[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

IN VOORARREST.

Onderweg van Talbott’s paleis naar Parijs dacht Dent over den toestand na. Hij was er vast van overtuigd, dat hij alleen door de bemoeiing van dien werkman gevangen was genomen, maar hij trok zich niet veel van het geval aan.

Een korte gevangenisstraf—dat was alles, wat hem te wachten stond, want hij wist, dat Talbott zich alle mogelijke moeite zou geven om het geval als onbeduidend voor te stellen.

„Dat zal hem nu echter nog meer kosten,” mompelde Dent bij zichzelf.

Hij was vroolijk, floot een straatdeuntje en dacht alleen aan het humoristische van zijn toestand.

Maar de eene dag verliep na den anderen en nog steeds zat Dent in voorarrest. De rechter van instructie, die tweemaal een onderhoud met hem had, vroeg hem uitvoerig omtrent zijn vroeger leven en zijn verhouding tot Talbott. Dent vertelde, dat hij een Schot was en, dat hij evenals Talbott, voor zijn genoegen in Parijs woonde.

Hij beweerde, den milliardair te kennen door ontmoetingen in Musea en daar zij beiden evenveel belang stelden in kunstwerken, waren zij vrienden geworden en was hij meermalen bij Talbott aan huis geweest.

Terloops vroeg de rechter van instructie hem of hij Florence kende. Dent antwoordde ontkennend.

Op de vraag, waarom hij Talbott had aangevallen en uit welke oorzaak de strijd was ontstaan, weigerde de schurk te antwoorden.

Maar langzamerhand begon hij ongerust te worden en naar een onderhoud met Talbott te verlangen.

Dit laatste werd hem echter niet toegestaan. Hij schreef brieven, waarin hij den Amerikaan met dringende woorden verzocht, met hem te komen spreken. Maar Talbott kwam niet en Dent werd ongeduldig.

De bewaker, onder wiens toezicht de gevangene stond, was een oude, knorrige Franschman, die alle vragen met een onverstaanbaar gemompel beantwoordde. Groot was dus Dent’s vreugde, toen de oude brombeer hem vertelde, dat hij twee dagen verlof had gekregen en een ander hem zou vervangen!

Die andere was een fideele kerel. De gevangene bemerkte dadelijk, dat hij van dezen jongen man veel meer kon gedaan krijgen dan van den oude.

Er was nog geen halve dag voorbijgegaan, of de bewaarder wist reeds dat zijn gevangene een rijke Schot was, die voor een bewezen dienst veel geld over had. Dent verwachtte veel van hem.

„Zoudt gij mij een groot genoegen willen doen?” vroeg hij den tweeden dag. „Gij krijgt er 100 francs voor.”

„Een mooie, ronde som,” antwoordde de ander lachend.

„Ik zal een brief schrijven en dien moet gij zelf wegbrengen, gij moet hem persoonlijk aan den geadresseerde afgeven en mij het antwoord brengen. Maar gij moet ervoor zorgen, dat de brief in de goede handen komt, hoort gij? Gij kent immers het groote paleis aan het Bois de Boulogne, dat van den rijken Amerikaan.”

„Talbott,” viel de bewaarder hem in de rede.

Onmiddellijk ging hij op weg. Maar nauwelijks was hij buiten, of hij sloeg, inplaats van naar het Bois de Boulogne te gaan, den weg in naar een der groote hotels, waar veel vreemdelingen logeerden.

Daar verwachtte Lord Lister den gevangenbewaarder.

„Honderd francs heeft mijnheer mij beloofd,” vertelde deze.

„Goed, gij zult uw geld dadelijk hebben,” sprak Raffles. „Hier hebt gij 150. Ga onmiddellijk naar dien heer terug en vertel hem, dat Mr. Talbott op reis is. Den brief kunt gij hem terugbrengen, nadat ik hem heb gelezen.”

De Groote Onbekende las:

„Mijnheer, al waart gij niet bang voor mijn dreigementen, toen ik in uw huis op een gemakkelijken stoel zat, dan zult gij het misschien nu wel zijn, nu ik op een brits zit in de gevangenis. Nu is mijn geduld ten einde en ik ben tot alles in staat. Ik schrijf u nu voor de laatste maal. Binnen drie dagen moet ik vrij zijn; ik weet, dat het een kleinigheid voor u—met uw vermogen en uwe [19]relaties—is, om dat te bewerkstelligen. En dan verwacht ik een contoboek bij de Crédit Lyonnais van een millioen francs.

Mocht ik na verloop van drie dagen nog gedwongen zijn, mijn vrijheid te missen, dan neem ik het laatste middel te baat: „Hertog des Esseintes zal mij niet laten wachten!”