten zij met elkaar aan.

Na eenigen tijd, toen het spel uit was, vroeg Lord Lister, of zijn nieuwe kennis van kunstjes met speelkaarten hield.

Deze bevestigde dit en John Raffles wist den man door zijn groote handigheid zoo te overbluffen, dat deze verbaasd uitriep:

„Maar heer graaf, gij kunt tooveren!”

Lord Lister had zijn vriend Charly een wenk gegeven, dat deze het salon zou verlaten.

Deze verwijderde zich schijnbaar toevallig en wachtte voor de deur af, wat zijn vriend en meester zou doen.

Raffles vatte het gesprek weer op en sprak:

„Beste Mr. Levison, ik ben volstrekt geen toovenaar, maar ik heb op mijn reizen veel van dergelijke dingen geleerd en ook in Indië veel kunstjes afgekeken van de fakirs.”

Levison was vol belangstelling.

Hij verzocht den Lord dringend, eens een dergelijk kunststuk te vertoonen. Maar Raffles antwoordde:

„Wij zullen in Londen immers nog wel gelegenheid hebben om elkaar te ontmoeten. Op het oogenblik ben ik daartoe niet in de stemming.”

Levison hield echter niet op met vragen en eindelijk sprak Raffles lachend:

„Nu, dan zullen wij eens probeeren of het gaan zal.”

Hij keek als zoekend in het vertrek rond en zei plotseling:

„Geef mij alstublieft uw zegelring, dien gij daar aan uw vinger hebt. Ik zal hem buiten de deur gooien en na eenigen tijd zal,—als alles goed gaat—de ring zich in uw zak bevinden.”

De antiquiteitenhandelaar zette een ongeloovig gezicht en draaide zijn zegelring aan den vinger rond.

„Gij zijt misschien bang, dat uw ring verloren zal gaan?” vroeg de Lord lachend.

„O, hoe kunt gij denken, heer graaf, dat— —”

„Neem mijn horloge als onderpand, dat de ring goed en wel weer in uw bezit komt.”

Lord Lister reikte hem zijn prachtigen, met juweelen bezetten chronometer toe.

Levison wilde dien eerst niet aannemen, maar eindigde toch met het horloge in zijn zak te steken.

Daarop legde hij zijn zegelring in de uitgestrekte rechterhand van Lord Lister.

Nu nam Raffles hem tusschen duim en wijsvinger der rechterhand en liep met hoog opgeheven arm naar de deur van het salon, waardoor een poosje geleden Charly onopgemerkt was verdwenen.

Hier toonde hij Mr. Levison nogmaals den ring, opende daarop de deur en wierp den ring naar buiten in de gang.

Levison had de bewegingen van den Lord met de grootste oplettendheid gevolgd.

Toen Raffles den ring door de geopende deur wierp, hoorde men duidelijk het neervallen en wegrollen van het kleinood.

Lord Lister liet zijn opgeheven, ledige handen zien, zoodat Levison er zich van kon overtuigen, dat de ring niet meer in zijn bezit was.

Hierop nam hij weer aan tafel plaats.

Lachend sprak Levison:

„Nu zou ik wel eens willen zien, hoe de ring in mijn zak zou kunnen komen!”

Bij die woorden knoopte hij zijn jas van onder tot boven dicht.

„Dit moet gij afwachten!”

John Raffles begon van zijn avonturen in Indië te vertellen en wist al spoedig de belangstelling van Levison zoo volkomen op te wekken, dat deze het geheele voorval bijna vergat.

Juist vertelde Raffles van de verbranding eener weduwe, welke hij in Indië had bijgewoond, en hoe het hem was gelukt, het beeldschoone jeugdige slachtoffer uit de handen harer beulen te redden, toen Charly het rooksalon weer binnentrad.

Het schip schommelde sterk. Charly scheen niet vast op zijn voeten te staan en wilde zich aan den stoel van den Lord vasthouden. Hij greep echter mis en viel languit op den vloer.

Levison was opgesprongen om den jongen man te helpen.

Hierdoor zag hij niet, dat Raffles snel zijn sigarenkoker, [11]die op tafel lag, opende en een voorwerp, dat Charly hem, op het oogenblik, dat hij op den grond viel in de hand had gegeven, in den koker stopte en deze weer sloot.

„Maar, Charly, wat zoek je daar beneden?” vroeg Lord Lister schertsende, terwijl ook hij zijn vriend te hulp kwam.

Lachend over dit kleine ongeluk namen de heeren plaats en de groote onbekende wist weldra de aandacht weer te boeien door zijn interessante verhalen.

De steward bracht reeds de derde flesch champagne.

Levison was steeds vroolijker geworden; hij stond nu op en hield een speech, waarin hij de hoop uitsprak, in Londen nog verscheidene prettige dagen met de beide heeren door te mogen brengen.

Of hij door een plotselinge hoestbui werd overvallen, of dat de schuimende champagne hem in den neus prikkelde—hoe het zij, hij begon opeens hevig te niezen en te hoesten.

De tranen stonden hem in de oogen en haastig greep hij naar den achterzak van zijn rok om zijn zakdoek te voorschijn te halen.

Hij bemerkte niet, dat bij deze beweging het kostbare pakje op den stoel gleed.

John Raffles had zich bliksemsnel omgedraaid, hem al lachende op den rug kloppend, inderdaad echter om het kleine pakketje onopgemerkt te grijpen en het in zijn eigen zak te doen verdwijnen.

Op hetzelfde oogenblik liet Charly een pakje, dat er precies zoo uitzag, onder tafel glijden.

Nog geheel buiten adem van het hoesten, was Levison juist weer gaan zitten, toen de steward kwam berichten, dat het tijd werd om zich gereed te maken, daar de boot de haven reeds binnenliep.

„Zoo, zijn wij al zoo ver?” riep de groote onbekende.

Hoe laat is het eigenlijk?”

Hij greep naar zijn vestzakje—dit was ledig.

„Ach ja!—mag ik u om mijn horloge verzoeken?” vroeg hij met een beleefde buiging naar Levison.

„Ja, ja! zeker,—maar mijn ring—” stamelde deze, die het tooverkunstje intusschen was vergeten.

„Maar, mijn waarde heer, dien hebt gij allang weer in den zak.”

„Ik!?— — —”

Levison begon ijverig te zoeken, maar kon niets vinden.

De Lord keek lachend naar hem en riep op vroolijken toon uit:

„Kijk dan eens in uw sigarenkoker!”

Levison haalde zijn sigarenétui te voorschijn, dat hij in den loop van het gesprek achteloos bij zich had gestoken.

Hij opende het—en de ring lag erin.

„Neen, heer graaf, gij zijt toch werkelijk een toovenaar. Inderdaad merkwaardig, zeer merkwaardig!”

Onder lachen en schertsen waren de heeren opgestaan en maakten zich gereed om het rooksalon te verlaten, toen Charly, die vooruitliep, naar de tafel wees, waaraan de heeren hadden gezeten en vroeg:

„Maar wat ligt daar? Heeft iemand iets verloren?”

Levison greep onwillekeurig naar zijn rokzak en keek tegelijkertijd om.

Hij verbleekte en als een roofvogel wierp hij zich op het pakje, dat op den grond lag.

„Mijn pakje!” riep hij uit.

Zijn knieën knikten letterlijk.

De schrik had hem weer nuchter gemaakt.

Met onderzoekenden blik bekeek hij het zegel.—

Eerst toen hij zich er van had overtuigd, dat alles onbeschadigd was, en dat de afdruk van zijn ring in het lak duidelijk zichtbaar was, kwam een zucht van verlichting van zijn lippen.

„Gij moogt van geluk spreken, dat mijn vriend het pakje zag liggen. Anders was er alle kans op geweest, dat uw kostbaarheid hier was gebleven!”

„Dan was ik een verloren man geweest, Mr. Brand, ik dank u hartelijk!” sprak Levison, terwijl hij Charly de hand schudde.

Daarop trokken zij alle drie hun overjassen aan, de bagage werd aan kruiers gegeven en zij verlieten de stoomboot om hun reis naar Londen voort te zetten. [12]