[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE DIAMANTENKONINGIN.

„Maar, Jeannette, pas toch op! Nu moest je toch eindelijk weten, hoe dit in elkaar zit!”

De spreekster stampte woedend met haar kleine voetje op den vloer en trok het kamermeisje een strik, welke zij moest bevestigen, uit de hand.

„Gij zijt een verschrikkelijk dom schepseltje! Ik kan je niet gebruiken en zal je wegjagen!”—

Jeannette scheen aan dergelijke uitvallen van drift van haar meesteres gewend te zijn.

Zij antwoordde niets, maar nam zwijgend den strik op en trachtte dien op de daarvoor bestemde plaats te bevestigen.

Het scheen echter, dat zij niet lang genoeg gewacht had, want een nieuwe kreet van woede kwam van de lippen der Française.

Als een koppig kind trapte zij met de voetjes op en neer en riep uit:

„Zie je dan niet, dat je mij zenuwachtig maakt? Laat mij met rust.”

Jeannette nam zwijgend op een stoel plaats. Maar haar meesteres vervolgde:

„Nu, lui schepsel, hoe lang moet ik nog wachten?”

De blijkbaar zeer verwende en nerveuze dame was een klein, gracieus schepseltje met blauwzwart, zacht golvend haar.

Het ovale gelaat vertoonde een Zuidelijk Fransch type. De amandelvormige oogen, die vol vuur waren, werden beschaduwd door lange, zwarte wimpers.

Zich op de heupen heen en weer wiegend, bekeek de diva haar spiegelbeeld.

Dit was inderdaad bekoorlijk, zooals de spiegel, die rijkelijk door electrische lampen werd verlicht, haar verried.

Een zee van vlammen scheen om haar heen te golven. Het tot aan de knieën reikende costuum der diva was als bezaaid met brillanten.

Een kostbaar collier sierde den vollen, blanken hals, waarlangs de zwarte lokken koket neervielen. Het kostbaarste aan het toilet was echter een klein bolerojakje, dat rijk geborduurd was met brillanten, paarlen en fonkelende edelsteenen.…

Er werd op de deur der kleedkamer getikt. Jeannette ging kijken, wie wenschte binnengelaten te worden.

Nog voordat zij de deur kon bereiken, werd deze geopend en een jonge man van ongeveer 24 jaar trad binnen.

De rijzige, voorname gestalte was in avondtoilet gekleed. In het weeke, meisjesachtige gelaat troffen vooral de groote, zachtbruine oogen. Hij hield een ruiker kostbare orchideeën en rozen in de hand.

Met snelle schreden naderde hij de kunstenares en vatte haar hand om deze te kussen.

Anna Fleuron had in den spiegel reeds gezien, wie de binnentredende was.

Een spotachtige uitdrukking ontsierde voor een oogenblik het mooie gezichtje.

Toen de jonge man haar hand wilde nemen, trok zij die snel terug en sprak op norschen toon:

„Laat mij met rust en stoor mij niet! Hoe kom je ertoe, om hier onaangemeld binnen te dringen? Je weet, dat ik daar niet van houd!”

Een uitdrukking van diepe droefheid verscheen op het gelaat van den jongeling, toen hij op doffen toon antwoordde:

„Maar, Anna!—Wat scheelt er vandaag weer aan? Vroeger mocht ik immers altijd— — —”

„Och kom, vroeger,” viel de zangeres hem op onvriendelijken toon in de rede, „vroeger, vroeger—nu wil ik in elk geval, dat je je laat aandienen en mij niet zoo plotseling overvalt!”

De jonge man beet zich op de lippen, terwijl een lichte blos zijn gelaat kleurde. Hij bedwong zich echter en sprak met zachte stem:

„Lieveling, ik hoop, dat deze bloemen je genoegen zullen doen.” [13]

Bij deze woorden had Lord Clowdon den ruiker voor den spiegel der diva neergelegd.

Op geërgerden toon riep deze:

„Die nare bloemen hinderen mij hier, dat moest je begrijpen.”

Met een snelle beweging had zij den heerlijken ruiker opgenomen en hem achteloos in een boek geslingerd. Daarop vervolgde zij:

„Bovendien moet ik dadelijk optreden. Het zou beter zijn, als je nu heengingt.”

Lord Clowdon was bleek geworden, nam zijn hoed op en wendde zich zwijgend naar de deur.

Op dit oogenblik werd er weer geklopt.

Jeannette opende en kwam terug met twee visitekaartjes in de hand.

De diva had een snellen blik op de beide kaartjes geworpen. „Graaf Armani”, las zij en zij sprak:

„Laat de heeren binnenkomen.”

Een blik in den grooten toiletspiegel verzekerde de zangeres, dat zij er werkelijk betooverend uitzag.

Snel nam zij in een zetel plaats en nam een verleidelijke houding aan.

De deur ging open en met veel drukte trad Levison binnen. Achter hem kwam Raffles, die, na een korte buiging, dicht bij de deur staan bleef.

„Mijn kleine duifje, mijn hartje, daar ben ik weer.”

Met deze woorden naderde Levison, trotsch als een pauw, de zangeres en drukte zijn dikke lippen op de hem aangeboden kleine hand.

De oogen der diva waren gericht op de elegante verschijning van Lord Lister.

Levison volgde dezen blik en sprak op zachten toon:

„Die bevalt je zeker wel, mijn duifje”

Anna Fleuron sloeg het kleine mannetje, dat bij deze woorden een kus op haar rozig oor had gedrukt, met haar waaier op den neus.

„Niet brutaal zijn, oompje!”

Levison lachte hartelijk, hoewel men het aan hem zag, dat de liefkoozing met den waaier hem minder aangenaam was geweest. Hij sprak:

„Zij zegt oompje—dat zegt zij altijd.—Maar laat ik u graaf Armani voorstellen, die gaarne zijn hulde aan uw voeten wil leggen.”

Lord Lister kwam naderbij en drukte een kus op de hand der zangeres, welke deze hem met een koket lachje had toegestoken.

Levison stelde daarop Raffles nog voor aan Lord Clowdon onder den naam van graaf Armani en sprak tot dezen, terwijl Raffles zich met de diva onderhield.

„Hij is een oud goed vriend van mij. Ik heb hem gisteren ontmoet, toen hij van een reis om de wereld terugkwam. De graaf stamt uit een zeer oud geslacht.—Een beminnelijk mensch, een fijn mensch, dat verzeker ik u, Lord Clowdon.”

Deze luisterde slechts met een half oor naar deze woorden. Met ijverzuchtige blikken keek hij naar het tweetal.

Graaf Armani scheen zeer opgewekt te babbelen en de diva was in de allerbeste stemming. Tusschen haar kersroode lippen glimlachten de kleine sneeuwwitte tanden, toen zij, met een verleidelijk lachje, sprak:

„Welneen, lieve graaf, gij stoort volstrekt niet. Ik heb nog tijd genoeg voordat ik moet optreden.—En gij kunt hier bij mij wachten, of, zoodra mijn nummer ten einde is, terugkomen,—als gij wilt.”

„Of ik wil?” vroeg Armani, haar hand kussend.

Lord Clowdon volgde dit tooneeltje met gefronst voorhoofd. Zijn hart bonsde met zware slagen.

Hij, die alles, zijn geheele fortuin aan deze vrouw had opgeofferd, hij werd door deze kokette verstooten als een bedelaar, als een hond. Die vreemdeling echter mocht blijven, hij mocht zelfs terugkomen!

Lord Clowdon mompelde met knarsende tanden tot zichzelf:

„Hartelooze kokette! Op die manier beloon jij opofferende liefde?—Maar ik zal de wereld van je bevrijden, opdat je niet nog meer harten kunt breken en namelooze ellende veroorzaken.”

Zijn oogen gloeiden als in koorts.

Levison klopte hem zacht op den schouder en sprak met een lachje:

„Wel, wat scheelt er aan, beste Lord? Gij ziet eruit, alsof gij spoken zaagt. Zijt gij ongesteld?”

Lord Clowdon dwong zich tot een glimlachje en sprak zoo ongedwongen mogelijk:

„Gij hebt gelijk, mijn waarde Levison. Ik heb vandaag zware hoofdpijn. Het is hier tamelijk warm, het zal daarom het beste zijn, als ik heenga.”

Met een koele buiging voor de diva en de heeren nam hij afscheid en verliet de kleedkamer der zangeres.

Levison was tot aan de deur met hem meegegaan en riep hem nog na:

„Neem een bruischpoeder, Mylord, of aspirine; dat helpt mij altijd.”

Anna Fleuron kon niet nalaten, te lachen om de woorden van Levison.

Graaf Armani begreep haar gedachten en sprak op galanten toon: [14]

„Het beste geneesmiddel voor den arme zou een blik vol teederheid uit uw schoone oogen zijn.”

„De Lord wordt werkelijk al te vervelend. Ja, als hij zulk een beminnelijk, onderhoudend mensch was als gij, graaf— —”

De zangeres keek, zonder den zin te eindigen, Raffles met een smachtenden blik aan.

Levison kwam nader en sprak:

„Ik heb het immers wel gezegd, de graaf is een ware toovenaar. Nu heeft hij ons duifje ook weder betooverd.”

Op dit oogenblik weerklonk een electrische bel, die de zangeres op het tooneel riep.

Snel stond zij op, vroeg koket:

„Willen de heeren hier op mij wachten, of—”

Lord Lister viel haar in de rede met de woorden:

„Wij zullen dit genot niet laten voorbijgaan. Wij zullen u nu op het tooneel bewonderen, maar dan dadelijk in dit heiligdom terugkeeren.”

Terwijl de zangeres met haar kamermeisje wegsnelde, begaven Lord Lister en de handelaar in oudheden zich naar hun loge.

Slechts eenige oogenblikken bleef de kleedkamer der diva leeg; de deur werd weer geopend en Lord Clowdon trad binnen.

Het gelaat van den jongen man was vaalbleek. Zijn oogen glansden onnatuurlijk, zijn borst ging met krampachtige schokken op en neer.

Met een schuwen blik keek hij in de kleedkamer der zangeres rond.

Daar lagen de bloemen, welke zij achteloos weg had geworpen. Hij ging erheen en nam werktuigelijk den ruiker op.

Tranen stonden in zijn oogen.

Hij verborg zijn gelaat in de bloemen, die hem met heur zachte geuren streelden, alsof zij het verdriet en de wanhoop wilden verzachten, welke in zijn hart zetelden.

Hevig snikkend zonk hij op een stoel neer.

„Ik heb zoo onuitsprekelijk veel van je gehouden,” klonk het van zijn lippen, „en op deze wijze beloon je mij. Ik kan het leven niet langer dragen. Alles heb ik opgeofferd en ondanks alles je liefde, die mij zoo gelukkig maakte, verloren.

Het leven heeft op deze wijze geen waarde meer voor mij, ik doe er afstand van.”

Langzaam richtte hij zich op.

Een vastberaden uitdrukking kwam op zijn gelaat, toen hij verder sprak tot zich zelf:

„Ja, ik wil sterven. Maar jij, schoone duivelin, zult met mij sterven.…”

Het geluid van honderden applaudisseerende handen duidde aan, dat het nummer der zangeres ten einde was. Ademloos luisterde Lord Clowdon, daarop mompelde hij:

„Hem lacht zij nu verleidelijk toe en voor mij heeft zij geen blik over. Doch wacht maar! Nimmer meer zult gij worden betooverd door het gezang dier sirene!”

Hij hoorde schreden naderen.

Met één sprong was de Lord naar de deur gesneld en was zoo gaan staan, dat hij bij het opengaan der deur voor den blik der binnentredenden verborgen was.

Anna Fleuron, op wier gelaat nog een zegevierende uitdrukking lag wegens het behaalde succes, trad binnen. Zij droeg een groote bloemenmand, die gevuld was met de kostbaarste bloemen.

Toen de bloemenweelde, waaraan zij na ieder optreden gewend was, ook nu op haar neerdaalde, had zij aan deze mand het kaartje van graaf Armani zien hangen.

Daar deze nieuwe kennis haar belangstelling opwekte, wilde zij den graaf aanmoedigen door zijn bloemenhulde zelf mee te nemen, terwijl de andere stukken eerst later door haar kamenier naar haar kleedkamer werden gebracht.

De zangeres kwam alleen het kleine vertrek binnen. Maar op ditzelfde oogenblik kwam Lord Clowdon uit zijn schuilhoek te voorschijn om met zijn dolk het hart der zangeres te doorboren.

Deze overval kwam geheel onverwacht.

Werktuigelijk drukte zij de bloemenmand tegen zich aan en slaakte een kreet om hulp. Daarna viel zij bewusteloos op den grond.

De Lord meende, dat hij zijn geliefde had vermoord en wilde juist het koude staal in zijn eigen hart boren, toen zijn arm door een ijzeren vuist werd gegrepen en de dolk hem in een oogenblik werd afgenomen. (Zie het titelblad.)

Het was Raffles, die zich uit de loge weer naar de kleedkamer der zangeres begaf en door den angstkreet opmerkzaam gemaakt, was komen aansnellen.

„Ongelukkige, wat hebt gij gedaan?” riep hij tot den bleeken man.

De jonge Lord Clowdon had door de groote ontroering, die zich van hem meester had gemaakt, het bewustzijn bijna verloren.

Hij viel in een stoel neer en weende als een kind. [15]

Snel had Raffles zich over de nog steeds bewusteloos op den grond neerliggende zangeres gebogen en haar met zijn sterken arm op een rustbed getild.

Hij constateerde, dat zij alleen een onbeduidende vleeschwond aan den linkerbovenarm had gekregen.

De stoot, die Lord Clowdon op het hart der zangeres had gericht, was weliswaar zeer hevig geweest, doch de dolk was op het hengsel van de bloemenmand uitgegleden.

Levison, die bij de deur der loge met een kennis een onderhoud had, trad nu eerst, bijna te gelijk met de kamenier, de kleedkamer binnen.

„Wat is hier gebeurd?” vroeg hij geheel ontsteld aan den graaf.

Deze gebood hem te zwijgen en trachtte eerst met behulp van de kamenier het leven weer op te wekken bij de zangeres, door haar een fleschje eau de cologne onder den neus te houden.

Weldra sloeg de schoone sirene de oogen weer op.

Toen zij graaf Armani over zich heengebogen zag, fluisterde zij op teederen toon:

„Mijn levensredder!”

Daarna scheen zij het bewustzijn weer te verliezen.

Raffles gaf orders, dat de zangeres zoo spoedig mogelijk naar huis zou worden gebracht.

Daarop wendde hij zich tot den jongen Lord, die nog als een wanhopige in zijn stoel zat.

„Het zal goed voor u zijn, Mylord, om u een beetje te verkwikken in de frissche lucht! Kom mee, ik zal u vergezellen.”

Willoos liet Lord Clowdon zich door Raffles wegleiden, terwijl Levison zich bezighield met de nog steeds bewustelooze diva.