In het „Internationale tijdschrift voor Kunst” stond op zekeren dag de volgende advertentie:
„Een geleerde is van plan een wetenschappelijk werk over oude Italiaansche schilderijen en hun copieën uit te geven. Hij verzoekt derhalve alle artisten en kunstliefhebbers, welke goede copieën bezitten van oude Italiaansche schilderijen, in het belang der wetenschap, hun adres op te geven bij directeur Professor Ciatti, Florence.”
Toen Lord Lister zich bij directeur Ciatti liet aandienen, kwam deze hem tegemoet met een stapel brieven in de hand.
„Uw raad was voortreffelijk, hooggeachte Mr. Baxter”, sprak hij op opgewekten toon. „Deze hoop brieven kwam alleen van artisten, welke in den loop der laatste 40 jaar onze Madonna van Rafaël hebben gecopieerd.”
„Gij weet nu zeker wel, heer directeur, wiens penseel de voortreffelijke copie heeft kunnen vervaardigen, die inplaats van het gestolen schilderij is achtergelaten”, sprak Raffles.
„Jawel. Ik heb al de brieven doorgekeken en ik geloof, dat er de naam bij is van den persoon, aan wien de copie kan worden toegeschreven.”
„En die is?” vroeg Raffles.
„Professor Grombeck te Rome”, sprak de directeur.
„Aha! Dat is mijn vriend!” viel Raffles hem verbaasd in de rede.
„Kent gij professor Grombeck?” vroeg de directeur verrast.
„Ja, van zijn reis naar Amerika”, antwoordde de vermeende inspecteur. „Wat schrijft hij?”
Professor Ciatti overhandigde hem den brief.
„Hooggeachte heer!” schreef de bekende schilder. „Bij dezen ben ik zoo vrij, u mede te deelen, dat ook ik eens een groot Italiaansch doek heb gecopieerd en wel de beroemde Madonna van Rafaël, die zich in het Museum te Florence bevindt. De copie is helaas sinds langen tijd niet meer in mijn bezit.
Met de meeste hoogachting
GROMBECK.”
„Gij gelooft dus stellig, dat Grombeck de copie heeft gemaakt?” vroeg Raffles, nadat hij den brief had gelezen.
„Ja, stellig! Ik wilde zelfs dadelijk nadere inlichtingen van den professor vragen.”
„Ik verzoek u, dat niet te doen”, viel Raffles den directeur in de rede. „Ik wilde gaarne, dat gij eenige dagen lang niets zonder mijn voorkennis deedt. Ik vertrek nog heden naar Rome. Mijn adres is post-restant.”
— — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — —
Spoedig daarna zat de Groote Onbekende in den spoortrein en las de courant, toen plotseling een artikel zijn aandacht trok:
„Museum-diefstallen.
Hedenmorgen bevatte ons blad het bericht omtrent een nieuwen, belangrijken diefstal, welke in een onzer nationale verzamelingen is gepleegd.
Dezen keer geldt het een kostbaren Renaissance-spiegel, die eens aan de beroemde heeft toebehoord.
Het laatst was dit kostbare stuk het eigendom van de hertogin der Abruzzen, welke het aan de koninklijke verzameling ten geschenke gaf.
Steeds opnieuw moeten wij erop wijzen, hoe slecht onze musea worden bewaakt. De lijst van de gestolen voorwerpen groeit op onrustbarende wijze.
En het is merkwaardig, dat al deze diefstallen bijna tegelijkertijd worden gepleegd. Heeft men hier te doen met een epidemie of vallen onze kunstvoorwerpen in handen van een wijdvertakte bende? [8]
Maar hoe het ook zij, het wordt tijd, dat er een eind komt aan het bedrijf van deze brutale misdadigers!”
Zoo eindigde het artikel in de courant.
Raffles zat een poosje na te denken.
„Het schijnt inderdaad”, sprak hij tot zichzelf, „dat ik mij in dit land der kunst met de kunst moet bezighouden, maar op een zeer eigenaardige manier.”
Nog voordat John Raffles zich den volgenden dag naar zijn vriend, professor Grombeck, begaf, nam hij op het postkantoor een telegram in ontvangst van directeur Ciatti, van den volgenden inhoud:
„Verzoeke u dadelijk te melden bij den museum-directeur van het Quirinaal. Persoonlijk onderhoud noodzakelijk!”
„Dat dacht ik wel”, mompelde de Groote Onbekende.
In het paleis van het Quirinaal, de verblijfplaats van den Koning, kon Lord Lister slechts met moeite den directeur te spreken krijgen.
De kunstverzamelingen waren voor het publiek gesloten. Onder de beambten heerschte de grootste opgewondenheid.
Al vertegenwoordigde de gestolen spiegel ook geen bijzonder groote waarde, toch was het een ongehoord geval, dat uit de persoonlijke eigendommen van den Koning op klaarlichten dag iets was gestolen.
De directeur was de kluts kwijt.
Door de politie werd huiszoeking gedaan bij verschillende beambten van het Quirinaal-museum, maar niets werd gevonden. De beambte, onder wiens bijzonder toezicht de gesloten glazen kast stond, waaruit de spiegel was ontvreemd, werd gevangen genomen.
De Groote Onbekende vernam al deze bijzonderheden van den directeur. Deze hooggeplaatste ambtenaar verzocht den vermeenden inspecteur Baxter dringend om hulp. Hij had van diens verblijf te Florence gehoord en nauwelijks was de diefstal van den spiegel ontdekt, of hij richtte zich tot zijn collega, professor Ciatti.
De directeur zegende het toeval, dat Baxter zich te Rome bevond en de Italiaansche koninklijke beambte aarzelde geen oogenblik, om de geheele aangelegenheid aan Raffles toe te vertrouwen.
Wat nu te doen?
Lord Lister was sinds zijn komst te Florence in een aantal moeilijkheden gewikkeld, tot welker oplossing in het geheel geen gegevens voorhanden waren.
De verwisseling van het beroemde schilderij van Rafaël, de moord op Pasini—want voor Raffles stond het vast dat men hier met een moord te doen had—en nu den diefstal van den kostbaren spiegel. Aan welke van deze drie problemen zou hij zijn krachten en zijn scherpzinnigheid wijden?
Iedere detective zou in zijn plaats beginnen met zich met een dezer drie gevallen bezig te houden. Maar Raffles was een geheel ander mensch.
Hij wist, dat er voor hem geen toeval bestond. De opeenvolgende reeks van zijn ervaringen en avonturen, zooals die zich geleidelijk achter elkander hadden afgespeeld, was voor hem niet, zooals voor gewone menschen, een spel van het toeval.
Zijn instinct deed hem altijd eenig verband vinden tusschen de op zich zelf staande, schijnbaar van elkaar onafhankelijke gebeurtenissen.
En daarom besloot hij nu, om te trachten alle drie misdaden tegelijkertijd op het spoor te komen en, zoo mogelijk, van al deze drie gevallen den dader te vinden.
Toen Lord Lister bij zijn vriend, professor Grombeck kwam, bevond deze zich juist in de Campagna, de groote Romeinsche laagvlakte, waar hij aan een landschapsschilderij werkte. Raffles moest een geheelen dag wachten, voordat Grombeck terugkwam.
Hij keerde daarom naar het Quirinaal-museum terug en bestudeerde daar de zaal en de glazen kast, waaruit de spiegel was gestolen.
Maar hij kon niets bijzonders ontdekken. Het slot der kast was geheel onbeschadigd en toen hij vroeg, wie den sleutel van dit slot bezat, kreeg hij ten antwoord, dat deze anders in handen van den beambte Grasso was, die zich nu in hechtenis bevond.
Om zijn tijd zoo mogelijk nuttig te besteden, besloot Raffles nu, om, voordat zijn vriend, de schilder, terugkwam, een bezoek te gaan brengen bij de familie van den gevangen genomen Grasso.
Hij verwachtte, in verband met de verdenking, die op Grasso rustte, een vuile bende te zullen vinden van twijfelachtige eerlijkheid. Maar hij was aangenaam verrast, toen hij een kleine, zeer zindelijke woning binnentrad en de vrouw van den beambte hem, zelfs in haar ongeluk zeer vriendelijk, tegemoet kwam.
Het was een slanke, donkergelokte vrouw met levendige, diep zwarte oogen, een echte Italiaansche schoonheid. Dadelijk daarna verscheen ook de moeder van den gevangene, een oud, door de jaren gebukt vrouwtje met zachte, goedige gelaatstrekken.
John Raffles stelde zich voor als collega van Grasso en binnen eenige oogenblikken wist hij het vertrouwen der beide vrouwen te winnen. Oprecht en openhartig vertelden zij hem, hoe zij aanvankelijk geheel verslagen [9]waren geweest door de inhechtenisneming van den beminden zoon en echtgenoot. Zij twijfelden echter geen oogenblik aan zijn onschuld en beschouwden het alleen als een verzoeking van Hooger Hand, dat zij zoo lang moesten wachten en lijden, voordat de waarheid aan het licht kwam.
Daar de beide vrouwen in Raffles een vriend zagen, toonden zij hem alle notitieboeken, brieven en papieren van den gevangene, maar hoe nauwkeurig Raffles dit alles ook doorkeek, hij vond daarin niet het minste, wat aanleiding kon geven om Grasso te verdenken, aandeel te hebben in den diefstal.
Het was reeds avond geworden, toen Raffles de goede menschen verliet. Het was heerlijk, zacht weer, een der lenteavonden, waarin Rome, de oude stad, in den vollen tooverglans van haar antieke pracht straalt.
Raffles besloot, te voet naar zijn hotel terug te keeren en zich onderweg in de frissche lucht geheel aan zijn gedachten over te geven.
Hij wist het: als het koele verstand zweeg, dan wees zijn phantasie hem nieuwe wegen en middelen, die als uit zijn ziel opdoken.
De familie Grasso woonde in het midden der oude stad. De nauwe en kromme straatjes, waarin ook een inwoner der stad slechts met moeite den weg kan vinden, geleken Raffles een doolhof. Nadat hij een tijdlang rondgewandeld had, ging hij onder een lantaarn staan en haalde een kaart van den platten grond van Rome te voorschijn om zich omtrent den weg te oriënteeren.
Hij was zoo in dit werk verdiept, dat hij niet bemerkte, hoe op het oogenblik, waarop hij de kaart uit zijn zak haalde, daaruit een couvert op den grond viel.
Raffles teekende den weg, dien hij moest nemen, op de kaart aan, stak zijn gids weer bij zich en ging langzaam en nadenkend verder.
Opeens hoorde hij achter zich roepen:
„Signore! Signore!”
Hij keek om en zag een jongen van ongeveer twaalf jaar, die buiten adem met een couvert in de hand naar hem toekwam.
„Gij hebt iets verloren!” riep het kind buiten adem en gaf Raffles het couvert.
Op het eerste oogenblik herkende de Groote Onbekende zijn eigendom niet eens. Maar nu viel hem in, dat hij in Florence, bij de vervolging van den Amerikaan, dezen in het wijnlokaal te zamen met de gesluierde dame ongemerkt had gephotografeerd.
Later had hij deze moment-opname laten vergrooten en ze in zijn zak gestoken.
Om zich ervan te overtuigen of het werkelijk de photo was, die hij zooeven had verloren, opende hij het couvert.
Raffles stond naast een helder verlichten winkel. Tegenover hem stond de jongen en zijn zwarte, vonkelende oogen volgden nieuwsgierig elke beweging van den vreemden heer.
Opeens slaakte hij een kreet van vreugde, wees naar de photographie en riep:
„O, de signora, de vreemde dame!”
Raffles keek op.
„Je bent een brave jongen”, sprak hij. „Daar heb je een paar soldi, omdat je mij het couvert hebt terug gegeven.”
„Ik dank u zeer, signore!” riep de jongen verrukt uit. „Gij zijt goed. Gij zijt zeker de broeder van de signora, want zij is ook zoo goed. Gij zijt een buitenlander, de signora is ook een buitenlandsche en alle vreemdelingen zijn goed.”
„Zoo, mijn jongen?” viel Raffles hem in de rede, „hoe is je voornaam?”
„Alberto”, luidde het antwoord.
„Jij bent een flinke jongen, Alberto”, sprak de Groote Onbekende op vriendelijken toon. „Kom, ga een eindje met mij mee en vertel mij iets.”
Met de echte vertrouwelijkheid der Italianen begon Alberto allerlei verhalen van zichzelf en zijn familie te vertellen. Raffles luisterde geduldig; daarop vroeg hij, als terloops:
„En de buitenlandsche signora? Ken je die reeds langen tijd?”
„O ja! Ik ken de signora reeds verleden voorjaar. Maar zij is zoo dikwijls op reis. Dan komt zij opeens terug en geeft mij soldi.”
„Weet je ook, Alberto, of de signora nu op reis is?”
„Neen, zij is weer hier!” riep Alberto op levendigen toon. „Ik heb haar vandaag juist ontmoet, vroeg in den morgen, toen ik bij de Sint Paolokerk stond, kwam zij daar uit en heeft een heele poos tegen mij gepraat.”
„Zij heeft je ook iets omtrent signore Grasso gevraagd, nietwaar?” vroeg Raffles. „Dien ken je toch zeker wel, dat is de man, die nu in de gevangenis zit.”
„Ja”, sprak de jongen. „De signora heeft ook over hem gesproken en over zijn familie. De signora is goed.”
„Weet je ook, waar zij woont, Alberto?”
„En of! In de buurt van het groote paleis, waar het huis van onzen koning is. De signora zei.……”
„Mooi, mijn kind”, viel Raffles den mededeelzamen [10]jongen in de rede. „Je bent een verstandige jongen, dat zie ik wel. Wil je mij een pleizier doen?”
„O ja, graag!”
„Dan moet je morgenochtend heel vroeg bij het huis der signora zijn en den geheelen dag haar volgen en goed opletten, wat zij doet. Maar zij mag niets van ons gesprek weten, begrijp je, Alberto?
„Dan kom je morgenavond bij mij in het groote koffiehuis op de Corso, waar de rijke heeren altijd zitten en dan vertel je mij weer alles.
„Daarvoor krijg je dan een heele hoop soldi van mij.”
„Goed”, riep Alberto verrukt uit, „ik zal alles doen, wat gij mij hebt gezegd. En niemand zal er iets van te weten komen.”
— — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — —
De ontmoeting tusschen Lord Lister en den Duitschen schilder was zeer hartelijk. Zij hadden elkaar sinds jaren niet gezien en de professor was innig verheugd zijn vriend, Lord Lister, weder te ontmoeten.
Zonder den professor de werkelijke aanleiding tot zijn reis naar Rome mede te deelen, vertelde Raffles hem, dat hij toevallig door een kennis, den directeur van het Koninklijke Museum te Florence, had vernomen, dat hij, professor Grombeck, zich te Rome bevond en daar hij zich alleen voor zijn genoegen in Italië bevond, wilde hij niet verzuimen, zijn vriend op te zoeken.
Het gesprek liep al spoedig over kunst, vooral over de schilderkunst, het vak van den professor.
„Toen ik in de schilderijengalerij van het Museum te Florence de wonderschoone, wereldberoemde Madonna van Rafaël bewonderde, vertelde directeur Ciatti mij, dat ook gij eens dit kunstwerk hebt gecopieerd. Zou ik dat werk eens mogen zien, mijn beste vriend?”
De heldere oogen van den schilder werden als door een doffen sluier bedekt.
„Helaas neen”, sprak hij op droevigen toon, „het schilderij is weg, evenals mijn mooie droom van geluk verdwenen is, onherroepelijk en voor eeuwig!”
Raffles bemerkte, dat hij, door over het schilderij te spreken, treurige herinneringen bij zijn vriend had opgewekt. Hij vatte diens hand en sprak op zachten toon:
„Ik vraag het niet uit nieuwsgierigheid; en al verzwijg ik ook de reden van mijn weetgierigheid, gij begrijpt zeker wel—dat is een gewichtige en daarom—vertel mij van uw copie. Wanneer hebt gij deze gemaakt?”
„Wanneer ik die heb gemaakt?” herhaalde de professor weemoedig. „De tijd, waarin ik dat stuk heb gewrocht, ligt reeds lang achter mij.
„Ik was toen nog jong, zoo jong, dat ik aan trouw en in de menschen geloofde. Ik leefde voor mijn ideaal en dat was een jonge vrouw, geloof mij, zij was zelf als de Madonna van Rafaël, want Kitty geleek op haar als de eene tweelingzuster op de andere.
„Ik beminde Kitty en vereerde het schilderij. Daar ik haar haar eigen schilderij wilde geven, begon ik de Madonna te copieeren. Met koortsachtigen ijver werkte ik, dag in, dag uit, veel maanden lang en toen de copie gereed was,—mijn vrienden prezen haar en vergeleken haar bij de beste oorspronkelijke schilderijen—kwam de groote ontnuchtering.
„Kitty had alleen het gelaat en de handen van de Goddelijke Madonna, haar ziel echter was die van een duivelin.
„Het beviel haar niet, de vrouw te worden van een eenvoudig schilder, die toen nog onbekend was.
„Zij wilde niets meer van den armen drommel weten. Zij verlangde naar rijkdom, naar pracht en praal, zij wilde machtig zijn.……
„En op zekeren dag was zij verdwenen en met haar was het gecopieerde schilderstuk, waaraan ik met hart en ziel had gewerkt, voor altijd weg.
„Ik heb geen van beiden ooit terug gezien”, eindigde Grombeck bijna fluisterend zijn verhaal.
„Hoe heette de vrouw, die zooveel gelijkenis vertoonde met de Madonna?” vroeg Lord Lister, toen na een poosje zijn vriend weer kalmer was geworden.
„Kitty Molders”, sprak de schilder. „Ik heb nimmer gehoord, wat er van haar is geworden, waar zij is gebleven.”
John Raffles zweeg.
„Zou de directeur te Florence zich vergist hebben?” dacht hij. „Maar neen, dat was niet mogelijk. Ook ik, die niet aan schilderen doe, zou erop zweren, dat de copie van een modern artist moet zijn en die artist is mijn vriend Grombeck.
„Maar hoe is de copie op de plaats van het gestolen schilderij gekomen?” [11]