Toen Raffles den professor had verlaten, twijfelde hij er geen oogenblik aan, dat het geschenk van den schilder aan de geliefde uit zijn jeugd niet door toeval in de handen van den brutalen museumdief was geraakt.
Hij wist nog niet, wie deze dief was.
Zooveel kon hij slechts met zekerheid zeggen: er moest verband bestaan tusschen den millionnair Talbott, de dame, welke door den Romeinschen straatjongen Alberto signora Potter werd genoemd en het gebeurde te Florence, misschien ook was de vermetele diefstal in het Quirinaal-museum te Rome er bij betrokken.
Maar ook dit wist hij: het zou niets geven, al liet hij de dame, wier adres hij nu immers kende, door de Italiaansche politie in hechtenis nemen.
Raffles wist maar al te goed uit eigen ervaring, hoe voorzichtig men moest zijn met het gevangen nemen van rijke en voorname lieden.
Zulk een maatregel zou groot opzien verwekken en hemzelf een onafzienbare reeks onaangenaamheden bezorgen. Intusschen zouden dan alle sporen der misdaad volkomen zijn uitgewischt.
Verdiept in deze overpeinzingen, liep hij plotseling op het smalle trottoir tegen een voorbijganger aan. Hij mompelde een verontschuldiging, sprong terug en keek onwillekeurig op. Maar onmiddellijk keek hij weer voor zich en verdween tusschen de menschen.
De voorbijganger herkende hem niet, maar met scherpen blik keek Raffles den man na. Waar had hij dien eigenaardigen gang gezien, dit uiterlijk van vervallen grootheid, die puntige knevels en dat gladgestreken zwarte haar.……
Zijn geheugen was hem nimmer ontrouw—hij wist het al—het was de jonge elegante heer, wiens gesprek met den Amerikaanschen millionnair hij in hotel Bellevue te Florence had afgeluisterd. Talbott had hem toen Dent genoemd.
John Raffles overtuigde er zich eerst van, dat de man hem niet had herkend, daarop volgde hij hem onopgemerkt.
Een tijdlang liepen zij achter elkaar.
Plotseling vloog een gedachte door het brein van den Grooten Onbekende, die hem in het eerste oogenblik dwaas scheen. Maar er was geen tijd om lang na te denken. Zij waren nu bij een drukke hoofdstraat gekomen.
Raffles liep met vlugge stappen langs Dent en begon:
„Pardon, mijnheer”,.……
„Gij wenscht?” vroeg deze op verbaasden toon.
„Ziet gij niet een spook?” vroeg Raffles met de onschuldigste stem van de wereld.
„Een spook?—Zijt gij krankzinnig, mijnheer?—Wat voor een spook?” vroeg Dent verbaasd.
„Het spook van.….. Carlo Pasini”, sprak Raffles kalm en langzaam.
Een woeste uitdrukking verscheen in de oogen van den man, maar hij verloor zijn tegenwoordigheid van geest niet.
Zij bevonden zich op een der drukste punten van de Romeinsche hoofdstraat. Rondom hen bewoog zich een talrijke menigte.
Plotseling sprong Dent terzijde en schreeuwde:
„Een dief, een dief! Men heeft mijn beurs gestolen! Houdt den dief!”
Dadelijk was alles in beroering, iedereen liep achter den man aan. Allen schreeuwden en de verwarring werd hoe langer hoe grooter. In een oogenblik waren Raffles en Dent door een groote volksmenigte van elkaar gescheiden.— —
Toen Lister, die bedaard was blijven staan, om zich heen keek, was Dent niet meer te zien.
„Je truc is je gelukt”, sprak Raffles tot zichzelf, terwijl hij spijtig glimlachte, „maar het zal je niet baten. Ik weet, wat ik wenschte te weten!”
Hij snelde naar het café, waar hij Alberto zou ontmoeten. Het was er vol bezoekers.
John Raffles nam in een hoekje plaats en wachtte geduldig.
Opeens zag hij, hoe een straatjongen zich vooruitwerkte door het gewoel der gasten en naar hem toekwam. [12]
Juist, het was Alberto, de slimme, Romeinsche straatjongen.
Maar hij bleef bij geen enkel tafeltje staan en kondigde zijn koopwaar ook niet aan; hij naderde Raffles onmiddellijk en fluisterde dezen toe:
„Zij gaat vanavond naar Parijs!”