[Inhoud]

NEGENDE HOOFDSTUK.

DE VALSCHE RAFFLES.

Toen Raffles en Charly ongemerkt de villa van den rentenier hadden verlaten en in een auto hadden plaats genomen, wilde de Groote Onbekende zijn vriend de geroofde kostbaarheden in bewaring geven.

Deze weigerde echter en sprak:

„Ik ben het niet met die maatregelen eens, Edward. Wat hebben die menschen misdaan, dat je hen bijna allen hebt bestolen? Dat was onbillijk van je!”

„Mijn beste Charly, ik weet heel goed, wat ik doe. Die lieden kunnen hun kleinoodiën best missen en zullen, ondanks dit verlies, geen gebrek lijden.

De waardevolle artikelen, die ik hier heb, zullen mij echter in staat stellen een rampzalige voor het ergste te bewaren en hem uit een groot gevaar te redden.

Ik weet nog niet, of het mij zal gelukken nog heden den jongen Lord Clowdon tenminste voor een gedeelte te helpen aan het vermogen, dat hij heeft verkwist ter wille van de hebzuchtige Anna Fleuron.

Hij moet echter weg uit Londen en zoo mogelijk in de eerstvolgende uren; anders zou het best kunnen zijn, dat hij ook nog in hechtenis wordt genomen, daar die vrouw er zich niet voor heeft geschaamd, om de zoogenaamde poging tot moord als reclamemiddel bekend te maken.

Ik zelf ben op het oogenblik niet in staat, hem het noodige geld te verschaffen en daarom moeten, in geval van nood, deze kostbaarheden helpen.”

„Eigenlijk maak je mij altijd beschaamd, Edward; ik meende je te betrappen op oneerlijke handelingen en moet weer erkennen, dat je je edel doel om de nooddruftigen te helpen, nooit uit het oog verliest.”

Charly drukte zijn vriend innig de hand.

Op dit oogenblik reed de auto langs een postkantoor.

Raffles liet stilhouden en, zonder zijn vriend te vertellen wat hij ging doen, verdween hij snel in het gebouw.

Reeds na eenige minuten verscheen hij weer. Hij lachte vergenoegd en sprak, weer instappend, tot Charly:

„Ik heb onzen geachten gastheer de moeite bespaard om de politie te alarmeeren. In zijn naam heb ik zoo even per telefoon mijn vrienden van Scotland Yard meegedeeld, dat bij Mr. Dickson een groote diefstal heeft plaats gehad.

In elk geval zal men zeer verbaasd zijn, als daar plotseling de politie komt opdagen. Nu kunnen de gasten hun verklaringen onmiddellijk laten opschrijven, zoodat het proces-verbaal kan worden opgemaakt. Ja, ja, men moet zijn lieven medemenschen het leven altijd zoo aangenaam mogelijk maken.”

Charly moest hartelijk lachen om deze overmoedige daad van zijn vriend.

Raffles was ernstig geworden. Hij keek peinzend uit de raampjes der auto naar buiten en het was zeer duidelijk aan zijn intelligent gelaat te zien, dat hij nieuwe plannen smeedde.

Na een korte pauze sprak hij tot Charly:

„Jij rijdt dus nu zoo snel mogelijk naar het hotel, betaalt onze rekeningen en bezorgt alles aan het station.—

Ik spoed mij intusschen naar het rendez-vous, dat ik [26]met Fleuron heb en zal eens zien, wat ik in het belang van den jongen Lord Clowdon kan doen.

Hopelijk zal mijn plan gelukken.

Je moet mij aan het station wachten. Ik denk over hoogstens een uur daar te zijn en dan zullen wij wel eens zien, waarheen wij ons voorloopig zullen begeven.”

Raffles liet de auto stilhouden, hij deelde den chauffeur het adres mede van het hotel, waar zij woonden en waarheen Charly zou terugkeeren, om alles voor de op handen zijnde reis in gereedheid te brengen.


Toen de gasten, die in de salons van den heer Dickson bijeen waren, vernamen, dat een der beide heeren plotseling ongesteld was geworden, spraken allen hun leedwezen hierover uit.

De bange voorgevoelens, die bij sommige der gasten waren opgekomen, verdwenen weer, want dit was immers de verklaring, waarom de graaf en zijn vriend nog niet waren teruggekeerd.

Alleen kon men niet goed begrijpen, waarom geen der beide heeren iets had medegedeeld van die plotselinge ongesteldheid, of tenminste had getracht, hulp te verkrijgen in de woning van den gastheer. Aan de kostbaarheden dacht men op dat oogenblik niet eens.

De vrouw des huizes, die haar kostbaar collier in de Indische vaas had gelegd, was de eerste, die zoekend naar haar eigendom rondkeek.

Nergens echter was de vaas te ontdekken.

Een der bedienden fluisterde Mr. Dickson toe, dat hij had gezien, hoe de heeren bij het verlaten der kamer de vaas hadden meegenomen.

„Dan zal zij ginds in de voorkamer staan,” sprak Dickson en begaf zich daarheen.

Eenige der gasten volgden hem en—ziedaar, in een der vensternissen stond het gezochte voorwerp.

Levison, die, vervuld met sombere voorgevoelens, met den gastheer was meegegaan, was de eerste, die zich haastte om in de vaas te kijken.

Na eenige oogenblikken richtte hij zijn hoofd weer op; zijn gelaat was doodsbleek geworden en het angstzweet parelde op zijn voorhoofd.

De vaas was leeg— — —

Op den bodem lag slechts een onnoozel zakmes, dat ook door een der gasten voor het tooverkunststuk was afgestaan, als treurig overblijfsel van alle kostbaarheden, die daar zooeven bewaard waren geweest. Daarnaast lag een klein briefje.

Levison haalde het te voorschijn en las:

„Mijne vrienden!

Alle tooverkunstjes eindigen ten slotte in bedrog!— — —

Met vriendelijken dank voor de gastvrije ontvangst en voor de welwillende hulp ben ik gaarne

GRAAF ARMANI = JOHN C. RAFFLES.

Een kreet van woede ontsnapte aan Levisons dikke lippen. Als krankzinnig danste de kleine man van het eene been op het andere.

Buiten zichzelf van woede sloeg hij zich met de gebalde vuisten tegen het voorhoofd en riep:

„O, ezel die ik ben! Tiendubbel kameel! En ik heb zelf dezen schurk, dezen bedrieger een handje geholpen!”

Mr. Dickson, wien dit onaangename voorval in zijn huis uiterst pijnlijk was, wilde den opgewonden man tot kalmte brengen.

Deze sloeg echter met handen en voeten om zich heen en schreeuwde:

„Ezel, die ik ben! Ezel, die ik ben!—Zulk een aartsgauwdief, zoo’n schurk, zoo’n ellendeling! Eerst heeft hij mij den handschoen ontstolen, zoodat ik 8000 francs schade heb en nu gaat hij er nog vandoor met mijn ring en horloge! O, zoo’n schurk, zoo’n gauwdief!”

Door het geschreeuw waren de andere gasten naderbij gekomen—het trappenhuis vulde zich met de genoodigden van Mr. Dickson.

Als een loopend vuurtje verspreidde zich onder hen het bericht van den grooten diefstal.

Kreten als: „Zulk een dief! Hoe, die charmante graaf! Raffles!—De spitsboef!—Waar is de schurk?—” klonken verward dooreen.

Eenige dames waren flauw gevallen, wat de algemeene verwarring nog grooter maakte.

„Een dokter!”—„Water!”—„Eau de cologne!”—„De Dief!”—„Hulp!”—„Ik sterf!”—„Politie!”— —

Te midden van dit oorverdoovend lawaai klonken drie forsche slagen op de deur, die toegang gaf tot de villa.

Als geëlectriseerd luisterden allen.

Dat waren de drie slagen, welke de terugkomst van den toovenaar zouden aankondigen. Zou dan toch alles een nieuwe grap zijn geweest?—

Vol blijde verrassing keken de gasten elkaar aan en uit damesmonden klonk het:

„Daar is hij weer terug, de beminnelijke graaf! Gelukkig! [27]Ik wist het wel!—Dat kon onmogelijk een spitsboef zijn!”

De bedienden haastten zich om de deur te openen en binnen kwam,—wel is waar niet de vurig verwachte graaf Armani—maar wel de bekende politie-inspecteur Baxter.… Hij was vergezeld door den gemoedelijken detective Marholm en een aantal agenten.

Een algemeene kreet van verbazing weerklonk, toen de beambte beleefd groette en sprak:

„Mr. Dickson, gij hebt mij laten roepen naar aanleiding van den bij u gepleegden diefstal. Hier ben ik om nadere bijzonderheden vast te stellen.”

Dickson was stom van verbazing.

„Zou ik u hebben laten roepen?” stamelde hij eindelijk. „Ik ben de laatste uren mijn huis niet uit geweest en heb een dergelijk bevel ook niet gegeven.”

Inspecteur Baxter’s voorhoofd vertoonde diepe rimpels. Op ernstigen toon antwoordde hij:

„Voor ongeveer tien minuten geleden hebt gij persoonlijk het bureau van politie telefonisch opgeroepen en medegedeeld, dat bij u een groote diefstal was gepleegd. De dief bevond zich nog in uw huis, er moesten dus onmiddellijk beambten worden gezonden.”

„Ik? Maar geen haar op mijn hoofd heeft daaraan gedacht!”

„Maar Mr. Dickson, gij hebt immers nadrukkelijk verlangd, dat ik, inspecteur Baxter, persoonlijk zou meekomen.”

Geheel van streek antwoordde de rentenier:

„Ik heb u werkelijk niet laten roepen, inspecteur, maar— — —”

Baxter liet hem niet uitspreken en vroeg op barschen toon, zich tot de gasten richtend:

„Is hier iemand bestolen?”

„Zeker, ik!”—„Ik ook!”—Wij allen!”„Mijn armband!”—„Mijn ring is weg!”—„Mijn horloge heeft de schurk!”—„Ik ben ook bestolen!”—klonk het van alle kanten.

Inspecteur Baxter nam Dickson van top tot teen op en sprak:

„Eerst maakt gij melding van den diefstal en nu wilt gij ontkennen?—Wie zoo doet, handelt zeer verdacht,” voegde hij er met nadruk aan toe.

„Neem mij niet kwalijk…” wilde de huisheer zich verdedigen.

„Gij moet uw mond houden, totdat ik u iets vraag!” snauwde Baxter.

Hierop wendde hij zich tot twee beambten en beval:

„Brengt dien man daar in die leege kamer en bewaakt hem!”

Dickson voelde zich ten diepste gekrenkt en was woedend. Hij verzette zich wanhopig met handen en voeten, maar het hielp hem niets.

Twee pootige politie-agenten grepen den mageren rentenier beet en duwden hem in de leege kamer, waarvan zij de deur achter zich sloten.

Toen de politie zoo opeens op het tapijt verscheen, greep met Levison een merkwaardige verandering plaats.

Hij scheen zich niet op zijn gemak te voelen. Met schuwe blikken keek hij om zich heen en trachtte ongemerkt een schuilhoek te vinden. Hij had zijn zakdoek te voorschijn gehaald en bedekte daarmee, terwijl hij schijnbaar zijn neus snoot, zijn gelaat. Intusschen trachtte hij, zonder opgemerkt te worden, de trap op te sluipen om in een anderen vleugel van het huis te verdwijnen.

Nadat men Dickson had weggebracht, vloog de blik van Baxter langs het gezelschap.

„Niemand mag het huis verlaten! Alle uitgangen moeten worden bezet!”

De beambten volgden dit bevel op en inspecteur Baxter klom met Marholm en eenige agenten de breede trappen op.

Boven gekomen, liet hij een tafel voor zich neerzetten en nam plaats om het verhoor te beginnen.

Allen drongen naderbij en iedereen deed moeite om het eerst aan het woord te komen.

Luide kreten klonken door elkaar, zoodat de inspecteur nauwelijks aan het woord kon komen. Met kracht sloeg hij met de vuist op tafel en luidkeels riep hij:

„De een na den ander! Alleen hij mag antwoorden, wien ik iets vraag!”

Toen eindelijk het eigenlijke verhoor kon beginnen, was het eerste, wat in zijn ooren klonk, de naam Raffles.

Als door een venijnig beest gestoken, sprong Baxter op. Een donkere blos bedekte zijn gelaat en woedend riep hij uit:

„Wat? Alweer die aarts-schurk?”

Men overhandigde hem het briefje, dat men in de Indische vaas had gevonden.

Bij het lezen daarvan was Baxters gelaat van woede verwrongen, terwijl Marholm een glimlach niet kon onderdrukken.

In den inspecteur was onmiddellijk de vurige wensch opgekomen om den reeds zoolang gezochten vijand tot elken prijs in handen te krijgen. Hij staakte het verdere verhoor en snelde bijna zinneloos van opgewondenheid naar de vertrekken in den anderen vleugel van [28]het gebouw, want hij was ervan overtuigd, dat Raffles zich nog in huis bevond.

Na eenige oogenblikken reeds kwam een bediende naar hem toe.

„Heeft iemand het huis verlaten?” beet hij dezen toe.

„Een heer ging zooeven de achterdeur bij de keuken uit.”

Zonder een nadere verklaring af te wachten, snelde Baxter voorwaarts.

Haastig had hij de achterdeur der villa bereikt en, buiten komend, zag hij, hoe een man zoo snel mogelijk trachtte te ontkomen.

Baxter ijlde, zoo snel hij kon, den vluchteling na.

Toen deze bemerkte, dat hij achtervolgd werd, spande hij zijn krachten in tot het uiterste.

Het werd een dolle jacht.

Toen de vluchteling een hoek omsloeg, kwam er juist een leeg rijtuig aan. Hij sprong er in en voorwaarts ging het, in vluggen draf.

Een kreet van woede kwam van Baxter’s lippen, toen hij den vluchteling zag wegrijden. Hij keek om, of er ook voor hem niet een rijtuig verscheen, maar daar het reeds laat was, was de straat eenzaam en verlaten.

Baxter wist niet, wat hij zou doen. Een geheelen tijd trachtte hij het rijtuig te volgen, maar hij zag wel in, dat hij dit onmogelijk vol kon houden.

Eindelijk kwam bij de volgende straat een leeg rijtuig van den anderen kant aanrollen.

Baxter sprong er in en beval den koetsier, het rijtuig, dat in de verte zichtbaar was, zoo snel mogelijk te volgen.

Het rijtuig, waarin de inspecteur zat, had uitstekende paarden en weldra werd de afstand tusschen den vluchteling en diens vervolger kleiner.

Baxter stond in ademlooze spanning rechtop in het rijtuig.

Hij had zijn revolver te voorschijn gehaald en vuurde nu in de lucht om de aandacht te trekken van den koetsier, die den vluchteling reed.

Deze keerde zich dan ook om en Baxter schreeuwde met alle kracht van zijn longen:

„Stilstaan! In naam der wet!”

De dolle vaart wekte de aandacht der voorbijgangers op, vooral, daar men nu in drukkere straten was gekomen.

Toen het eerste rijtuig stil bleef staan, had zich dadelijk een groote menschenmassa gevormd, die met elk oogenblik nog grooter werd, daar het schot tot op verren afstand was gehoord.

Men meende een gevaarlijk misdadiger voor zich te hebben. Het volk, als altijd strijdlustig gezind, had den man, die in het rijtuig zat, onder luid hoerageroep gegrepen en naar buiten getrokken.

Vuistslagen vielen als hagelsteenen neer op den glimmenden cylinder van den vluchteling, zoodat deze hem reeds tot over de ooren was gezakt, toen inspecteur Baxter aankwam.

Deze baande zich een weg door de menigte.

Uit het inwendige van den hoed klonken doffe kreten.

„Wacht, jou schurk, nu heb ik je eindelijk!” riep Baxter en trok den hoed van het hoofd, dat hij nog niet gezien had.

Toen kwam het van angst verwrongen gelaat van den kleinen Levison te voorschijn.

Zooals deze reeds aan den valschen graaf Armani had verteld, wenschte hij volstrekt niet met de politie in aanraking te komen. Toen deze nu zoo onverwacht in de villa van Dickson was verschenen, hield Levison het voor raadzaam om zich zoo spoedig mogelijk uit de voeten te maken en door zijn overgrooten angst was hij nu in de val geloopen.

Baxter, voor wien Levison geen onbekende was, keek zijn gevangene verbaasd aan.

In de verwarring van het oogenblik stamelde hij:

„Maar gij zijt Raffles toch niet?”

„Ach neen, inspecteur, ik ben Levison,” antwoordde een klagende stem.

„Voor den duivel, mijnheer, wat doet gij hier?”

„Ik was op weg naar huis!”

De inspecteur had zijn zelfbeheersching teruggekregen en vroeg op strengen toon:

„Gij komt immers uit de villa van Mr. Dickson?”

Levison antwoordde bevestigend.

„Ik heb immers verboden, dat zich iemand van daar mag verwijderen. Mijn bevelen moeten nauwkeurig worden opgevolgd! Ge gaat oogenblikkelijk mee terug!”

„Met genoegen, heer inspecteur,” verzekerde de kleine man met een zucht en stapte in het rijtuig van den inspecteur.

In zijn verwarring had hij echter vergeten, zijn koetsier te betalen. Deze drong zich nu door de menschenmassa en eischte op energischen toon zijn geld. Met bedroefd hart moest de gevangene, die op dezen ongelukkigen tocht reeds zijn mooien cylinder had [29]verloren en wiens elegante smoking danig gehavend was, nu ook nog betalen.

Onder het gejoel en de scheldwoorden der omstanders reed hierop het rijtuig naar Dickson’s villa terug.

Daar heerschte groote verwarring.

De aanwezigen waren zeer ongeduldig geworden en tot het uiterste verbolgen over het optreden van inspecteur Baxter, die was weggegaan en hen allen als gevangenen had achtergelaten.

Toen de beambten van politie Mr. Dickson op zulk een brutale manier in de leege kamer hadden opgesloten, was zijn echtgenoote in onmacht gevallen. Men hield zich met haar bezig, en wilde om een dokter zenden, maar ook dit werd niet toegestaan door de politie-agenten, die zich strikt aan de bevelen van hun chef hielden en niemand veroorloofden om het huis te verlaten.

Zoodoende was voor allen de toestand zeer pijnlijk en men herademde letterlijk, toen eindelijk de inspecteur, vergezeld door Levison, terugkwam.

Het verschijnen van den vluchteling was een nieuwe verrassing, want niemand had opgemerkt, dat Levison er van door was gegaan en niemand kon begrijpen hoe de kleine man in zulk een beklagenswaardigen toestand was gekomen.

Op de vragen, die men hem van alle kanten deed, antwoordde hij slechts met een verlegen schouderophalen en men vernam alleen, dat hij had getracht, zoo snel mogelijk naar huis te komen, omdat hij genoeg had gehad van het lawaai.

Na een paar uur was eindelijk het uitvoerige verhoor der aanwezigen afgeloopen en had Baxter zijn proces-verbaal gesloten.

Door de mededeeling der gasten had hij zich overtuigd, dat op Mr. Dickson geen spoor van verdenking kon vallen en hij zag zich gedwongen den zoo onrechtvaardig behandelden gastheer weer vrij te laten.

Hij was echter zoo verontwaardigd over het feit, dat Raffles hem ook dezen keer weer was ontkomen, dat hij geen enkel woord van verontschuldiging kon vinden.

Met de woorden:

„U zult er wel meer van hooren!” verliet hij de villa van den rentenier, terwijl de gasten met zeer gemengde gewaarwordingen achterbleven. [30]