[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

IN DEN D-TREIN.

De expresse Rome–Parijs zou binnen een uur vertrekken.

Lord Lister had nog juist tijd, om afscheid te nemen van Rome en de noodige maatregelen te nemen.

Het was twee minuten voor het vertrek van den trein. De courantenverkoopers en buffetjongens liepen op het perron heen en weer en boden met luider stemme het reizend publiek ververschingen en lectuur aan.

De reizigers hadden reeds plaats genomen in de coupé’s en wachtten op het teeken tot vertrek, terwijl zij zich nog door de openstaande raampjes en waggondeuren onderhielden met de personen, die hen wegbrachten.

De locomotief dampte en snoof als een vurig paard, dat zich op een langen rit voorbereidt.

De spoorwegbeambten holden heen en weer en deelden hun laatste bevelen uit.

Plotseling verscheen in de laatste minuut voor het vertrek van den trein nog een late passagier op het perron. Het was een slanke dame met zeer voornaam uiterlijk.

Een vrouw, waarschijnlijk haar kamenier, volgde met talrijke doozen en pakjes.

Aller oogen vestigden zich op de slanke vrouwengestalte. De conducteur opende het portier van een coupé eerste klasse en hielp haar instappen. De kamervrouw stapte mede in.

De conducteur wilde reeds de deur van den waggon weer dichtslaan, toen nog een reiziger naderde.

Het was een corpulente katholieke geestelijke, die hijgend met zijn handkoffertje kwam aanhollen en in Romeinsch dialect vroeg:

„Eerste klasse, niet rooken?”

De conducteur liet hem in dezelfde coupé plaats nemen, waar de dame reeds zat. Op het volgende oogenblik gaf de stationschef het teeken tot vertrek en zette de trein zich in beweging.— — —

Reeds eenige uren lang zat de dame in haar hoekje tegen het roode pluche geleund, schijnbaar te sluimeren. Ook de geestelijke zat onbeweeglijk en toonde geen belangstelling voor de streek, waardoor zij reisden, hoewel het landschap, badend in het zachte maanlicht, een tooverachtigen aanblik bood.

Alles was stil; men hoorde alleen het geratel der wielen en het stampen van de locomotief.

Eindelijk sliep de geestelijke in.

Zijn zware ademhaling en zacht gesnurk schenen de dame te hinderen, want plotseling stond zij op.

Met een vluchtigen blik overtuigde zij zich ervan, dat de geestelijke sliep. Daarop begaf zij zich naar de lange zijgang en liep naar den kant, waar zich de rookcoupé’s bevonden.

Voor een der afdeelingen bleef zij staan. Slechts een heer zat daar, een man van middelbaren leeftijd, in wien men dadelijk den Amerikaan herkende.

Zij aarzelde een oogenblik; toen klonk het op zachten toon van haar lippen:

Charly!”

De heer sprong op, maar op hetzelfde oogenblik klonken achter de dame zware voetstappen. Het tweetal keerde zich om en zag den geestelijke, die met langzame stappen naderkwam.

Met groote tegenwoordigheid van geest kwam de dame naar hem toe en vroeg met een betooverend glimlachje:

„Pardon, kunt u mij ook zeggen, waar de restauratiewagen is?”

„Ik geloof, aan het eind van den trein, dame”, antwoordde de geestelijke.

Met een vriendelijk „dank u” ruischte de dame in de aangeduide richting.

De geestelijke bleef in den zijgang bij het raampje staan. Hij scheen naar buiten te kijken, maar het ontging zijn scherpen blik niet, hoe zij, op het oogenblik, [13]dat zij de coupé van den Amerikaan passeerde, als per ongeluk een klein stukje wit papier ter grootte van een visitekaartje liet vallen. Onmiddellijk zette de Amerikaan er zijn voet op.

Nauwelijks was de dame verdwenen of hij keek om zich heen, bukte en bracht het stukje papier bij zijn oogen. Tegelijkertijd schoof de geestelijke den blauwen bril, welken hij droeg, terug en wierp een haastigen, maar scherpen blik over den schouder van zijn medereiziger en las tegelijk met den Amerikaan de volgende woorden:

„Dent ontmoette heden Raffles in Rome.”

Het geheele voorval duurde niet meer dan een halve seconde; reeds stond de geestelijke weer uit het raampje te kijken en vlak bij hem rekte de Amerikaan zich geeuwend uit.

Toen de geestelijke zijn eigen afdeeling weer had bereikt, was de dame daarin reeds weer uit den restauratiewagen teruggekeerd. Zij leunde met gesloten oogen in de kussens en scheen den binnenkomenden reiziger niet eens op te merken.

Deze nam kalm zijn plaats weer in.

Na een poosje stond hij echter weer op en sprak op beleefden toon tot de dame, die juist de oogen even opende:

„Gij wilt zeker slapen, dame, ik wil u niet storen. De trein is bijna leeg, want er vertrekken in dit heerlijke seizoen weinig menschen uit ons schoone Italië.

Het is een kleine moeite voor mij om een plaatsje te vinden in een andere afdeeling. Gij zijt dan ongestoord.……”

„Ik dank u zeer, gij zijt zeer vriendelijk”, antwoordde de dame.

De geestelijke nam zijn handtaschje op en verliet met een eerbiedigen groet de afdeeling. Daarop zocht hij de coupé op, waar de Amerikaan zat en nam tegenover dezen plaats.

Zonder met den man een gesprek aan te knoopen bleef de geestelijke zwijgend zitten. Als uit verveling keek hij met onverschillige blikken naar zijn vis-à-vis.

Deze had een Engelsch romannetje in de hand en scheen aandachtig te lezen. Maar zijn oogen dwaalden af en de geestelijke zag, dat de bladen van het boek onopengesneden waren.

De bagage van den Amerikaan lag in het net boven zijn hoofd; als toevallig keek de geestelijke naar de pakjes, waarbij zich een in de lengte opgerold cartonnen foudraal bevond.

Het was eigenlijk te lang om als handbagage van een eerste klasse reiziger te dienen en men begreep, dat de inhoud van te veel waarde moest zijn, dan dat die aan den bagagewagen kon worden toevertrouwd. Eenige oogenblikken rustte de blik van den dikken geestelijke op den cartonnen koker, daarop richtte hij het woord tot den Amerikaan en sprak op jovialen toon: „Een mooi land is ons Italië, vindt u niet?”

„Ja, Italië is prachtig”, antwoordde de Amerikaan kortaf.

Zij hadden nu een onderwerp van gesprek en nadat zij eenigen tijd over de voordeden van het zuidelijk klimaat hadden geredeneerd, sprak de geestelijke:

„En dan de kunst! Denk eens aan onze groote artisten, zooals Rafaël, Michel Angelo, Leonardo da Vinci!”

Een bijna onmerkbare schaduw vloog over het gelaat van den Amerikaan.

„Ja”, sprak hij langzaam, „het is immers ter wille van de Italiaansche kunst, dat wij Italië bezoeken.”

Hij staarde peinzend voor zich uit; de geestelijke trachtte nog het gesprek weer aan te knoopen, maar de antwoorden van den Amerikaan werden steeds korter en eindelijk zweeg hij.— —

„Alles uitstappen! Douane!”

De trein stopte aan de Fransche grens. Een bende pakjesdragers stormde op den trein aan; koffers, doozen, valiezen, kleine en groote tasschen, alles werd uit den trein geladen en opgestapeld in de groote ruimte, waar het onderzoek der douanen plaats vond.

De reizigers gingen rondom lage tafels staan, die in een halven cirkel rondom de bagageruimte waren geplaatst.

Namen werden opgeroepen, koffers geopend, kostbare stoffen, sieraden en kunstvoorwerpen werden door de beambten getaxeerd en belast.

„Hebt gij iets aan te geven?” vroeg de kleine Fransche beambte met het puntbaardje, terwijl hij den corpulenten Italiaanschen geestelijke naderde. Reeds wilde hij bevel geven het handkoffertje te laten openen, toen de geestelijke zich tot den beambte boog en dezen in het oor fluisterde:

„Laat mijn bagage niet openen. Gij hebt zeker reeds een bevel van hooger hand daaromtrent gekregen. Mijn naam is …” de laatste woorden waren alleen verstaanbaar voor den douane-ambtenaar.

Deze glimlachte veelbeteekenend en antwoordde met een buitengewoon beleefden groet:

„Een klein plezierreisje naar Parijs zeker?”

John Raffles verloor geen oogenblik den Amerikaan uit het oog.

Het duurde zeer lang, voordat diens bagage werd [14]getaxeerd. Het waren ware kostbaarheden, welke de rijkaard medenam uit Italië: schilderijen, beeldhouwwerk, sieraden, snijwerk in hout en ivoor, kunstig ingelegde mozaïeken en ontelbare andere voorwerpen, welke de verzamelaar voor veel geld in Italië kan koopen.

Bij verscheiden voorwerpen, welke zeldzame antiquiteiten waren, moest de Amerikaan de koopacte vertoonen en daardoor werd de belasting nog hooger.

Eindelijk had alles een beurt gehad en bleef alleen nog de lange cartonnen koker over.

Raffles zag, dat de beambte hem opnam en dat het een zwaar voorwerp was. Toen het étui werd geopend lag daarin een lange, sierlijk bewerkte verrekijker uit het begin der negentiende eeuw. Vermoedelijk had deze kijker groote historische of artistieke waarde, waarom de kooper zijn eigendom zoo zorgvuldig bij zich hield. Het werd belast met een klein bedrag aan inkomende rechten.

De verrekijker werd weer in het étui geborgen en het viel Raffles, die met scherpe blikken toekeek, op, dat de Amerikaan het voorwerp met welgevallen weer in het omhulsel zag verdwijnen.

Alsof hij niemand zijn kleinood toevertrouwde, nam hij zelf het zware cartonnen étui op en droeg het naar zijn coupé terug.

De dame had niet veel aan te geven. Eigenlijk behoefde zij slechts voor één enkel schilderij inkomende rechten te betalen. Dat was een modern, goedkoop, met harde kleuren geschilderd landschap.

Zelfs een leek kon bij het zien van dit schilderstuk onmiddellijk constateeren, dat het een vrij waardeloos modern Italiaansch doek was. Des te kostbaarder echter was de zware prachtige omlijsting van het schilderij.

De galante Fransche beambte kon niet nalaten op schertsenden toon op te merken:

„Madame betaalt alleen belasting voor de zware lijst!”

En als om het schilderij te taxeeren, nam de Franschman het in de hand en woog het met lachend gezicht.

Een doodelijke bleekheid bedekte het gelaat der dame. Maar zij beheerschte zich en glimlachte flauwtjes.

De beambte, die dezen glimlach als een aanmoediging opvatte, vervolgde op half officieelen, half schertsenden toon:

„Als onze belasting zoo hoog was als het schilderij met de lijst zwaar is, moest Madame nu meer betalen dan het geheele stuk waard is!”— — —

Daar buiten pufte de locomotief als gereed om weer te vertrekken. De eigenaardige drukte, welke heerscht aan het station der Italiaansch-Fransche douane, was afgeloopen. De reizigers hadden hun plaatsen weer ingenomen, de bagagewagen was gevuld, het platvorm was weer leeg.

Toen Raffles zijn coupé weer binnenging kwamen hem van den anderen kant de Amerikaan en de dame tegemoet. De groote onbekende zag, dat de Amerikaan in de nauwe zijgang haar de hand drukte en hij hoorde hem fluisteren:

„Ik dank je, Kitty!”

Daarop deden zij beiden weer alsof zij elkaar niet kenden. Elk nam zijn plaats in, de locomotief liet een gillend gefluit hooren en de trein rolde verder.—

Naar Parijs!